Waarde Heer,
Ik ontvang daareven Uw brief. Ik ben blij dat ons nr I u bevalt.1 Ook Vermeylen, die anders niet licht te voldoen is, wenscht er me geluk meê. En, daar ik de overtuiging
heb nog drie-vier volgende afleveringen even degelijk te kunnen maken, dan krijgen wij een uitstekenden jaargang.
Het zou natuurlijk wenschelijk zijn steeds heel vroeg in de maand te kunnen klaar komen. Een bezwaar echter is, dat ik in ieder nummer de tijdschriften der vorige maand recenseer, - die ik gewoonlijk nogal laat ontvang, té laat dat het nr heelemaal tegen 15e der voorafgaande maand zou gedrukt zijn. Maar met de hulp der medewerkers zou het zich allicht schikken, dat we tegen den 20en klaar kwamen. Is dat goed? Zorg er dan a.u.b. voor dat ik iedermaal spoedig de tijdschriften krijg!
Hierbij gaat Uw lijst van present-ex. terug.2 Ik heb doorgehaald wat me overbodig scheen: het is onnoodig te sturen, waar men nooit over ‘Vlaanderen’ spreekt. Met de nrs die U me stuurt doe ik natuurlijk mijn best. We hebben Zaterdag redactie-zitting: dan spreek ik met de vrienden over mogelijke propaganda-middelen, en vraag naar adressen van boekhandelaren hier in Vlaanderen.3
Hierbij gaat ook een post-kaart: een vermoedelijke abonnent.4 Wilt U er nota van nemen?
Gisteren had ik de verrassing, reeds eene drukproef van vel I van ‘Janus’ te ontvangen.5 Zoó ziet het er heel goed uit, vind ik. Welk papier neemt ge voor het boek? Dat van de drukproef?
Deze week stuur ik U het inleidend woord tot het boek. De omslag-teekening komt einde der maand.
Met hartelijkste groeten,
Uw d.w. dr.
Karel van de Woestijne