terug  begin  verderprepost

55 Sint-Martens-Latem, 25 januari 1906

Waarde Heer van Dishoeck,

Ik heb U van morgen de drukproeven van ‘Janus’ gestuurd, met verzoek dat ik er nog eene moge van ontvangen. - Wat de titel van ‘Janus met het dubbele voorhoofd’ beteekent? De Romeinen hadden onder hunne mindere goden éenen, die het twijfelachtige, het dubbelzinnige van den menschelijken aard voorstelde, en dien ze noemden ‘Janus bifrons’ = ‘Janus met het dubbele voorhoofd’ (d.i. ‘gelaat’). De bedoeling van den titel wordt overigens duidelijk door 't ‘korte sermoen aan den lezer’ dat de verhalen inleidt (twee bdz. slechts, bij het vóor-werk).1 Deze titel paste zoo voortreffelijk bij mijne ‘dubbelzinnige’ verhalen, dat ik hem mij-zelven niet heb willen ontzeggen. Hij gaf overigens aanleiding tot eene aardige omslag-teekening: ik stuur ze u hierbij.2

Hoe wij dien nu zullen drukken? Ik stel vóor: wit of roomkleurig papier (liefst glad, nagemaakt Japansch b.v., en omgevouwen), gedrukt in schel-groen, bleek-oranje, violet of rood-brons. Wat denkt ge? Voor de banden: zelfde kleuren, of nagenoeg. We zouden eens kunnen zien, vindt U niet?

‘Vlaanderen’ zal, als Thieme meê wil, deze week gansch zijn afgedrukt. Het is weêr een goed nummer. Nr III, mits ik vroeg de tijdschriften ontvang, komt gansch klaar tegen 15 Februari.

Nieuws nu over De Meyere. Het is, helaas, wáar dat hij plagiaat op groote schaal heeft gepleegd.3 Het is echter éven waar dat de beschuldiger kwade bedoelingen heeft

[p. 68]

gehad. U kunt wel denken dat heel de redactie daar ruim over gecorrespondeerd heeft; waar de éenen de Meyere onmiddelijk uit ons midden bannen wilden en over boord gooien, vonden anderen weêr dat we hem den tijd laten moesten zich te verrechtvaardigen. Tot dit laatste is besloten: ik heb heden morgen aan de Meyere geschreven, om hem te vragen wat hij van plan was te doen tegenover de beschuldiging van plagiaat. Bekent hij, dan zal hij zelf genoeg eer-gevoel hebben om zijn ontslag te nemen ('tgeen nog geen plaats had, wat ook een Antwerpsch smousje in de N.C. hebbe gezeid4); loochent hij, dan vinden wij wel middel om de Meyere te bewijzen dat hij bij ons in de redactie niet blijven kan, en geen recht meer heeft over het eerlijk werk van anderen te oordeelen...

Wat nu die nieuwe plagiair mag zijn: dat zal vooralsnog 't geheim zijn van 't Joodje - een meneer die we in Vlaanderen al dikwijls geweigerd hebben, en dien ik ál te goed ken, daar hij mijn makker was aan de Universiteit -. Misschien is hij het zélf wel!5

Intusschen bewijst dit alleen, of hoofdzakelijk althans, dat de jonge literatoren die tot Vlaanderen niet doordringen kunnen, alle middelen gebruiken om ons te bezwadderen. Ja, ons Vlaandrenland wordt een ‘literair’ land, evenals Holland: we gaan er elkander kelen en bevlekken gelijk het daar benoorden gaat! - Gelukkig zijn we hier nog een zestal die vuisten hebben, en áchter deze een legertje meêwerkers die het even-góed meenen! ‘Vlaanderen’ wordt meer en meer noodwendig in ons land. Vóor 't einde van 't jaar (op 't letterkundig Congres van Augustus, te Brussel, o.a.) zal het bewezen worden. Ik denk wel dat U, als onze uitgever, daar wel plezier aan hebben zult!6

In afwachting der aangekondigde boeken, met vriendelijke groeten,

Uw genegen d.r.

Karel van de Woestijne

 

25 Januari.

1Het uiteindelijke voorwoord, getiteld ‘Klein sermoen aan den lezer’ (gedateerd 1 mei 1906), zou één bladzijde beslaan.
Van Dishoeck gebruikte Van de Woestijnes uitleg van de titel in de aanprijzing van Janus met het dubbele voor-hoofd in zijn voorjaarsaanbieding 1906: ‘Een bundel proza van den dichter Karel van de Woestijne is een welkome verschijning voor alle litteraire Feinschmecker. De Romeinsche god Janus bifrons - met het dubbele gelaat - dat lacht en weent tegelijk, is de symbolieke figuur voor de verhalen.’
2Zie afb. p. 106. De originele tekening is niet teruggevonden.
3Victor de Meyere zou in zijn dichtbundel Avondgaarde uit 1904 de Franse dichter Albert Samain (1858-1900) hebben geplagieerd. Van de Woestijnes latere huisvriend Joris Eeckhout maakte dit in januari 1906 bekend in het artikel ‘Victor de Meyere en Albert Samain’ in het tijdschrift De Groene Linde. In onder andere de aflevering van maart-april van de Mercure de France en in het Nieuwsblad van 23 januari 1906 werd de kwestie genoemd. (Vgl. ook De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen. Brieven en documenten (ed. G.H. 's-Gravesande), Brussel [enz.][1962], p. 91-94.)
4Van de Woestijne doelde op de correspondent van het Haagse dagblad De Nieuwe Courant Marten Rudelsheim (1873-1920). Rudelsheim was tevens medewerker van Den Gulden Winckel en werkzaam bij de Stadsbibliotheek Antwerpen. Hij publiceerde op 19 januari 1906 in De Nieuwe Courant onder de titel ‘Letterdieverij’ een brief (gedateerd 14 januari) over de plagiaatkwestie. Hij suggereerde dat De Meyere ontslag als redacteur van Vlaanderen zou nemen.
5Rudelsheim besloot zijn artikel met de zin: ‘En, intusschen kan ik nu reeds meedeelen dat binnen korten tijd een ander geval van plagiaat door een Vlaamsche dichter, maar ditmaal op een Duitscher gepleegd, zal bekend worden gemaakt.’ Wie deze dichter was is ons niet bekend.
Van de Woestijne zelf werd op 28 januari 1906 beschuldigd van plagiaat van de Franse dichter Henry de Régnier, in het - niet ondertekende - artikel ‘Dichter De Meyere en Albert Samain’ in Van Onzen Tijd. Overigens sprak Albert Verwey in zijn bespreking van Verzen van beïnvloeding bij Van de Woestijne door de toon van De Régnier. Deze nieuwe kwestie kreeg geen vervolg. (Vgl. P. Minderaa, Karel van de Woestijne. Zijn leven en werken [I], Arnhem 1942, p. 284-285.)
6Op het van 26-30 augustus 1906 te Brussel gehouden 29e Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres was, zoals blijkt uit de Verslagen en Mededeelingen, een aantal medewerkers van Vlaanderen aanwezig dat zich liet gelden tijdens de discussies: Lodewijk de Raet sprak onder andere over de brandende kwestie van het gebruik van het Nederlands als voertaal in het Vlaamse onderwijs, Alfons de Cock en Victor Fris spraken over Vlaamse volksliederen en de folklore, Gustaaf Vermeersch hield een redevoering over ‘De Vlaamsche beweging en de Vlamingen in het Walenland’.
Van Dishoeck, die ook op het congres present was, mengde zich in de discussies ‘Over goedkope en geschikte prijsboeken voor Vlaamsch België’ en ‘Over verspreiding van het Nederlandsche Boek in België’.
prepostterug  begin  verder