terug  begin  verderprepost

68 Sint-Martens-Latem, rond 8 juni 1906

Waarde Heer van Dishoeck,

Ik ben, zeer onverwacht, deze week een paar dagen in Holland geweest, en had wel gehoopt U bij deze gelegenheid op te zoeken.1 't Onthaal dat ik daar echter genoot, zóo vriendelijk dat ik er waarlijk beschaamd om was, belette mij, 't genoegen van een bezoek ten Uwent te genieten. Mijn tijd - die kort was, om verscheidene rede-

[p. 83]

nen, - werd geheel ingenomen door mijn gastheer Robbers, door Jac. van Looy, door Mijnssen,2 door J. de Meester, - wie weet ik al! zoodat ik, tot mijn groot spijt, moest heen gaan zonder U gezien te hebben.

Neem het me niet kwalijk: nu dat ik éenmaal in Holland geweest ben, en na 't onthaal dat er mij te beurt viel, keer ik er stellig, en misschien wel spoedig, terug; en dan zal ik de vrijheid nemen U in de eerste plaats op te zoeken, als U 't me toelaat.

Met vriendelijkste groeten

Uw genegen en dw.

Karel van de Woestijne

1Van de Woestijne woonde met Emmanuel de Bom van 4 tot 7 juni in Nederland de vergadering van de Nederlandsche Vereeniging voor Letterkundigen bij. (Zie P. Minderaa, Karel van de Woestijne. Zijn leven en werken [I], Arnhem 1942, p. 259-260.)
2De schilder en schrijver Jac. van Looy (1855-1930) en de schrijver en criticus Frans Mijnssen (1872-1954).
prepostterug  begin  verder