terug  begin  verderprepost

69 Sint-Martens-Latem, eind juni 1906

Waarde Heer van Dishoeck,

Neem me niet kwalijk dat ik U niet vroeger schreef: Uw laatste briefkaart heeft me te bed gevonden, stervens-ziek. Ik ben inderdaad een tiental dagen in doodsgevaar geweest: eene etterwonde in de maag, die plots is open gebroken. Ik heb verschrikkelijk-veel bloed verloren...

Nu, Goddank, ben ik buiten onmiddelijk gevaar, en, als ik wat sterker geworden ben (ik ben heden voor 't eerst op uit bed), ga ik weêr dapper aan 't werk. Zoodat het laatste van ‘Janus’ u spoedig bereikt. Intusschen kan men al ‘Blauwbaard’ naar den tekst uit ‘Vlaanderen’ zetten.

Ik denk dat het Juli-nr van ‘Vlaanderen’ reeds geheel gedrukt moet zijn; de laatste verbeterde proef is sedert een tiental dagen op de drukkerij. Ook de Aug.-aflevering komt heel spoedig klaar.

In de Juli-afl., heb ik in ‘Leven en kunst’ voor een zes frank tekst.1 Tevens heb ik deze maand 9,60 F aan briefwisseling uitgegeven; samen dus: 15,60 F. Zou ik die tegen zondag kunnen krijgen? 't Ware me werkelijk verplichten... U vroegt me 't adres van Hermina Schuyters. Die jufvrouw is een vriendin van mijn vrouw; u kunt het honorarium voor hare bijdrage naar mij sturen: zij heeft daar vóorkennis van. Ik overhandig haar dan het geld.2

Hier schei ik uit. Ik ben heel zwak in mijn hoofd nog.

Met hartelijken dank bij voorbaat en vriendelijke groeten

[p. 84]

Uw d.w. en genegen

Karel van de Woestijne

 

Wilt U zoo vriendelijk zijn de ingekomen boeken voor ‘Vlaanderen’ te sturen? Ik heb vraag naar verscheidene ervan van wege de redacteurs; er zijn er die we gaarne voor de Aug.-Afl. zouden bespreken.

1Een bijdrage voor het onderdeel ‘De Gedichten’, in Vlaanderen 4 (1906) 7 (juli), p. 388-389.
2Hermina Schuyters, ‘Mane-vijver’, in Vlaanderen 4 (1906) 4 (april), p. 165. Hermina Schuyters was een pseudoniem van Van de Woestijne dat terugging op een bestaand persoon. Gustave van de Woestijne noemt in zijn herinneringen een zekere Minaatje Schuytters, die in Latem in de kerk werkte. (Zie P. Minderaa, Karel van de Woestijne. Zijn leven en werken [I], Arnhem 1942, p. 327-329, en Gustave van de Woestijne, Karel en ik, Brussel 1979, p. 63.)
In Jong Dietschland (Oogstnummer 1906, p. 247-248) vond men het gedicht overigens ‘Karel van de Woestijne klaar afgesproken’.
prepostterug  begin  verder