terug  begin  verderprepost
[p. 88]

73 Sint-Martens-Latem, half augustus 1906

Waarde Heer van Dishoeck!

Eene moeilijke vraag die ge me daar stelt! Voor mij, naar mijn persoonlijken smaak, is ‘Warhold’, zooniet een volkomen meester-stuk (daartoe is het nog niet zuiver, nog niet gaaf genoeg), dan toch zeker het allerbeste verhaal dat in de laatste jaren verscheen.1 Als visie grootsch, als stijl, buiten kleine vlekjes, uitmuntend, heeft het op de loopende literatuur vóor, dat het erin niet te doen is om een klein gevalletje, en om het stipt détailleeren, om het wroetend ontleden van dat gevalletje. Het is kunst-zonder-kleinheid; het is groote, nobele, zooniet volkomen-bereikte kunst. - Ik herhaal: dat is mijn persoonlijken smaak, die gaarne afdwaalt van het burgerlijk realisme en liefst leeft in een meer ideëelen wereld, in een wereld die, op sterke realiteit gebouwd, toch mijn zin voor fantazie en mijn lust tot fantazeeren bevredigt. (Ik lig daar nog steeds in briefwisseling over met Herman Robbers, die het voor 't gewone realisme houdt, en... op zijn standpunt gelijk heeft.)2

De kunst-waarde van ‘Warhold’ is dus zeer groot; als verkoop-waarde is het echter, vrees ik, veel minder. - Of het in Vlaanderen, inzonderlijk in katholieke kringen, en bijzonder onder de priesters, belangstelling zou wekken? Dat is eene andere vraag!... Zeker, als U de uitgave doet - hetgeen ik voor Adriaan van Oordt hoop - zal ik persoonlijk mijn best doen om 't boek aan te bevelen: ik ben er genoeg mede ingenomen om er in volle oprechtheid een uitgebreid opstel in ‘Vlaanderen’ aan te wijden, dat den schrijver en U bevredigen zou. - Maar de katholieken, en de priesters-kringen!! Weet U dan niet dat daar, op zeer weinige uitzonderingen na, als algemeene stelregel geldt: niet lezen, of althans niets lezen, dan boeken door priesters geschreven? Stijn Streuvels' ‘Lenteleven’ werd, bij de eerste uitgave, in de katholieke colleges als lectuur verboden;3 en toch was Streuvels als goed katholiek en als peetneef van Guido Gezelle gekend! Zoudt ge willen gelooven (entre nous) dat Gezelle-zelf al 't mogelijke gedaan heeft om Streuvels het schrijven te beletten?4 Ik-zelf, hier als katholiek gekend (hoewel als zeer vrij katholiek), ik word met achterdocht letterlijk vervolgd hier in Vlaanderen, waar ze in Holland gelukkig zijn te weten dat ik een oprecht katholiek ben (lees wat Pater Linnebank in het Centrum schreef).5 Neen: in de bekrompen priesters-kringen (en ze zijn over 't algemeen veel bekrompener dan de Hollandsche geestelijkheid) leest men niet, en doet men zijn best om onder de geloovigen het lezen te beletten, althans het vrije lezen, het lezen dat niet

[p. 89]

onder hoogere controol is doorgegaan. Ge ziet dat van dien kant niet veel is te verwachten...

Dit alles zeg ik niet om u af te raden, ‘Warhold’ uit te geven! Wel integendeel: ik zag het liever in uwe, dan in andermans handen, want ik weet dat het waarborg is voor eene degelijke uitgave. Dat is mijn lezers-standpunt... Maar de finantiëele zijde der vraag durf ik niet aan te raken: ik vrees wel dat ge dáar gelijk zoudt hebben, het boek niet te nemen, - wat ik toch allerminst, voor de Nederlandsche literatuur en voor van Oordt, wensch...

Nu over van Buggenhaut: de ‘Wondernacht’ is een uitmuntend werkje, waar ik de auteur meê geluk heb gewenscht.6 Gij zoudt groot gelijk hebben het in een boekje te laten overslaan: het zou een sukses kunnen worden dat van Buggenhout bepaald verdient: hij is onder de fijnste onzer meêwerkers.

U geluk wenschende met deze nieuwe uitgaven blijf ik, met vriendelijke groeten,

Uw d.w. en genegen

Karel van de Woestijne

1Van de Woestijne besprak de roman Warhold van Adriaan van Oordt positief in Vlaanderen 4 (1906) 3 (maart), p. 154-156. Warhold verscheen in De XXe Eeuw 12 (1906) 1 (januari), p. 1-60; 2 (februari), p. 135-190; 3 (maart), p. 255-310; 4 (april), p. 71-110; en 5 (mei), p. 190-247.
Warhold verscheen in november 1906 in twee delen bij Van Dishoeck met een bandversiering van Herman Teirlinck. In een aan de uitgave voorafgaand prospectus werd onder andere een citaat uit de bespreking van Van de Woestijne gebruikt.
2In de bewaard gebleven correspondentie tussen Van de Woestijne en Robbers wordt over dit onderwerp niet gesproken.
3Lenteleven verscheen in 1899. (Zie over de ontvangst van Lenteleven: Luc Schepens, Kroniek van Stijn Streuvels 1871-1969, [Brugge] 1971, p. 34-37.)
4In 1896 schreef Streuvels aan De Bom dat zijn oom Guido Gezelle niet opgetogen was over zijn publicatie in het tijdschrift Van Nu en Straks. (Vgl. Laetitia Jansseune/Raymond Vervliet, ‘Stijn Streuvels en “Van nu en straks”’, in Dietsche Warande & Belfort 116 (1971) 8, p. 38-88.)
5Vgl. brief 62, noot 7.
6Constant van Buggenhaut, ‘De wondernacht’, in Vlaanderen 4 (1906) 6 (juni), p. 268-269 en 7 (juli), p. 311-334. (Vgl. ook brief 79.)
prepostterug  begin  verder