terug  begin  verderprepost

74 Sint-Martens-Latem, 26 augustus 1906

Waarde Heer van Dishoeck.

Neem me mijn lang zwijgen niet kwalijk: ik heb weêr een tiental dagen in bed gelegen, ziek aan de maag. Maar nu ben ik beter.

Morgen verbeter ik de drukproeven van ‘Janus’ en stuur ze U dan onmiddelijk op.

Wat Vlaanderen aangaat: de twee eerste vellen kunnen worden afgedrukt; wat nog ontbreekt voor het derde - een paar bladzijden - werk ik heden af en stuur het naar de drukkerij. Wij zullen dus ruim in tijds klaar zijn.1 Deze maand heb ik 7 bdz. gedichten in het nummer, en Leven en Kunst, 8 volle bdz. is gansch van mij.2 Zoodat me voor dit nummer 60 F toe zou komen. Ik heb aan briefwisseling 9,10 F verteerd. Samen dus: 69,10 F. Zou het U gelegen komen me deze som op te sturen? Ik zou ze thans goed gebruiken kunnen.

Met hartelijken dank bij voorbaat, en vriendelijkste groeten

Uw d.w. en genegen

Karel van de Woestijne

[p. 90]


illustratie
Brief van Van de Woestijne aan Van Dishoeck, tussen 20 en 25 januari 1906 (brief 54). (Collectie Letterkundig Museum, Den Haag.)

1Het betreft het septembernummer.
2‘Zomerverzen I-VI’ in Vlaanderen 4 (1906) 9 (september), p. 410-416 en de rubrieken ‘Letterkunde’ en ‘Roman-literatuur’, p. 437-444.
prepostterug  begin  verder