Waarde Heer van Dishoeck.
Er is een lastig geval. Stel U voor dat een deel van de kopij voor ‘Vlaanderen’, Septemberafl., moet verloren gegaan zijn. Op 26e Aug. stuurde ik aan Thieme als vulsel voor de 2 laatste bldz. van de afl. den noodigen tekst, om 't blad te vullen.1 Nu heb ik daar nog geen proef van ontvangen. Vermoedelijk is mijn tekst verloren gegaan. Ik wachtte in Brussel op die proef om het ‘bon à tirer’ te geven.2 Wel kreeg ik, zooals ik U toen zei, de proef van 't laatste vel, maar niet van die twee laatste toegevoegde bdz. - Zoodat ik dat nu te hermaken heb!...
Daarom stel ik U voor - al doe ik het met tegenzin - deze maand niet te verschijnen (het is nu toch te laat geworden), en in October een dubbel nummer te geven. Dit heeft nog een voordeel. Ik heb nl. een lang stuk van Stijn Streuvels, ‘de Ommegang’, dat hij ons wil afnemen als het niet in zijn geheel in 't Octobernummer komt, onder voorwendsel dat het boek, waar het stuk in verschijnen moet, vóor November verschijnt. Geven we nu een dubbel Octobernummer, dan kan het stuk van Streuvels, dat zeer schoon is, voor ons bewaard blijven, en in zijn geheel worden opgenomen.3
Het spijt me zeer U dit te moeten schrijven; maar de schuld ligt aan Thieme of aan de post: dat stukje proza (dat over van Hulzen handelde, Cinematograaf II enz.) had me moeite gekost, en - dat het nu verloren is, is mij waarlijk niet aangenaam, behalve dat we dan nog niet verschijnen kunnen.4
Met de hoop op een spoedig antwoordje en vriendelijke groeten,
Uw genegen en d.w.
Karel van de Woestijne