terug  begin  verderprepost
[p. 96]

79 Brussel, eind november 1906

Waarde Heer van Dishoeck,

Ja, gij hebt alle reden om op mij boos te zijn, - maar als ge wist hoe ik hier in Brussel zit, zoudt ge toch niet zoo streng zijn.1 Vooreerst ben ik nog niet geheel geïnstalleerd; in mijn werkkamerken ligt het alles onder te boven; mijn boeken nog niet uitgepakt, mijn papieren niet in orde: ik zit hier zóo op den vreemde, en heb daarbij als correspondent van de N.R.C. zúlke beslommeringen (zorgen voor vrijen doorgang, voor een plaats in de schouwburgen, voor politieke inlichting enz.), dat mijn debuut als Brusselaar me van Laethem vooralsnog niet getroost heeft. Nu weêr zit ik U op een hoek der keukentafel te schrijven, en... aldus is het dat ik correspondenties aan de courant heb gestuurd. Plezierig is het allerminst, te meer a[ls] men daarbij gekweld is door financiëele zorgen. Dat is demoraliseerend in den hoogsten graad, en stemt niet tot rustigen letterarbeid...

Maar dit alles legt u nog maar gedeeltelijk uit, waarom ‘Janus’ achterblijft; het kan u dus koel laten. 't Volgende echter niet.

Ik heb namelijk bezwaren tegen mijn eigen boek. Ik weet wel dat het een ‘succes’ kan worden, dat ik goede recensies hebben zal, enz. Maar mij - en dat is het, dat me aarzelen doet - laat het onbevredigd. Mijn ‘Verzen’ zijn goed onthaald geweest. Ge hebt allicht gelezen wat ook onlangs Messet erover schreef in de Mercure de France.2 De bijval was zóo groot, dat men mij de redactie aanbood - die ik natuurlijk afsloeg - van een tijdschrift alleen aan poëzie gewijd.3 - Dat heeft me alles gelukkig gemaakt... en vrees gegeven voor later werk. Ik heb verplichting tegenover me-zelf, en mag niet dulden dat een minder-[go]ed werk op de ‘Verzen’ zou volgen, - minder-goed [a]lthans in mijn oordeel... Om 't boek in te houden is het natuurlijk te laat. Iets kan ik dus nog alleen doen: wat nog niet is gedrukt om te werken totdat het me goed genoeg voorkomt, om gedrukt te worden. 't Is hetgeen ik thans doe, in de benarde omstandigheden die 'k doormaak, - in mijn arbeid vertraagd door die omstandigheden...

Schrik echter niet dat ik nu al te lang nog met het overige uitblijf. Ik zie te goed in dat ik u scha kan berokkenen, en doe dus mijn best. Stel me een datum, de laatste, en ik zal mijn best doen, niet-tegenstaande de moeilijkheid. Maar verdenk me intusschen niet van kwaden wil...

Wat nog overblijft zal circa een 75 bdz. innemen, misschien even meer.

[p. 97]

Nu over ‘Vlaanderen’. Ik wilde u vragen hoeveel bdz. het laatste December-nummer mag beslaan. Naar onze - Vermeylen's en mijne - berekening zou het zijn: 44 bdz. We hadden inderdaad 3/4 vel teveel gegeven. Een half vel is in November ingehaald. Dus moesten we nog een kwart-vel, 4 bdz. dus, inhalen. Maar zou het u iets geven dat die 4 bdz. erbij kwamen, en dat we dus 48 bdz. gaven? Stof is er wel genoeg, en ik zou blij zijn den jaargang op een goed nummer te sluiten. Laat me weten of ge iets tegen die vier bladzijdetjes hebt.4

Nog iets: ik wilde u een verzoek doen. Die verhuis heeft me dubbel gekost dan ik dacht. Nu krijg ik van u nog 6,50 frank correspondentiekosten voor November, en zal ik aan 't Decembernummer ruim bijdragen. Zou ik U mogen vragen mij op dit alles een 50 Frank voor te schieten? Wij zouden bij 't verschijnen van het Decembernummer afrekenen; wat ik te veel heb ontvangen zoudt ge me van verder honorarium afhouden; kreeg ik te weinig, dan zoudt ge me 't ontbrekende bij gelegenheid wel opsturen... Ik vraag u dit, eerst omdat ik het waarlijk broodnoodig heb, en, ten tweede, ik vraag het aan u, omdat ik Uwe bereidwilligheid ken, en gij weet in welke omstandigheden ik verkeer. Dat ik van U discretie over die omstandigheden verzoek, daar dring ik, u kennend, niet op aan... Mag ik weêr op Uw goedheid rekenen, en 't geld spoedig ontvangen? Gij zoudt me voor enkele dagen uit een moeilijken toestand redden...

Hierbij een briefje, dat ik voor enkele dagen ontving. Het is van H. Coopman Thz., Daillystraat, Brussel. Het loopt over de bijdrage ‘Juliaan Dillens’. De inhoud gaat me natuurlijk niet aan. Neem me niet kwalijk dat ik het u deshalve over-maak.5

Ik wilde U nog 't volgende vragen. Men heeft nogal geestig gevonden dat op den omslag als mijn adres staat: Elsene (Ixelles) Brussel. Dat Ixelles had ik er voor U bijgevoegd, om U, die Brussel kent, nagenoeg te wijzen waar ik ergens verblijf. Op 't adres voor ‘Vlaanderen’ mag die Fransche naam echter wel weg. Gij wilt hem wel door Thieme laten schrappen, nietwaar?6 - Thieme, niettegenstaande verwittiging, stuurt nog steeds alles naar Laethem; waardoor merkelijke vertraging voor de drukproeven. Wilt ge hem daar even attent op maken?

Onlangs - en ik herinner me niet, het beantwoord te hebben - vroegt ge me of het geraadzaam was, Edmond van Offel uit te geven.7 Rechtuit gesproken, ik loop met van Offel niet hoog op. Zelfs als schilder kan ik hem moeilijk eene personaliteit toekennen; als letterkundige, waarvan het werk me dan nog zeer gemengd voorkomt, natuurlijk nog minder. En ik meen wel dat ik met mijn oordeel niet alleen sta hier

[p. 98]

in Vlaanderen. Maar daarentegen staat, dat Edm. van Offel in Holland goed ontvangen wordt. Van Deyssel, b.v., schijnt hem hoog te stellen.8 Van Uw standpunt uit ware er dus misschien met van Offel een zaak te doen. En 't succes in Holland zou misschien in Vlaanderen dan ook een succes wekken... Maar mijn meening blijft, dat al wat ge tot hiertoe van Vlamingen - me-zelf er buiten gehouden - hebt gepubliceerd, boven van Offel's werk stond.

Ik geloof niet dat ik U nog iets te melden heb, - tenzij ik gaarne ter recensie Kloos' Bilderdijk ontving. Kunt ge daar voor zorgen?9 In December bespreek ik van Buggenhaut's ‘Wondernacht’, met welken uitgave ik U hartelijk geluk wensch: dat is een goede daad.10

Nu blijft me alleen nog over, u van harte bij voorbaat te danken, en, na vriendschappelijke groeten, te teekenen

Uw dw. dr.

Karel van de Woestijne

1Van Dishoeck was ontstemd over het lange uitblijven van de proeven van Janus met het dubbele voor-hoofd.
2H. Messet, ‘Lettres Néerlandais’, in Mercure de France 1 november 1906, p. 140-146; over Verzen schreef Messet op pagina 144-146. Zijn oordeel was zeer positief.
3Het is niet bekend wie Van de Woestijne dit aanbod deed of om welk tijdschrift het ging.
4Van Dishoeck had kennelijk geen bezwaar tegen te veel bladzijden: het decembernummer besloeg 3 vel.
5H. Coopmans Thz., ‘Juliaan Dillens’, in Vlaanderen 4 (1906) 10 (oktober), p. 466-475. Het briefje van Coopmans (Van de Woestijne schreef abusievelijk ‘Coopman’) is niet bewaard gebleven.
6‘Ixelles’ werd geschrapt.
7De schrijver en schilder Edmond van Offel (1871-1959) publiceerde slechts een keer in Vlaanderen, n.l. het gedicht ‘Lente’, in Vlaanderen 1 (1903) 1 (januari), p. 17-18.
8Van Deijssel noemde in zijn artikel ‘In Vlaanderen Vlaamsch’ (vgl. brief 49, noot 4) het werk van Van Offel ‘veelsoortig en uitmuntend’.
9De in september 1906 bij de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur te Amsterdam door Willem Kloos bezorgde Bloemlezing uit het werk van Willem Bilderdijk. De bundel is niet besproken in Vlaanderen.
10Van de Woestijne publiceerde een positieve kritiek over de boekuitgave van De wondernacht, die in november 1906 bij Van Dishoeck was verschenen, in de rubriek ‘Roman-literatuur’, in Vlaanderen 4 (1906) 12 (december), p. 574-576. (Vgl. ook Van de Woestijnes opmerking over De wondernacht in brief 73.)
prepostterug  begin  verder