terug  begin  verderprepost

84 Brussel, 11 februari 1907

11 Februari 1907.

 

Waarde Heer van Dishoeck.

Ziehier wat ik mij, in persoonlijken naam, niet in naam der redactie van ‘Vlaanderen’, verplicht gevoel U te schrijven.

De heer Aug. Vermeylen heeft bij U zijn ontslag gegeven als redactielid van ‘Vlaanderen’. Wat hij als reden mag opgegeven hebben is mij onbekend.1

De heer Vermeylen deelde ook aan mij, met de bedoeling dat ik het aan de overige redacteuren bekend zou maken, zijn besluit mede, uit onzen kring te treden; de redenen die hij opgaf zijn de volgende:

1o ‘Vlaanderen’ verschijnt niet op gestelden datum;

2o er zijn vele ‘bewijzen van laksheid in het beheer’;

3o ‘Vlaanderen’, zooals het nu is, is allerminst geschikt om op het Vlaamsche publiek in te werken;

4o ‘nog meer dat (hij) nu niet wensch(t) te zeggen’.

Ik heb met Teirlinck - de eenige redacteur met denwelken ik onmiddelijk in aanraking kon komen - den brief des heeren Vermeylen herhaalde malen herlezen. Wij kwamen tot het besluit: 1o dat de heer Vermeylen met heel de redactie de verant-

[p. 103]

woordelijkheid droeg van het te-laat-verschijnen, vermits dit deels te wijten was aan 't voorkomend gebrek-aan-goede-kopij.2 (Teirlinck-zelf was voor de Januari-aflevering gedwongen in der haast een stuk te schrijven;3 en hoe dikwijls heb ik niet in hetzelfde geval verkeerd!)

2o Wij begrijpen niet wat door ‘het beheer’ bedoeld wordt. Is de bedoeling ‘het secretariaat’? (maar dat is toch hetzelfde niet, en de heer Vermeylen is gewoon te goed zijn woorden te wegen vóor hij spreekt). Of is zijn meening: de administratie, die in uwe handen is?

3o Is ‘Vlaanderen’ voor 't oogenblik niet geschikt om op het Vl. publiek in te werken, ligt dit niet weer aan de redactie, en dus ook aan den heer Vermeylen? Maar deze, die de vorige jaren aan 4, 6 en 7 afleveringen meêwerkte, zond verleden jaar, niet tegenstaande herhaald aandringen, slechts tweemaal in.4 Ik, daarentegen, heb, behalve ‘Leven en Kunst’ dat ik voor het ⅔ gevuld heb, zeven bijdragen gehad. Is het literair peil van het tijdschrift in den laatsten jaargang gedaald? - Wees zoo vriendelijk, waarde heer, eens even de inhoudsopgave van de twee laatste jaargangen te vergelijken?

In no 4 van de redenen des heeren Vermeylen, meenen wij de echte te lezen: de heer Vermeylen wenscht niet bekend te maken, waarom hij ons in den steek laat. Die redenen, die we niet kennen moeten, gaan dus de meerderheid der redactie niet aan, het zijn dus vermoedelijk persoonlijkheden, waar wij niet over oordeelen kunnen. Om die persoonlijkheden wenscht de heer Vermeylen aan de algemeene taak niet meer meê te doen. Ik zal zulke handelwijze niet beoordeelen...5

Van die vierde reeks redenen dus afgezien, alsook van no 2 waar de beteekenis me niet duidelijk van is, blijven twee redenen, die ik in den geest des heeren Vermeylen beschouw als tegen mij gericht. Ik laat aan anderen de zorg over, te beoordeelen in hoeverre ze gewettigd zijn; hoeverre, nl., mijne verantwoordelijkheid en die der overige redacteuren ging. Gij-zelf weet met welken ijver ik verleden jaar begonnen ben, en... hoe ik bij U van aanvang af te klagen had over de wijze waarop de redactie mij alleen liet staan. Ik heb nochtans volgehouden, niettegenstaande veel persoonlijken tegenspoed, niettegenstaande rechtstreeksche tegenkanting, nog onlangs ondervonden.6 Dat ik in zulke omstandigheden soms faalde, ik verduik het niet. Daarom wil ik mij ook niet verdedigen. Maar ik vraag U, me rechtuit te zeggen: Gelooft gij, de uitgever, dat het, zooals de heer Vermeylen insinuëert, mijne schuld is dat ‘Vlaanderen’, altijd volgens den heer Vermeylen, vervalt en ten gronde gaat?

[p. 104]

Zoo ja, dan geef ik gaarne, tot beteren bloei van ‘Vlaanderen’, mijn ontslag als secretaris en als redacteur. Vermits ik voor het tijdschrift schadelijk ben, dan vraag ik niet beter dan mij te verwijderen, zelfs met de belofte niets te doen, dat ‘Vlaanderen’ in den weg kon staan.

Ik zal dezelfde vraag stellen aan mijne mederedacteuren op de algemeene vergadering van Zaterdag aanstaande. Intusschen ware 't mij aangenaam, uw oordeel te bezitten.

De heer Vermeylen schijnt niet bereid te zijn, op zijn besluit terug te komen. Op onze uitnoodiging met ons eergisteren te vergaderen, weigerde hij beslist.7 Misschien brengt mijn verwijdering uit de redactie hem tot betere gevoelens. Daarom zal het maar goed zijn, dat ook gij zoudt vrede hebben met mijn aftreden. Want ik zou niet wenschen dat ‘Vlaanderen’, 'tzij verdween door mijne schuld, 'tzij leed onder het ontslag des heeren Vermeylen, hetgeen eene afkeuring zou zijn van zijn eigen werk.

Daarom, ik herhaal het, verdwijn ik maar liever. Ik heb overigens rust noodig, - de noodige rust om aan eigen werk te denken en te arbeiden...

Ik ben U nog uitleggingen verschuldigd aangaande de mij toevertrouwde kwitancies.8 Gij weet wat ik daarvan ontvangen heb: niet genoeg om heel 't Januarinummer te honoreeren. 't Overige heb ik weer op de post gedaan, vertrouwend dat ge naar mijne opgave aan die menschen zult geschreven hebben. Mijne vrouw is teruggekeerd van bij Van der Linden en bij Tijtgat. De eerste houdt vol, die vier abonnementen niet schuldig te zijn. Volgens inlichtingen, bij Teirlinck genomen, zou dit waar zijn: die abonnementen zouden aan Krijn zijn overgedragen.9 Maar bleef v.d. Linden geregeld het tijdschrift ontvangen? Wil dit s.v.pl. eens nazien. Zoo ja, en stuurde hij het niet terug, dan moet hij natuurlijk betalen... Tijtgat zei, dat hij U uitstel gevraagd had. Is dat waar? Mijne vrouw zal er einde der maand terugkeeren.

Voor Fris is gezorgd.10

Is al het geld binnengekomen, dan verrekenen wij samen. Iets moet ik u nog zeggen: ik betwijfel zeer, of Vuylsteke te Gent betalen zal. Ik hoor dat hij in zeer slechte zaken zit voor 't oogenblik.

Nog een woord over de Februariaflevering. De tekst ervan lag klaar toen Vermeylen's brief kwam (Gij kent de reden, waarom hij zoo laat kwam).11 Nu bestaat de tekst voor 't grootste deel uit een opstel van mij over Vermeylen en Teirlinck. Nu wil ik geenszins dat in hangend geval mijn opstel verschijnt. Ik heb daar goede redenen voor.12 - Nu stel ik U voor, deze maand, gezien de omstandigheden, niet te verschij-

[p. 105]

nen, en de volgende maand een dubbel nummer te geven. Ik weet dat de Bom een goed opstel heeft. Intusschen is er nog anderen tekst binnengekomen.

Vindt U 't goed aldus?...13

Laat toe, dat ik nu ophou. Deze brief, als 't minste wat ik doe, kost me tegenwoordig bovenmenschelijke inspanning. Ik gevoel me zeer afgemat, zeer zenuwziek...

Met de hoop op een spoedig antwoord en de uitdrukking van mijn spijt, dat ik ten tweede male gedwongen ben U wegens ‘Vlaanderen’ onaangenaam te zijn,14

met vriendelijke groeten,

Uw d.w. dr.

Karel van de Woestijne

 

Deze brief heeft, ik herhaal het, een strikt-persoonlijk karakter. Ik zal U slechts dán met stelligheid over de zaak-Vermeylen kunnen spreken, als de redacteuren zullen vergaderd hebben.15

1Aug. Vermeylen zette in drie brieven aan Van Dishoeck (respectievelijk gedateerd 2, 6 en 10 februari 1907) de redenen van zijn terugtreden uit de redactie van Vlaanderen uiteen. (Zie De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen. Brieven en documenten (ed. G.H. 's-Gravesande), Brussel [enz.] [1962], p. 103-106.)
2Vermeylen schreef aan Van Dishoeck dat hij steeds had aangedrongen op een tijdige samenstelling van de afleveringen van Vlaanderen; door de volgens hem ook steeds te laat gehouden redactievergaderingen had de redactie meerdere malen onder tijdsdruk genoegen moeten nemen met kopij die te wensen overliet. Volgens Vermeylen waren er kwalitatief minderwaardige bijdragen in Vlaanderen opgenomen die door de leden der redactie bij gebrek aan tijd niet meer gelezen en beoordeeld konden worden. Als voorbeeld noemde hij de bijdrage van Toussaint van Boelaere over Buysses 't Bolleken in Vlaanderen 5 (1907) 1 (januari), p. 36-37. Ook zouden sommige redactieleden de hun ter beoordeling toegezonden kopij niet lezen. (Zie De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen, p. 103-104.)
3Herman Teirlinck, ‘Johan Doxa, Gothieker’, in Vlaanderen 5 (1907) 1 (januari), p. 1-22, waarover Vermeylen op 6 februari aan Van Dishoeck schreef: ‘En ik vind het niet noodzakelijk, dat we onze krachten inspannen, om het Vlaamsche publiek zulke onreëele literatuur te doen inslikken als “Johan Doxa, Gothieker”.’ (Zie De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen, p. 104.)
4T.w. ‘Vlaamsch voor 't Assizenhof van Brabant’, in Vlaanderen 4 (1906) 6 (juni), p. 253-257) en ‘De bisschoppen en de Vlaamsche zaak’, in Vlaanderen 4 (1906) 11 (november), p. 493-502. Tevens had Vermeylen in januari, maart, augustus en december een bijdrage geleverd aan de rubriek ‘Leven en Kunst’.
5Vermeylen schreef op 6 februari aan Van Dishoeck: ‘voor de literaire leiding zorgen Van de Woestijne, Teirlinck en ik. Welnu, met hen voel ik me niet in mijn milieu, tusschen hen beiden voel ik me niet thuis.’ Zijn bezwaar gold voornamelijk Herman Teirlinck: ‘ik heb geen vertrouwen in Teirlinck, als persoon, als karakter.’ (Zie De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen, p. 105.)
6Het is niet duidelijk wat Van de Woestijne bedoelt; wellicht de weigering van Streuvels om nog kopij in te zenden, nadat Van de Woestijne van Streuvels' bijdrage ‘De ommegang’ slechts een fragment in Vlaanderen had opgenomen (onder de titel ‘De ommegang komt’). Van Dishoeck schreef op 12 februari 1907 aan Streuvels: ‘Toe geef u uw werk weêr aan Vlaanderen. Er is copienood, vdWoestijne is laksch, 'k betreur zeer zijn doen met uw werk in Octobernummer, waarvan Vermeylen mij vertelt omdat ik, hem schrijvende, zei dat er van u in twee tijdschriften werk staat, en Vlaanderen niet verschijnt. Toe blijft u bij ons en help ons, ik bid u er om. Verdeeldheid, is er teveel helaas en gijlieden zijt ook zoo sensibel ('t spreekt vanzelf), zoo gauw op de teenen getrapt. Er zit nu al tien duizenden franken verlies in Vlaanderen en 'k heb nog hoop en vertrouwen dat we er eenmaal zullen komen, ofschoon de abonnés schrikkelijk verminderden, maar als er verdeeldheid is en geen krachtige leiding dan durf ik niet meer, dan is 't verloren. Dat stuk van Vermeersch over Spiritisme was verkeerd, van Toussaint die recensie over Bolleken was slecht en zooveel meer was er niet goed, ook Teirlinck's stuk voor een eerste nummer, voor Vlaanderen tenminste zeker, geen propagandanummerinhoud, en zoo meer. Vandaar de menschen gaan loopen. En v.d.W. schrijft mij dat hij ziek is en overspannen en Vermeylen wil eruit. Moge er verandering komen. Toe help als u kunt. U toch mogen we niet missen. [...] Vergeef mij, waarde heer Lateur, mijn bemoeiallerig schrijven. Ik mocht dit toch wel doen, niet waar?’ (Letterkundig Museum, Den Haag.)
7Op 10 februari schreef Vermeylen aan Van Dishoeck dat hij ‘een kaartje’ van Van de Woestijne had ontvangen met de volgende woorden: ‘Een paar redaktieleden van “Vl.” hebben het noodig gevonden dat we samen zoo spoedig mogelijk zouden vergaderen om over uw ontslag te spreken’, waarop hij aan Van de Woestijne had geantwoord dat de andere redactieleden zijn ontslag maar eerst onder elkaar moesten bespreken. ‘Uit den toon van v.d.W - met wien ik overigens altijd op goeden voet stond -’, zo schreef hij aan Van Dishoeck, ‘blijkt voldoende dat hij me in de redaktie niet noodig acht.’ (Zie De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen, p. 106-107.)
8De kwitanties betroffen de abonnementsgelden voor Vlaanderen.
9Een aantal boekhandelaren (zoals Leo J. Krijn en Van der Linden) verzorgde een deel van de abonnementen op Vlaanderen.
10Bedoeld is Fris' betaling van zijn abonnementsgeld of de betaling áán Fris van het honorarium voor diens bijdrage ‘Kerels en blauwvoeten’ in Vlaanderen 4 (1906) 10 (oktober), p. 478-484.
11Waarschijnlijk had Van de Woestijnes ziekte voor vertraging gezorgd; ook de door hem genoemde ‘tegenkanting’ kan de vertraging hebben veroorzaakt.
12Een opstel over Vermeylen en Teirlinck is noch in Vlaanderen noch elders verschenen.
13Het februarinummer verscheen toch. Het opstel van De Bom werd in maart gepubliceerd (‘Victor dela Montagne’, in Vlaanderen 5 (1907) 3, p. 108-115).
14In april 1906 was Vlaanderen veel te laat verschenen en in september 1906 had Van de Woestijne aan Van Dishoeck voorgesteld die maand niet te verschijnen. (Zie brief 65 en brief 75).
15Vermeylen berichtte na de redactievergadering op 16 februari aan Van Dishoeck, dat vooral op aandringen van Streuvels overeen was gekomen dat hij verder als enige verantwoordelijke redacteur van Vlaanderen zou optreden. De andere redactieleden (mèt Van de Woestijne en Teirlinck) zouden een redactieraad vormen. Van Dishoeck stemde in met deze oplossing, en al vanaf het - verlate - februarinummer verscheen het tijdschrift onder leiding van Vermeylen. In het maartnummer werd de gewijzigde situatie in Vlaanderen als volgt bekendgemaakt: ‘Ter wille van de eenheid van leiding en om practische regeling van het werk te bevorderen, hebben de redactieleden van “Vlaanderen” het bestuur van het tijdschrift opgedragen aan August Vermeylen.’ (Zie De geschiedenis van het tijdschrift Vlaanderen, p. 110-113.)
prepostterug  begin  verder