terug  begin  verderprepost

88 Bosvoorde, november 1907

Waarde Heer van Dishoeck,

Het lezen van uw brief is mij een waar geluk. Dank voor Uwe deelneming en uwe wenschen. Zij helpen veel dragen, veel verduren, en geven nieuwen moed.1

Om tot de zaak te komen: ‘Don Juan’ zou in het boek een drietal, en ‘Christophorus’ een vier- à vijftal vellen beslaan, naar mijne schatting. In mijn plan moest ‘Christophorus’ het boek besluiten: het is een stuk van hoop en betrouwen, van liefde voor mijn land en voor God. Ik wilde dat die de eind-indruk van mijn boek was... ‘Don Juan’ is daarentegen pessimistisch: een tegenhanger, in het tragische, van ‘Blauw-baard’. - Daar het dus op kiezen aan komt: ‘Don Juan’ maar laten liggen, en ‘Christophorus’ plaatsen. Misschien schrijf ik dan nog een klein na-bericht (een paar bladzijden), om het boek te besluiten...2

Er is echter een ander bezwaar. Van Nouhuys liet me weten dat ‘Christophorus’

[p. 110]

in December niet kon verschijnen. Daar ik Uwe plannen niet kende heb ik niet aangedrongen. Daar kan echter nog wel in verholpen worden, denk ik. Indien U eens aan v. Nouhuys schreeft, hem zeggen dat ik uwe plannen niet kende, dat ik dus maar goed vond, later te verschijnen; maar vermits gij nu wenscht in December uit te komen, dat het toch wenschelijk zou zijn dat het stuk óok in de December-aflevering kwam... - Hij zal u dat niet weigeren, hoop ik: het zal nog wel tijd zijn den inhoud der aflevering te wijzigen. Wil dan ook bij hem aandringen dat ik zoo spoedig mogelijk druk-proef krijg, en vraag dan ook een afdruk der proef voor U, waar men reeds op zetten kan...3

Ik heb de vier vel van ‘Janus’ gevonden en herlezen, en aan van Nifterik nagestuurd.4 Dat is dus ook in orde. Gaat alles nu goed met ‘Christophorus’, dan is de zaak gauw uit de voeten. Mocht ze voor u een groot sukses zijn!

Ik ben heel blij, dat ge me verder uitgeven wilt. Ik hoop heel, heel veel van dien nieuwen bundel verzen.5 Maar gij krijgt hem maar als 't geheele handschrift klaar is: dat bespaart ons zeker al den last dien we met ‘Janus’ hadden...

Zoodat ‘Vlaanderen’ dan verdwijnt? In alle rechtzinnigheid, het spijt me. Ik heb daar toch ook anderhalf jaar mijn best voor gedaan, en ik geloof niet dat ik me om dat anderhalf jaar, voor 'tgeen den afgelegden arbeid en de degelijkheid van den inhoud aangaat, te schamen heb. Vermeylen, die een geboren criticus is, heeft gemakkelijk klagen gehad: ik stel vast dat hij het niet zoolang als Teirlinck en ik heeft uitgehouden... En nu gaat het me spijten, dat ik in Februari ziek moest worden, en het opgeven moest; ik had zeker den moed niet verloren... - Maar vermits de zaak nu zoover staat, moeten wij er ons maar bij neêrleggen. ‘Vlaanderen’ is misschien later wel door iets anders te vervangen, dat niet iedere maand op vasten datum verschijnen moet. Want dat was de moeilijkheid voor de redactie: op datum verschijnen. De literaire productie, de goede wel te verstaan, is in ons land daartoe te gering nog. Hoogstens een driemaandelijksch tijdschrift kon waarlijk-degelijk werk leveren, een tijdschrift waar alleen de allerbesten aan medewerken zouden met hun allerbeste werk. En blijkt dat onmogelijk: dan maar geen tijdschrift meer...

't Ongeluk is, dat er bij den val van ‘Vlaanderen’ zooveel gaat gejuicht worden, en dat we een leger van nieuwe tijdschriften uit den grond gaan zien rijzen.6 Want wij mogen het wel zonder valsche nederigheid zeggen: wij waren eene ontzag-wekkende macht. Die vijf jaargangen staan daar als een monument. Jammer, dat het niet duren mag...

[p. 111]


illustratie
Brief van Van de Woestijne aan Van Dishoeck, december 1909 (brief 110). (Collectie Letterkundig Museum, Den Haag.)

[p. 112]

Iets wat wij, redacteuren (in den laatsten tijd waren wij het maar heel weinig meer), niet vergeten zullen is, welken goeden uitgever wij aan u gehad hebben. Ik zal hier niet verder op ingaan; maar, als onze erkentelijkheid eenigszins opwegen kan tegen het geldverlies, dan mag ik U met volle overtuiging verklaren, dat ieder van ons u die zóo-verdiende erkentelijkheid toedraagt...7

Hier wil ik maar sluiten, met de hoop dat alles bij 't eindigen van ‘Janus’ goed verloopt.

Ik dank U nogmaals van harte voor uwe goede woorden, en blijf, in afwachting van nieuws,

Uw steeds genegen

Karel van de Woestijne

1Deze opmerkingen lijken ons niet sarcastisch bedoeld. Kennelijk was Van de Woestijne ná de vorige brief er in geslaagd het vertrouwen van Van Dishoeck terug te winnen. Om welke deelneming en wensen van Van Dishoeck het ging, is ons niet bekend.
2Janus met het dubbele voor-hoofd besloot met een ‘Na-woord, ter verklaring’, gedateerd 6 februari 1908: ‘De goede vriend van den Schrijver: Wat hebt ge daar een geestig boek gemaakt, en mooi. De Schrijver: Wat heb ik daar een treurig boek gemaakt, en slecht. Janus: Ze zeggen dat ik twee aangezichten heb. Weet ik? Ik kan toch op mijn rug niet zien!...’
3‘Christophorus’, opgedragen ‘Aan mijn broeder Gustaaf’, verscheen in Groot Nederland 6 (1908) 2 (februari), p. 129-145 en 3 (maart), p. 329-363.
4L. van Nifterik Hz. was een drukker te Leiden, die voor Van Dishoeck drukwerk verzorgde.
5De bundel De gulden schaduw.
6Het decembernummer van Vlaanderen 1907 zou het laatste nummer zijn. Er verscheen niet direct een ‘leger’ van nieuwe tijdschriften; wel werd opgericht Iris. Vrij, Algemeen Nederlandsch Maandschrift voor Literatuur, Kunst, Sociologie en Wijsbegeerte, dat in februari 1908 eenmalig verscheen bij R. Ed. Verkerke te Brugge; ook verscheen het nieuwe tijdschrift Nieuwe Arbeid.
7Van Dishoeck sprak in februari 1907 in een brief aan Stijn Streuvels al van ‘tien duizenden franken verlies’. (Zie brief 84, noot 6.)
prepostterug  begin  verder