terug  begin  verderprepost
[p. 120]

95 Bosvoorde, april/mei 1908

Waarde Heer van Dishoeck.

Wist ge wat ik thans heb aangegaan, gij zoudt me mijn lang stilzwijgen niet kwalijk nemen. Sedert een kleine maand n.l. ben ik vertaler der kamer van Volksvertegenwoordigers. Ik werk daar van 's middags éen tot 's avonds tien uur, en soms nog later; ik kom afgebeuld thuis, en ben nog niet uitgerust of moet weer al weg. En 't brengt bijna niets op, daarenboven!... Ik klaag echter niet: binnen enkele jaren kan het een mooie toekomst openen, en, al lijd ik er zelf onder, en ook mijn literair werk, het is maar goed een ambtenaar te worden, als het een beetje welstand voor je huisgenoten mee kan brengen.

Gij zult me dus wel verontschuldigen, dat ik niet schreef...

De boeken heb ik ontvangen.1 Wees er hartelijk om bedankt. Ik vind ze heel mooi: weer een nieuw sukses voor den uitgever v.D.

Ik wensch vurig dat het ook geldelijk een sukses worde... Voor 't Ministerie zorg ik. Aan Baekelmans heb ik niet gestuurd. Zoo bevriend ben ik met hem niet. Wil ik het echter doen, dan: gaarne. Te meer dat langs dien kant een goede recensie te verwachten is...2 Jammer dat u naar Mej. Belpaire gestuurd hebt. Dáar wordt het eene systhematische afbrekerij.3 Dat kan me nu wel niet schelen, maar 't is misschien slecht voor mijn plaats in de Kamer...

Voor de kaarten zorg ik deze week nog. Of liever: Toussaint zal er voor zorgen, op mijne aanduidingen. Die jongen doet dat graag, en zeer accuraat...4 En dan schrijf ik U tevens aangaande de prachtuitgave.5 Ziedaar voor de ‘zaken’.

Intusschen vordert ‘De gulden Schaduw’ goed. Ik zond vóor een veertien dagen nog een twintigtal nieuwe bladzijden ervan aan Van Nouhuys. En anderen komen binnen kort klaar.6 Ook in ‘Europa’ zijn er deze maand.7

Op negen Mei krijg ik een maand vacantie. Ik ben er wat blij om! Ik zal alles kunnen beredderen en klaar maken gedurende die maand. En daarna komt er voor mij een groote vreugde: ik zal aan mijn treurspel kunnen beginnen...8

Maar genoeg gebabbel. Te meer dat ik over een kwartier weêr op dwangarbeid moet. Ge hebt er geen idee van hoe lastig dat overijld vertaalwerk is, tot soms een stuk in den nacht!...

Na herhaalden dank en vriendelijke groeten

Van harte, uw

Karel van de Woestijne

[p. 121]


illustratie
Portret van Van de Woestijne door Gustave van de Woestijne, 1910. (Foto Archief en Museum voor het Vlaams Cultuurleven, Antwerpen.)

1De auteursexemplaren van Janus met het dubbele voor-hoofd en in de voorafgaande brief gevraagde andere boeken.
2Een bespreking van Janus met het dubbele voor-hoofd door Lode Baekelmans (1879-1965) is niet achterhaald.
3M.-E. Belpaire (1853-1948) was hoofdredacteur van Dietsche Warande & Belfort. In het tijdschrift was het werk van Van de Woestijne regelmatig negatief besproken, o.a. in mei 1905 zijn bijdrage aan Vlaanderen ‘De geschiedenis van het gedicht’, in december 1905 de bundel Verzen en in september 1905 Van de Woestijnes gedicht ‘De dubbele nachtegaal’.
Over Janus met het dubbele voor-hoofd verscheen een gematigd positieve recensie van J. Persyn, ‘Over letterkunde’, in Dietsche Warande & Belfort 9 (1909) 1 (januari), p. 46-50.
4De verspreiding van de intekenkaarten voor Janus.
5Van de Woestijne schonk op 10 juni 1908 een in half-marokijn gebonden en van gouden rugversiering en vergulde kopsnede voorzien luxe-exemplaar van Janus met het dubbele voor-hoofd aan F.V. Toussaint van Boelaere, waarin als frontispice een reproductie is opgenomen van een zelfportret van Van de Woestijne uit 1908.
6In Groot Nederland werd ‘Verzen bij den aanvang der lente I-II’ en ‘III-IV’, resp. in 6 (1908), 11 (november), p. 684-697 en 7 (1909) 4 (april), p. 451-463 gepubliceerd.
7In Europa 71 (1908) 5 (mei), p. 97-99 werd ‘Verzen van den aanvang der lente’ opgenomen.
8Waarschijnlijk het nooit voltooide drama Dejaneira.
prepostterug  begin  verder