terug  begin  verderprepost

96 Bosvoorde, eind augustus 1908

Waarde Heer van Dishoeck,

Uwe harde woorden verdien ik niet, hoe 'k de schijn tegen mij hebbe; slechts aan een licht verzuim ben ik plichtig. Ik ben ruim eene maand afwezig geweest, zeer ziek aan zee; dat ik al dien tijd zweeg in de Courant zal U wel een teeken geweest zijn dat er iets haperde.1 't Eenige verwijt dat ik verdien is: we zijn hier vertrokken zonder de post te verwittigen, zoodat niets nagezonden werd. Ik was werkelijk te down toen ik vertrok, ben ook te overijld weggegaan om daar aan te denken. Zoodat ik eerst gisteren, bij mijne thuiskomst, - gelukkig wat opgeknapt na de hooikoorts en de acute neurasthenie, - uwe twee postkaarten en uw brief van 17en dezer heb gevonden... Die brief is wel heel hard voor mij. Maar gij kondt natuurlijk aan slechten wil

[p. 122]

toeschrijven wat heelemaal buiten mijn schuld gebeurde. Hadt ge echter even bij een vriend van hier, b.v. Toussaint, of bij de Meester geïnformeerd, dan hadt ge geweten dat ik niet te Boschvoorde, maar te Uytkerke aan zee was... - Dit is nu echter alles voorbij, en ik hoop dat bij 't volgende uwe woede bedaren zal.

Ik heb me gehaast, bijeen te zoeken wat destijds over mijne verzen geschreven werd. Ik vind echter niet alles, zelfs niet het beste, terug. Wat achterblijft volstaat echter. - Ziehier nu het plan dat ik heb, morgen met Toussaint bespreek, en U onmiddelijk na bespreking onderwerp. We zouden een prospectus drukken van vier bladzijden, op papier en formaat van ‘Den Gulden Schaduw’. Eerste bldz.: aankondiging, als verschijnend in 't najaar, van ‘D.G.Sch.’ Tweede blz.: aankondiging als ‘pas verschenen’ van ‘Janus’ en als ‘vroeger verschenen’ van de eerste ‘Verzen’, waarop volgen eenige boekbeoordeelingen over deze, als algemeene aanbeveling. Derde bdz.:Inschrijvingsbulletijn. Vierde bdz. voor Uw adres. - We zouden dat typographisch verzorgen, dat het eenig uitzicht heeft en niet onmiddelijk de scheurmand ingaat. Is dat goed?... Ik herhaal: morgen reeds ontvangt ge dat.2

Nu: De Gulden Schaduw. Het boek is, op enkele bladzijden na (die de verschillende deelen moeten verbinden) geheel klaar. Het zal op zijn minst 15 vel druks beslaan. Ik ben er zeer tevreden over. Groote deelen ervan moeten in September en October verschijnen in Nieuwen Gids, Groot-Nederland, Elseviers, Beweging, Gids (misschien) en XXe Eeuw.3 Het verschijnen zal dus goed voorbereid zijn. - Om aan Uw verlangen te voldoen heb ik nog alleen over te schrijven. Ik beloof U echter vast, U tegen einde der week het eerste deel, nl. ‘De Rei der Maanden’ (met den titel twee vel druks) toe te sturen. De daarop volgende week komt dan ‘Het Huis van den Dichter’, d.i. het 2e deel. En zoo voort. Zoodat men ongestoord aan het drukken kan gaan. Ik herhaal: het is een kwestie van overschrijven, meer niet.

Wat doen we echter met papier, letter, formaat, omslagteekening e.z.v.? Heeft U daar reeds eene bepaalde voorstelling van? Doen we 't geheel gelijk de eerste ‘Verzen’? Of laat U niet meer bij Thieme drukken? Zouden we 't niet eens op hollandsch papier doen, kwarto-vierkant?... Ik verwacht hier een antwoordje over... - In elk geval, reken op mijne belofte: ik hecht er even zeer als U aan, spoedig te verschijnen, en 't is allerminst mijne bedoeling, u schade te berokkenen.

Ik heb ‘Janus’ voor 't Ministerie ingestuurd maar ontving nog geen nieuws. Ik geloof echter dat het wel gaan zal. Er wordt hier tegenwoordig veel over mij gesproken, zoo ineens. Ik ben er zelf over verwonderd. Met het oog op het Ministerie is dat heel goed...

[p. 123]

Ziedaar al wat ik U heden te zeggen had. Morgen meer dus: kopij van het Prospectus. Wilt U intusschen voor papier, letter en formaat zorgen? Ik voeg hierbij het afschrift van een gedicht, dat in mijne bedoeling juist éene bdz. moet beslaan.4 U kunt het alvast als proef-bdz. laten zetten, als u 't goedvindt.

Ik hoop dat ge niet langer kwaad meer zijt, en stuur U mijne hartelijkste groeten.

Uw d.w. en genegen

Karel van de Woestijne

1Tussen 1 juli en 8 augustus 1908 verschenen van Van de Woestijne geen bijdragen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.
2Een dergelijk prospectus verscheen pas in 1910.
3De eerstvolgende voorpublicaties van gedichten uit De gulden schaduw in de genoemde tijdschriften waren: ‘Adam’, in De Beweging 4 (1908) 10 (oktober), p. 15-34; ‘De maanden van zomer en herfst’, in De Nieuwe Gids 23 (1908) 10 (oktober), p. 993-1000; ‘De kuische Suzanna’, in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 19 (1909) 2 (februari), p. 115-119; 3 (maart), p. 183-186; en 4 (april), p. 250-253 (april); ‘Het gedicht’, in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 19 (1909) 11 (november), p. 330-334; ‘Verzen bij den aanvang der lente’, in Groot Nederland 6 (1908) 11 (november), p. 684-697 en 7 (1909) 4 (april), p. 451-463. In De Gids verschenen geen voorpublicaties van verzen uit de bundel. In De XXe Eeuw zou ‘Het lied van Phaoon’ worden voltooid; dit is niet gebeurd.
4Dit afschrift is niet aangetroffen.
prepostterug  begin  verder