Verzameld werk. Deel 5. Beschouwingen over literatuur


auteur: Karel van de Woestijne


editeur: P.N. van Eyck en P. Minderaa


bron: Karel van de Woestijne, Verzameld werk. Deel 5. Beschouwingen over literatuur (eds. P.N. van Eyck, P. Minderaa e.a.). C.A.J. van Dishoeck, Bussum 1949 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 675]

Vondel als dichter

Het heeft niet heel veel zin, van een dichter te zeggen dat hij ‘weinig sympathiek’ is. Daar gelaten dat zulke sympathie doorgaans subjectief is en eerder naar den mensch gaat dan naar den dichter, hebben wij bij dezen vooral te zien wat hij ‘maakt’; het is zijn gedicht alleen dat voor ons beteekenis moet hebben, en binnen dat gedicht, en buiten den ‘inhoud’ ervan, de schoonheid van het geabstraheerde, het zuivere vers. Er zijn heel wat dichters die ik als mensch vies vind en wier hand ik niet zou drukken, maar die ik met al mijne ontroering dank en bewonder: dat is de aard van mijne sympathie voor hen, de eenige die waarde heeft.

Nochtans moet ik wel zeggen dat Vondel mij tot na zijn vijftigste jaar weinig sympathiek is, ook na bovenstaande verklaring. Heel zeker, was ik op dit oogenblik een Amsterdammer van driehonderd jaar geleden, dan zou ik daar misschien, en zelfs zoo goed als zeker, anders over geoordeeld hebben. En was ik zelfs een Amsterdammer van dezen tegenwoordigen tijd, in mijne Vaderlandsche Geschiedenis goed onderlegd, dan zou ik zeker niet schrijven wat ik hier aan het neerpennen ben. Maar ik ben een Vlaming, wiens Nationale Historie sedert plus-minus 1580 niet meer die des Hollanders is.

[p. 676]

En dat moet mijn eerlijk, zij het discordeerend en wellicht ontstemmend, oordeel wel eenigszins anders doen klinken.

Vondel: hij is, haast tot bij zijn zestigste jaar, een man van het Forum, van de Agora, - van de Markt. Er mag, op godsdienstig of politiek gebied, in zijne goede stede, waar hij tallooze kousen verkoopt, niets gebeuren, of hij is er bij. Als echte burger - in den dubbelen zin die het woord tegenwoordig heeft, - meent hij er zijn woordje te moeten over zeggen. Dat woordje is niet altijd goed overlegd, de woordjes-zegger mist soms zakenkennis; zijne meening is wel eens een beetje te spontaan en te wispelturig. Om het even: het woordje wordt met klem uitgesproken, wordt soms duizend en duizend woordjes, is vaak geestig, wordt soms lomp, en... heeft voor ons, in dit jaar 1929, niet de minste beteekenis meer, zoodat wij, behalve bij grondige studie, zoo goed als heel den Vondel van bij zijn geboorte in 1587 tot bij den Gysbrecht van Aemstel (1637) ter zijde kunnen laten: wij hebben, wij Vlamingen, zoo goed als niets aan hem.

Want wij krijgen zelfs niet de schoone verzen die, zooals hierboven gezeid, alles hadden kunnen redden, de schoone verzen die François de Malherbe hebben gered en die het socialisme van Herman Gorter, en die het communisme van Henriëtte Roland Holst haast vergeten doen. Geen dichter uit die periode van onze literaire historie schijnt meer tijd noodig gehad te hebben om zich uit een meer of minder gerijpte en geëvolueerde rederijkerij geheel los te wringen, dan Joost van den Vondel; geen wiens taal even zwaar is. Men

[p. 677]

heeft het aan zijn Vlaamschen aard toegeschreven: laat ons hier opmerken dat Vondel en Huygens allebei van Brabantsche afstamming zijn, en dat geen van hunne echt-Hollandsche tijdgenooten even Hollandsch kunnen heeten. Tot bij zijn vijftigste jaar staat Vondel als verskunstenaar beneden Cats, die tien jaar ouder was dan hij. Het vers van Cats kan banaal zijn: het vloeit als water over een glazen plaat. Dat van Vondel - ik overdrijf eenigszins om beter begrepen te worden - als stroop over een hobbelige plank. Hoe goed kan ik het begrijpen dat, niettegenstaande te-gemoet-komingen, Pieter Corneliszoon Hooft voor Joost van den Vondel nooit meer dan een minzaamheid heeft getoond, die nogal op afstand hield.

Nochtans mag ik niet zeggen dat deze Vondel van tot bij de jaren 1640 waarlijk antipathiek zou zijn. Hij is immers, met al zijn opzet, in al zijne rijmwoede, oprecht als weinig waren, oprecht als Maerlant, oprecht als Anna Bijns. Hij leeft van intellectueelen hartstocht: dezen begrijpen wij niet meer zonder eenige studie. Vondel mist de algemeen menschelijke, de altijddurende, de eeuwige passie, die ons bindt aan de groote dichters van alle tijden.

Stelt U voor: hij heeft zoo goed als geene liefdegedichten gemaakt. Zijne bruiloft- en uitvaartverzen berusten op vriendschap en compassie, maar eerlijk gezegd, hoeveel komt daarvan tot ons?

Neen, van dien Vondel kan ik maar heel weinig houden.

Maar ziet, daar komt Vergilius, en daarop komt de Bekeering. Vondel - na eene oefening die bij niemand

[p. 678]

zoo lang en zoo overvloedig heeft geduurd - krijgt de openbaring der zuivere kunst-van-dichten en van wat hem zijn zal de zuivere wijze-van-voelen. Kalme beheersching van een vorm die deel heeft in de geestelijke spiritualisatie; spiritualisatie, die hare schoonheid weerkaatsen zal in den eindelijken verstoon. Was Vondel gestorven op zestigjarigen leeftijd, wat zou er van hem gebleven zijn? Een dichters-figuur van alleen historisch belang. Maar er is de Kerk, en er is Vergilius.

Nog zal zijne eeuwige strijdbaarheid hem, den Katholiek, dingen doen schrijven, die, met al hunne liefde en al hunne overredingsdoeleinden, heelemaal niet meer te slikken zijn: er zijn ‘geheimenissen’ die Heinsius schooner bedicht heeft dan hij, Vondel. Maar de episch-aanschouwelijke, lyrisch-decoratieve, visueel-en auditief-overtuigende Vergilius heeft aan Vondel geleerd het vlak, waarop zijne strijdbaarheid, eene kalme maar uitdrukkelijke voorstelling voortaan van een opgeloste twistvraag, zich het edelst zou voordragen: in het Vondelsche treurspel. Niettegenstaande Seneca, niettegenstaande Sophokles en Euripides, blijft Vondel, zonder het te weten, het voorbeeld van Duym en Zevecote getrouw: eene steeds dieper bewogen statiek, eene steeds inniger aandoende plastiek. Voortaan kan men zeggen: ‘het tooneel is in den Hemel’...

Dit zijn zeer vluchtige nota's. Velen ergeren zij misschien. Maar, Vandaag heeft immers mijn persoonlijk oordeel willen hebben?

 

Vandaag, 1 Maart 1929.