Verzameld werk. Deel 7. De leemen torens


auteur: Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck


editeur: P.N. van Eyck en P. Minderaa


bron: Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck, Verzameld werk. Deel 7. De leemen torens (eds. P.N. van Eyck, P. Minderaa e.a.). C.A.J. van Dishoeck, Bussum 1948 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 793]

Aantekeningen*

In de voor dit deel geplaatste Getuigenis van Herman Teirlinck vindt de belangstellende lezer inlichtingen uit de eerste hand over de tijd van conceptie en uitwerking van deze roman en over de bedoelingen van beide schrijvers. De eerste publicatie vond plaats in de Gids en wel in de twaalf afleveringen van de jaargang 1917 en de drie eerste van 1918. De tot nu toe enige boekuitgave, waarvoor V.d.W. het afsluitende hoofdstuk toevoegde, is die van Nijgh en van Ditmar's uitgeversmaatschappij van het jaar 1928. In deze herdruk is de spelling der eerste uitgave gehandhaafd, gelijk in het gehele verzameld werk.

Wat Van de Woestijne betreft, hij schreef zijn zo levendige schilderingen van Gent en het Gentse leven niet in zijn geboortestad, maar zeker voor een belangrijk gedeelte in het Brabantse dorpje Pamel, waar hij de beide laatste jaren der bezetting een wijkplaats vond, die hem aanleiding werd tot een diepe inkeer in zichzelf. De correspondenties in de N.R. Ct. (het schone Dagboek van den Oorlog en de vervolgen daarop), werden onderbroken van 9 November 1916 tot 23 Juli 1918, ook wel wegens uiterlijke moeilijkheden, maar in de eerste plaats door wat hij in het eerste stuk van de hernieuwde reeks noemde: ‘de zucht naar, de noodzakelijkheid van zelf-censuur’. Deze innerlijke drang blijkt in de Leemen Torens ook bij het boekstaven en romanceren van zijn Gentse herinneringen richtinggevend te zijn geweest.

Wanneer men de door Teirlinck gegeven détails der plannen (die in eerste instantie nog te Brussel waren opgezet) vergelijkt met het boek, vallen enige afwijkingen op, die ten dele zullen

[p. 794]

samenhangen met het torso-blijven van de twee-delig bedoelde roman. Een aantal personages in het tableau de la troupe vermeld, treden in de roman niet op, zoals de beide advocaten Cnudde, de torenwachter van het Belfort en diens dochter, tante Verniers en Wilmart. Anderen dragen enigszins afwijkende namen, zoals de dochters van prof. Hoeck. Opvallend is, dat de oudste dochter van Vermeire in de fiches Leene heet, terwijl deze voornaam in het boek slechts op één plaats (op blz. 561) voorkomt. Overal elders heet zij Fiene: weliswaar kan ‘Fiene’ gemakkelijk door een zetfout uit ‘Leene’ zijn ontstaan, maar het is niet aan te nemen, dat dit zó vele malen aan zetter en corrector zou zijn ontsnapt. Wij hebben dan ook op die éne uitzonderings-plaats de verdoping ongedaan gemaakt. Opvallend is verder, dat de dood van de oude mevrouw d'Onghena (in de fiches d':Onghenae) in het boek op een andere wijze verhaald wordt dan in de vijfde der door Teirlinck gepubliceerde ‘psychologische karakteristieken’ was geschetst. Op enige andere bijzonderheden kom ik bij afzonderlijke aantekeningen terug.

Tenslotte in deze algemene aantekening een enkel woord over de critische waardering, die Van de Woestijne in de door Teirlinck aangehaalde brieven van eigen werk geeft. Ik onthoud me daarbij, in overeenstemming met de principiële opzet van de aantekeningen bij het gehele Verzameld Werk, van een eigen waarderingsoordeel. Maar ik tracht de uitspraken van de dichter te lezen in het licht van diens eigen telkens herhaalde verzekeringen over het wezen van zijn scheppingen. Welnu, wanneer hij aan zijn broeder Gustaaf schrijft: ‘...het (boek) staat, wat mijn part betreft, geheel buiten mijn ander werk. 't Is voor mij een goede oefening geweest, zoals het voor u een goede oefening zou zijn eene grote studie te schilderen naar het naakt model. Maar gij hebt toch nog iets anders en beters te doen, en... ik ook’, dan bedenke men wel, dat het éigenlijke werk van V.d.W. steeds was de dichterlijke biografie van eigen zieleleven, die dan ook in deze ‘Voor-oorlogsche Kroniek van twee steden’) gelijk hij de Leemen Torens bij ondertitel wil noemen) haast met noodwendigheid telkens weer naar het voorplan schoof. Dat hij in de ‘Kroniek’ als zodanig niet de bevrediging vond, die hem het ‘andere’ en

[p. 795]

‘betere’ werk geven kon, is des te eer begrijpelijk, als men zich herinnert, hoe hij ook zijn grandiose ‘Interludiën’ beschouwd wilde zien als een spel, ‘een vermeien der verbeelding’, dat geheel stond buiten ‘de door één leidende lijn van leven, gevoelen en denken’ verbonden lyrische bundels.

 

De hier volgende détail-aantekeningen zijn van viervoudige aard.

In de eerste plaats geven zij verantwoording van een gering aantal plaatsen, waar de tekst afwijkt van die der tijdschriften (of) boekuitgave.

Ten tweede verwijzen zij naar parallellen in andere werken, brieven of uitspraken van de schrijver, die bepaalde passages beter doen verstaan. Aangezien deze herdruk een onderdeel vormt van Verzameld Werk van Karel van de Woestijne, lag het voor de hand zulke verwijzingen speciaal te geven bij de brieven van diens hand en dit te meer, daar de andere brieven behoren tot het nog niet afgesloten werk van een levend auteur.

De tekst draagt natuurlijk bij beide schrijvers de sporen van het Vlaamse taaleigen. Deze aantekeningen geven van die eigenaardigheden geen volledige en systematische studie, maar hebben als derde taak Vlaamse woorden en zegswijzen of typisch ‘Woestijniaanse’ wendingen te verklaren, waar zij de lezer, vooral in Nederland, bevreemden kunnen of moeilijkheden kunnen veroorzaken voor het juist verstaan.

Ten laatste bevatten deze aantekeningen de door Herman Teirlinck verzorgde vertalingen van de vele Franse dialooggedeelten en citaten. Het Nederlands dezer vertalingen, die harmonisch in de tekst der Leemen Torens behoren ingevoegd te kunnen worden, sluit zich in taalvorm (bijv. in het gebruik der pronomina) en in spelling bij die tekst aan.

 

blz. 3 r. 5: schapraai = keukenkast, provisiekast. / r. 27: muntebol: een suikerbol met muntsmaak.
blz. 10 r. 9: dactylograaf = typist (e).
blz. 11 r. 22: teerlingbak is een houten bak, waarin men dobbelt. / r. 23: schuiftafel: bedoeld is een spel, waarbij ijzeren
[p. 796]
schijven op een langwerpige tafel met een soort biljartstok worden voortgeschoven naar doelstaven aan het andere eind van het tafelblad.
blz. 14 r. 9: Tu m'ennuies - va-t-en!: Ge verveelt me - ga weg! / r. 12: J'irai: Ik ga.
blz. 16 r. 15: het automobiel. De geslachten der subst. wijken in het Z -Ned. nog al eens af van die in het N.-Ned.; zij wisselen ook soms met de landstreken. In het vervolg wordt op deze verschillen, die de lezer gemakkelijk opmerkt, niet nader gewezen.
blz. 17 r. 1: Vous n'avez pas de nouvelles de Paul?: Hebt u geen nieuws van Paul? / r. 2: nous n'en recevons plus: wij krijgen er geen meer. / r. 10 en 11: Nous avons recu...: Wij hebben Simone gisteren ontvangen,... en ze is me heel erg bevallen. / r. 12 en 13: Nous comptons...: Wij rekenen er op dat ze Maandag bij ons komt,... 't is een alleraardigst kind. / r. 24: Un petit coin pittoresque: een schilderachtig hoekje. / r. 29: J'y ferai figurer un cygne: Ik zal er een zwaan in plaatsen.
blz. 18 r. 9-11: - Vous n'allez pas...: - U gaat u toch niet begraven op den buiten? Mijn man zou u erg graag ontmoeten.
- De regen moet mij van hier jagen.
r. 15 en 16: Nous bénirons...: Wij zullen dus den regen zegenen, als hij u tot ons brengt.
blz. 19 r. 5: vlug opgekoterd = geforceerd; opkoteren = oppoken, ophitsen.
blz. 22 r. 16: Au fond, Paul s'imagine parfois être un illuminé: In den grond verbeeldt Paul zich wel eens een geestdrijver te zijn. / r. 25: Il est trapu en tout: hij is in alles kortlijvig (kortgedrongen).
blz. 23 r. 29: we moesten ons mijden, d.i. we moesten uit de weg gaan; het Z -Ned. gebruikt vele werkw. wederkerig, die dat in N.-Ned. niet zijn.
blz. 25 r. 4: Il aura là...: Er zullen daar zooveel menschen zijn die ik niet kan uitstaan! / r. 21: alaam = gereedschap. / r. 26: reesem: rist.
blz. 35 r. 16: warande = wandelpark.
blz. 38 r. 29: in den dieperik geraken = naar de kelder gaan.
[p. 797]
blz. 40 r. 2: Tu n'es pas fatigué...: Ge zijt toch niet vermoeid, wel, lieverd? / r. 11: un vert-de-mousse-humide adorable: een heerlijk nat-mosgroen. / r. 20: Ne tombe pas surtout, mon loup!: Kijk goed uit dat ge niet valt hoor, schat! /r. 22: een paardenoog = een vijf-frank-stuk.
blz. 42 r. 4: Il parait...: Het schijnt dat men u van avond bij de Reniers zien zal. / r. 7: Mon mari...: Mijn man zal blij zijn u te ontmoeten.
blz. 43 r. 25: Non, mais j'ai du flair: Neen, maar ik heb een fijne neus.
blz. 44 r. 5: C'est entendu: Afgesproken.
blz. 47 r. 22: Vous avez failli...: U had haast heel een soirée bedorven.
blz. 54 r. 6: Bien parlé, jeune homme: Goed gesproken, jongeman. / r. 14-18: Ah! enchanté...: Ha! Werkelijk aangenaam... Ik heb dikwijls uw lof gehoord, zonder de eer te hebben... mijn naam is Hougardy... Gaston Hougardy... secretaris, ja, zooals u zegt... ik ben wat van den huize, ziet u... Juffrouw!
blz. 57 r. 27 en 28: Permettez...: Permitteer,... ik heb hier een kleine boodschap. Ge moogt er gerust bij zijn.
blz. 58 r. 8: Didon Machin, danseuse étoile: Didon Machin, solo-danseres. / r. 20-24: Demain?...: Morgen?... Ge zijt gek! Ik zie u vanavond nog.
- Melieve, ik vrees erg -
- En trouwens, luister, 't is een heele geschiedenis .. Ge zult dat wel moeten bij wonen.
blz. 59 r. 13: Eh bien ce Cnudde..: Welnu, die Cnudde, mijn beste,... dat is de betrouwbaarste mascotte die er bestaat. / r.28-31: Tu comprends, Horace...: Ge begrijpt, Horace, dat we niet kunnen nalaten dat te vieren - en dezen nacht nog! We zijn allen dol op uw Cnudde, nu en als ik naar Monte-Carlo ga, neem ik hem mee!
blz 61 r. 5: Horace, mon petit...: Horace, ventje, Bontemps de rijkaard is met ons meegekomen.
blz. 62. r. 17: Je m'en fous: 't Kan me niet bommen! / r. 24: Eh bien! Bidoche...: Welnu Bidoche!... wat dunkt u van uw mascotte? / r. 29-31: Tu vas le prendre...: Gij gaat het monopolie over hem opeischen, vermoed ik?
[p. 798]
- Bemoei u d'r niet mee, dikkerd... ik zal wel weten wat ik er mee moet doen.
blz. 63 r. 6: Je pense bien...: Ik onderstel toch dat ge trakteert, hé? / r. 10: J'paie tout: 'k betaal al wat ge wilt. Ben ik vandaag iedereens keelspoeler, of niet? / r. 15: was er in gelukt: het gebruik van gelukken met een persoon als onderwerp (= slagen) is algemeen verbreid in Z.-Ned. / r. 22: Assez! La ferme!...: Genoeg! Mond toe! Bravo! Smijt hem buiten! Een dweil! Ge zijt belabberd! Kruip in uw bed! / r. 30: slaagde een ‘grand écart’ inplaats van slaagde er in... te maken. Verscheidene werkw. die in 't Ned. een voorzetsel-bepaling hebben, vindt men in 't Z.-Ned. met een acc., onder invloed van het Frans.
blz. 64 r. 25: berkoos = groentenkweker in 't bijzonder van primeurs (Brussel en omgeving).
blz. 70 r. 21 en volg.: Over de samenhang tussen de psyche van de Gentenaar en het karakter van zijn stad heeft V.d.W. bij herhaling geschreven. Men vergelijke de opstellen over van Rijsselberghe in ‘Kunst en Geest in Vlaanderen’ en die over de Bruycker en Baertsoen, gepubliceerd in Elseviers Maandblad, April 1912 en Jan. 1913 en te herdrukken in deel V van Verzameld Werk. Vooral het opstel over Baertsoen geeft een impressie van de Gentse kanalen, breder uitgewerkt maar zeer verwant met deze passage.
blz. 71 r. 15 en 16: Pascal en Poincaré. Deze beide schrijvers behoorden juist in de oorlogsjaren tot V.d.W.'s lievelingsliteratuur. Trouwens Pascal vergezelde hem zijn leven lang. Als hij in December 1915 een jonge vriend, die naar het front vertrekt, ter herinnering een boek uit zijn kast laat kiezen en deze een oude uitgave der ‘Pensées’ neemt, moet de dichter zijn spijt onderdrukken. Immers het was het boekje, ‘waar ik een vijftien jaar haast dag aan dag in gelezen had’. (N.R. Ct. 6 Dec. 1915 O.) In het ‘Dagboek van den Oorlog’ vertelt hij, hoe hij zich verdiepte in Henri Poincaré's ‘Dernières Pensées’ en voegt daaraan toe: ‘Van de wetenschap van Henri Poincaré heb ik al heel weinig verstand, en zelfs heelemaal geen verstand, want waar ik meen te begrijpen, verkeer ik allicht in een zoeten waan. Maar zijne Wijsheid is mij zeer lief, al laat zij mij niet geheel
[p. 799]
bevredigd. (N.R. Ct. 25 Oct. 1914 Av.). / l. r.: verdook = verborg.
blz. 72 r. 4: fusée = vuurpijl. / l. r.: Fele Miere, waarschijnlijk omdat hij er zóo uitziet. ‘Fele Miere’ betekent nl.: Felix de Mier.
blz. 73 r. 19: bardezaan, een soort hellebaard (Fr. pertuisane).
blz. 75 r. 6: tot het bereiken: zo is gelezen met de Gids-tekst; de boekuitgave heeft: om het bereiken. / r. 16: le fer est sournois: het ijzer is geniepig / r. 28: Constant Montald: schilder van grote decoratieve muurschildèringen, waarvoor V.d.W. veel bewondering had. Enthousiast schreef hij over de vernieuwing van zijn werk in de eerste wereldoorlog. Zo las men in de N.R. Ct. van 20 Juni 1915: ‘Montald, wij wisten het, is een groot decorateur: thans heeft hij ons overtuigd de macht te bezitten, bij al de gaven die de groote muurschildering vergt, deze van gevoels- en denkensdiepe austeriteit te kunnen voegen, die een muur kunnen maken tot een vergezicht op de eeuwigheid’.
blz. 77 r 26: was zij als gemeduseerd: het woordje ‘zij’ ontbreekt in de boektekst, maar werd, als noodzakelijk, ingevoegd. / r. 27: meduseren naar het Fr. méduser, verlammen, hypnotiseren als bij de aanblik van het Medusa-hoofd.
blz. 78 r. 14: bister = geelbruin of roetbruin. / r. 17: des bouches en pierre aux trompettes de cuivre: monden van steen aan trompetten van koper.
blz. 79 r. 13: toen hoornde hij: het w.w. hoornen, dat V.d.W. hier van het krijsen van een pauw, elders wel van ganzen gebruikt, is een geluidsaanduiding van eigen vinding, die een schetterende klank suggereert.
blz. 83 r. 1: à la force du poignet: door bitter zwoegen.
blz. 85 r. 7 en 8: vota cadunt etc. Deze regels zijn een citaat uit Tibullus, Elegieën II,2,17/8. De vertaling luidt: Plechtige geloften worden uitgesproken. Ziet gij niet hoe met sidderende vlerken Amor aanvliegt en de goudgele banden voor het huwelijk aandraagt? / r. 25: bisschop in partibus van Bagdad = in partibus infidelium, onder de niet-gelovigen. Titel van een wijbisschop, herinnerend aan de tijd der kruistochten, toen er inderdaad te Bagdad een bisschop zetelde.
[p. 800]
blz. 87 r. 3: de ongezelligste nederigheid = de pijnlijkste, onbehaaglijkste nederigheid.
blz. 88 r. 8: Pessimus = de slechtste.
blz. 89 r. 14: van Henri de Groux, 1867-1929, geeft V.d.W. een boeiend portret in een correspondentie Verleden (N.R. Ct 28 Dec. '22). Hij beschrijft daar zijn verschijnen bij tijd en wijle te Brussel in gezelschap van Léon Bloy.
blz. 91 r 6: hoornde: vgl. de aantek. bij blz. 79 r. 13.
blz. 98 r. 17: zich laten beduzen van: beduzen, waarvan in het N.-Ned. alleen nog het verleden deelw. beduusd gebruikelijk is, betekent: verbijsteren, uit het veld slaan. Het voorzetsel ‘van’ wordt in 't Z.-Ned. bij vele werkw. gebruikt inplaats van ‘door’ onder de invloed van het Franse ‘de’.
blz. 100 r. 8: reesem = rist, rij, tros.
blz. 103 r. 8: een redowa is een boheemse wals, een matchiche een luchtig Frans lied bij een dans, met het refrein: c'est la matchiche. / r. 12: reeuwsch, bijv. naamw. bij ‘reeuw’ = doodszweet of uitwaseming van een lijk. / r. 20: suffisant naar het Frans van een persoon gezegd = verwaand, ingebeeld.
blz. 105 r. 28: overgoord = overstroomd (goren=modderen).
blz. 106 r. 5: interesseerde ik mij aan Valentine = vroeg ik met belangstelling naar Valentine, naar het Frans: s'intéresser à. / r. 10: het maalt haar af = het doet haar vermageren.
blz. 107 r. 13: Des Esseintes: figuur uit ‘A Rebours’ van J.K. Huysmans, type van de verfijnde decadent.
blz. 109 r. 13: gaffernatuur: Fr. gaffeur = een bokkenschieter.
blz. 111 r. 15: bellâtre = fat.
blz. 113 r. 18: Oui, les filles d'ici... enz. De vertaling dezer verzen luidt: Ja, de meisjes van hier zijn de vrucht van een druivelaar, door geen enkele ent gewond, en die zich traag aan zichzelf vermeerdert in spannende trossen, waarbinnen tot rood fonkelende rijpheid ontwaken de aarde en de hemelen der vaderen, en hun cosmisch gebod.
blz. 117 r. 1 en 2: Les adieux furent touchants: Het afscheid was roerend.
blz. 118 en volg.: De Gentsche wereld-tentoonstelling van
[p. 801]
1913: V.d.W. (die toen reeds lang te Brussel woonde en met de familiezaak niets meer te maken had), wijdde aan deze tentoonstelling niet minder dan 17 artikelen in de N.R. Ct., tussen 22 April en 27 October 1913. In de brief opgenomen in de N.R. Ct. van 13 Aug. 1913 schreef hij over de zomerfloraliën soortgelijke impressies als hier op blz. 120 over de Rozendag. Buitengewone indruk maakte op hem de Gentse rozententoonstelling in Juli 1914, vlak voor de oorlog. In zijn geestdriftige brief daarover in de N.R. Ct. (22 Juli, 1914) leest men: ‘als eenige levendige herinnering aan de wereldexpositie van verleden jaar leefden met zachte pracht in mijn geheugen de Floraliën.’
blz. 119 r. 1: het relletje op het Fransch concert. Deze episode is een duidelijk voorbeeld van de wijze waarop V.d.W. in deze brieven historische gebeurtenissen vrij verwerkt. Hij doelt op de verstoring van een concert gegeven bij de ‘blijde intrede’ te Gent van koning Albert op 23 Juni 1913. Een groep Vlamingen uitte zijn ontevredenheid door (‘trouwens valsch’ zegt V.d.W. in zijn verslag, N.R. Ct. 25 Juni 1913) de Vlaamse Leeuw aan te heffen. Over ‘de blijde intrede’ wordt in de roman echter niet gerept.
blz. 121 r. 5: Armida-tuinen: tovertuinen. Armida is een tovenares uit Tasso's ‘Bevrijd Jeruzalem’.
blz. 122 r. 2: Het is dat... = het komt hierdoor, dat... / r. 9 en 10: stravit et triclinia etc... Dit citaat is ontleend aan Aelius Lampridius' leven van keizer Antoninus Heliogabalus, 19, 7, te vinden in de Historia Augusta. De vertaling luidt: Hij heeft met een kleed van rozen aanligbedden en rustbedden bedekt en ook zuilengaanderijen en wandelde zo door deze rond. / r. 11: ik verwachtte mij aan Paestum: zich verwachten aan vgl. het Fr.: s' attendre à. aan Paestum: kort voor: een tekst, waarin sprake is van Paestum, een toespeling op een plaats in de ‘Georgica’ van Vergilius (IV, 119) waar verteld wordt dat de rozen te Paestum tweemaal in elk jaar bloeien. l. r.: homme à tout faire: een manusje van alles; iemand die tot alle werk wordt gebruikt.
blz. 123 r. 18: à l'anglaise = onopgemerkt, zonder formeel afscheid. / r. 20: atactisch-stijve: atactisch = Fr. ataxique,
[p. 802]
lijdend aan ataxie, onregelmatigheid in bewegingen, veroorzaakt door zenuwstoornis. / l. r.: bedrogen = vergist.
blz. 129 r. 15: gelijk Koning Froth in Starkadd, een ironische verwijzing naar een der dramatische hoogtepunten in Hegenscheidt's drama. Als Koning Froth in het tweede bedrijf dodelijk is getroffen, zegt hij enige malen: ‘ik móet (nog) denken’.
blz. 130 r. 3: mijne groote distinctie = mijn grote onderscheiding. Bij academische examens zijn in België als eervolle waarderingen gebruikelijk de termen: voldoening, onderscheiding (distinctie), grote en grootste onderscheiding. In Nederland zou men zeggen: het heeft me mijn cum(laude) gekost.
blz. 131 r. 1: Et puis: en dan, en dan als ge wist!... en dan, Germaine... mijn Germaine. / r. 6: ik was diep begaan in = begaan met, ik had medelijden met.
blz. 132 r. 15: de toemate = de toemaat, de tweede oogst. / r. 17: ce que toute jeune mariée doit savoir: wat iedere jonggehuwde behoort te weten.
blz. 133 r. 1: digitale, saponaire, bardane, séné: vingerhoedskruid, zeepkruid, kliskruid, seneblad.
blz. 137 r. 20: de hang = het rek.
blz. 139 r. 8: het horloge, in Z.-Ned. ook gezegd voor ‘klok’.
blz. 140 r. 11: weeren = eeltplekken. / r. 15: schaamt het God niet = is het voor God geen schande..., schaamt God er zich niet voor, dat...
blz. 143 r. 24: en gelukte daarin: vgl. de aant. bij blz 63, 15.
blz. 145 r. 1: haar uitzettend = zich uitzettend; in het Z.-Ned. wordt het pron. personale nog vrijwel algemeen gebruikt als reflexicum.
blz. 147 r. 16: zijn kam = zijn brouwerij.
blz. 149 r. 18: champieter: volksterm voor champagne.
blz. 153 r. 10: heel den bataclan = heel de nasleep (eig. de rommel). / r. 24: de kamkamer = het brouwhuis, de brouwzaal.
blz. 154 r. 19 en 24: pataat! uitroep gewoonlijk gebruikt bij 't geven van een kaakslag, hier: pats! klets! / r. 25: boestrink, Z.-Ned. voor ‘bokking’. / r. 26: had het spel afgelet = bespied.
[p. 803]
blz. 155 r. 14: de roste Arthur; rost is Z.-Ned. bijvorm van ‘ros’.
blz. 156 r. 11: 't plankier van den kijker: 't uitstekend plankje van een kijker, Z.-Ned. voor duiventil / r. 14: zonder beslag = eenvoudigweg, zonder omslag.
blz. 157 r. 21: Premontranen = Premonstratensers, vgl. Fr. Prémontrés.
blz. 159 r. 1: stallen = koorbanken.
blz. 160 r. 14: zinzoliene kastanjeboomen. Het Fr. zinzolin = violet-rood. / r. 20: libellulen = libellen, Fr. libellule.
blz. 162 r. 20: rijzekens: reizekens is verkl. woord van ‘reits’ en betekent: eventjes, nauwelijks, meestal gespeld met een ij.
blz. 169 r. 7: on ne peut les aimer sans être inverti: men kan ze niet liefhebben zonder pederast te zijn.
blz. 170 l. r.: je voudrais vous dire...: ik zou u een woordje willen zeggen na het souper.
blz. 171 r. 19: Vous ne m'en voulez pas?: Zijt ge niet boos op mij?
blz. 177 r. 7: Quelle surprise charmante...: Wat een aangename verrassing. / r. 8: et comme je benis...: en hoe zegen ik het gelukkige toeval dat u hierheen heeft gebracht... / r. 28-31: Je ne comprends pas...: Ik begrijp dat kind niet... hij heeft zulke geheimzinnige manieren, die men liefst niet indiept.
blz. 179 r. 18: C'est de l'épate = Het is bluf.
blz. 181 r. 16: Quelle vieille bête!: Wat een pummel!
blz. 183 l. r.: gewillig = geruime tijd, een eigenaardige bet. in Z.-Ned.
blz. 184 r. 22: een vijs = een schroef.
blz. 185 r. 11: vijzen, zie vorige aantekening.
blz. 186 r. 1: zij opent op een voorportaal = geeft toegang tot, Fr. ouvrir sur. / r. 23: die roste reus, vgl. aant. bij blz. 155, 14.
blz. 189 r. 19: kipkappen: van ‘kipkap’, in Z.-Ned. gehakt vlees, = tot kipkap hakken.
blz. 190 r. 3: peerdsoogen = vijf-frank-stukken.
blz. 193 r. 18: Thersites: figuur uit Homerus' Ilias, waar hij
[p. 804]
αἰσχιστος, de lelijkste heet en ἀϰριτομῦΘος, de zwetser; hij is gehaat om zijn scherpe tong.
blz. 196 l. r.: ze deden een helsch lawaai: ‘deden’ staat voor ‘maakten’ onder invloed van het Frans faire.
blz. 197 r. 1: de mesting (gewoonlijk messing, mogelijk een zetfout) = mestvaalt.
blz. 198 r. 10: de gebuisde stoker: ‘buizen’ betekent in Z.-N. mislukken, niet slagen (bijv. bij een verkiezing, een examen), dus hier: niet verkozen.
blz. 204 r. 23: Notre Cornélie est surmenée: Onze Cornelie is overspannen. / r. 25: N'y touchez pas...: Raak hem niet aan, hij is gebarsten.
blz. 205 r. 9 en volg.: Ik moest nederiger zijn met mijne gave... De keuze der geschenken, hier opgesomd, is voor V.d.W. merkwaardig. Het is een typisch voorbeeld van de mengeling van autobiografie en fantasie, overal aanwezig, waar de schrijver over zichzelf vertelt. Na aanvankelijke aarzeling was hij een groot bewonderaar van Debussy geworden; van zijn enthousiasme over Pelléas et Mélisande getuigt o.m. een brief aan de Bom (13 Maart 1907), waarin hij meldt tegen half drie 's nachts te zijn thuis gekomen ‘over van geluk, van dat zeldzame Pelléas-geluk, dat ik telkens, na elke uitvoering geniet’. Wagner-verering was in de kring der symbolisten algemeen. Op de duur ging V.d.W. critisch onderscheiden en gaf hij boven de ‘Ring der Nibelungen’ verre de voorkeur aan de ‘Tristan’, die hem geeft ‘de breede stroom der armzalige en eindelooze menschelijkheid’ (N.R. Ct. 12 Mei 1912).
Onder de Franse symbolistische dichters was de Régnier hem als jong dichter zeer lief. In een critische bespreking van diens roman ‘La Pécheresse’ (N.R. Ct. 6 Nov. 1920) leest men: ‘Hoe hadden wij gedweept met bundeltje aan bundeltje van die hooghartige verzen, tot bij de “Aréthuse” toe...’. Als ironie bij de dikwijls verkondigde mening, dat de Régnier invloed gehad heeft op zijn eerste bundels, klinkt de mededeling, dat dit exemplaar was ‘gededicaceerd op mijn naam’. Ook de opmerkingen over het Vaderhuis hebben deze ironische toon.
[p. 805]
blz. 206 r. 28: Petite mère...: Moeke, meer dan ooit verblijf ik uw dochter.
blz. 210 r. 11: eene moederschap; vele woorden op -schap, in 't N. Ned. onzijdig, worden in Z. Ned. vrouwelijk gebruikt. Zo schrijft V.d.W. ook: de (eene) dichterschap. / r. 30: overgoord = overstroomd.
blz. 212 r. 17: 'ne snelle heere: ‘snel’ wordt vooral in Z.-Ned. ook gebruikt in de betekenis ‘knap, flink, mooi.’ Hier dan ironisch: een mooi heerschap!
blz. 213 r. 6: de sloore; meewarige aanduid. v.e. vrouw: de sukkel. / r. 6 en 7: Zij heeft ook haren peere gezien met hem: zij heeft van hem de nodige last gehad.
blz. 214 r. 7: het deed, dat zij er onbeholpen uitzag...: doen dat = veroorzaken dat, gallicisme. / r. 16-19: Tout s'est passé...: Alles is gegaan zooals het gaan moest; voortdurend heb ik aan mijn moeder gedacht. In afwachting van morgen omhels ik haar teeder. / r. 19: Je dépose...: Ik betuig mijn ootmoedige eerbied aan mijn tweede moeder.
blz. 219 r. 8: ‘Mon mari’: zij presenteerde: ‘Mijn echtgenoot’.
blz. 220 r. 9: Vous m'excusez... Wilt u mij verontschuldigen, Oom?
blz. 221 r. 3: As-tu parlé...: Heb je met Paul gesproken? Wat heeft hij verteld? / r. 9: Pourquoi ne serais-je...: Waarom zou ik niet gelukkig zijn? Ieder zijn lot, nietwaar? / r. 20: O non! pas de voiture...: O neen, geen rijtuig, als u zoo goed wilt zijn. / r. 25: wij volgden den wil in: wij gaven haar haar zin. / r. 29: comme quand j'étais gosse: gelijk toen ik nog een bengel was.
blz. 223 r. 4: Allons-y, ma vieille!: Kom, ouwe, laten we gaan. / r. 27: L'idéal des croisades...: Het ideaal der kruisvaarders zou het onze niet meer kunnen zijn.
blz. 224 r. 1: Mais ce serait... Maar mijn beste oom, dat zou op een algemeenen oorlog uitloopen.
blz. 226 r. 8: gerjond = gegund.
blz. 230 r. 17-19: attaché d'ambassade - détaché d'embrassade; een onvertaalbare woordspeling: gezantschaps-attaché - omhelzing-gedetacheerde. Men kan het weergeven: die gezant-
[p. 806]
schapsattaché is nogal onverschillig (détaché) voor omhelzingen.
blz. 231 r. 14: glad-gehegd = glad-geëgd. / r. 22: alaam = gereedschap. / r. 28 en volg. blz.: O, Herman, in dit gezegende land...: dit is een van de welsprekendste getuigenissen van de liefde van de dichter voor de Leie-streek en de betekenis van het wonen te Laethem in zijn leven. Hij verbleef er, (met een onderbreking van ongev. 15 maanden in 1904 / 1905) van April 1899 tot September 1906. Behalve in vele gedichten uit ‘Verzen’ en ‘De Gulden Schaduw’ (de afdeling: ‘Het huis in de vlakte, bij de rivier’) beschreef en verheerlijkte hij zijn leven onder vrienden te Laethem in ‘Laethemsche Brieven over de Lente’, in ‘Christophorus’, in verscheidene studies opgenomen in ‘Kunst en Geest in Vlaanderen’ en in ‘De Schroeflijn’ en passim in zijn journalistiek, zoals bijv. in een artikel over het plan een tentoonstelling in zijn vroegere woning te houden, in de N.R. Ct. van 5 Juli 1924 (‘Kunst in Vlaanderen, De School van Laethem II).
blz. 233 en volg. Zonder iets te willen afdoen aan de waarschuwing van Dr. Teirlinck, in diens ‘Getuigenis’, waarmede dit deel van ‘Verzameld Werk’ opent, wijs ik op de liefdevolle, zij 't ook enigszins geromanceerde portretten van de Laethemers der eerste groep: Albijn van den Abeele (Finus van den Bogaerde), George Minne (Maarten de Mensch) en Valerius de Saedeleer (Hilarion de Maegdeleer)! Bijzonder duidelijk blijkt, hoe V.d.W. zich bewust was van de geestelijke invloed op zijn wezen van Minne. Voor Jan Henderickx of Jan de Goele was de Gentse schilder en etser George van de Waele (te Gent Cies de Kalle genoemd) model, die lange tijd verpleegd werd in het Ghislain-gesticht te Gent, maar bewonderenswaardige gehallucineerde etsen maakte: V.d.W besprak zijn figuur in het Elsevier-opstel (April 1912) over de Bruycker.
blz. 233 r. 7: als een zate... neerdaalt; zate, in 't algemeen: steunend vlak, in Z. Ned. ook zitting v.e. stoel, dus: daalde in een vlakke glooiing.
blz. 234 r. 20: twinter: een tweejarig paard (van twee winters).
blz. 235 r. 25: Sacrédié... Verdorie, wat een puik vrouwmens!...
[p. 807]
blz. 236 r. 24: Elle est charmante: Zij is allerliefst. / r. 28 en volg.: C'est donc cela...: ‘- Dat is het dus?... Bij slot van rekening doet Paul wat hem belieft. Het is van zijn leeftijd, en, - hij is vrij, hij’.
- ‘Ja’, antwoordde ik, ‘maar Simone Renier?’
- ‘Zijt ge nu de vertrouweling van Simone!’
blz. 237 r. 3: Quand la tarentule...: Als haar de lust tot trouwen zal bekruipen, kan Paul nog altijd... Trouwens, Simone bewijst dat ze kan wachten. Zij heeft ook een zeer bekwame wil; waarom doet ze 't niet, als het moet?... / r. 22-30: Mon cousin, je sais...: Mijn neef, ik weet hoezeer Cornelie aan u gehecht is. 't Is daarom... Ik weet niet of ik u gezegd heb... 't Is heel moeilijk ziet ge... Maar kijk: ik heb oneindig veel eerbied voor de moeder van Cornelie. Ik voel innig met haar mee, in de situatie waarin zij zich bevindt: U zult het haar zeggen, niet waar? En overigens - ja, zie, ik geloof dat ik Cornelie oprecht liefheb. Ja, ik houd van haar, en gij allen, gij moogt vertrouwen hebben in mij.
blz. 244 r. 9: ik erkende Lulli; lees: herkende. / r. 10: Que soupirer d'amour...:
 
Wat is van liefde zuchten zoet,
 
als ons verlangen geen verzet ontmoet...
blz. 245 r. 3-5: Nous n'avons rien négligé...: Niets hebben we verzuimd om den oorlog te vermijden; wij gaan ons voorbereiden om dien, waartoe men ons uitdaagt, te doorstaan, waarbij wij aan ieder het deel verantwoordelijkheid laten, dat hem toekomt. / r. 8 en 9: Personne ne demande: Niemand vraagt het woord?... Het woord is aan 't kanon!
blz. 248 r. 23: - blz. 249 r. 18: Ik zweeg. Ach Herman kon ik hem openbaren... Als getuigenis van V.d.W.'s houding tegenover Christendom, Kerk en kerkelijke politiek moet deze bladzijde met voorzichtigheid gelezen worden. Niet alleen is het ook hier gevaarlijk de schrijver geheel met de mens Van de Woestijne te identificeren, maar ook vindt het hier geschrevene noodzakelijke aanvullingen in andere uitspraken. Bovendien bedenke men hier een belijdenis voor zich te hebben uit een bepaalde levensperiode. Stond V.d.W. tegenover clerikale politiek steeds afwijzend, zonder twijfel nam hij tegenover de Kerk in later jaren een meer positieve
[p. 808]
houding aan. Dat er ook in de jaren, waarin de Leemen Torens geschreven werden, andere motieven voor hem golden dan de hier genoemde: De nobelheid der Kerk, de familieharmonie, ‘plechtigheid en menschelijk samenlijden’, bewijst onder meer een zeer persoonlijk gesteld artikel in de N.R. Ct. van 18 Augustus 1920. ‘De Aanbidding van het Lam Gods’, waarin hij vertelt van zijn leven te Pamel in de twee laatste bezettingsjaren. Hij spreekt er als zijn overtuiging uit, dat op die heuvel van Pamel Jodocus Veydt, heer van Pamel, het schilderij bestelde en dat het landschap van Pamel er is afgebeeld. En hij, die daar, op diezelfde heuvel, uren doorbracht van diepe geestelijke verinnerlijking, voelt zich één met allen, die pelgrimeerden naar het Lam. Ik citeer één passage: ‘Ik stond waar het Lam werd geplaatst met fieren nekplooi op 't scharlaken altaar, onder de Duif, die gouden stralen schiet voor ieder, die ervan wil worden gekwetst. En de glorieuze gekwetsten: zie ze naderen, de maagden onder palmen en de prelaten onder malven ornaat, de apostelen, die verkondigen, en de belijders, die weten, want ze dragen de teekenen in hun vleesch. Zij allen komen uit de vier hoeken des winds naar dit oord, waar ook ik, de dweepende en pijnlijke nakomeling, mag zitten.’
blz. 257 r. 12: Tout notre raisonnement...: Al ons redeneeren herleidt zich tot een toegeven aan ons gevoel. / r. 29: het driedaagsch Vlaamsch muziekfeest. In het jaar der wereldtentoonstelling te Gent, 1913, werden in September in verband met ‘De Vlaamsche Dagen’ op drie achtereenvolgende dagen uitvoeringen gegeven van Vlaamse muziek. In de verslagen daarover in de N.R. Ct. (22 en 23 September 1913) hebben we enigszins een parallel met de hier volgende bladzijden. In die artikelen toont de schrijver echter meer waardering, al critiseert hij ‘zoetelijke dilettantenmuziek’ en al betreurt hij, dat Benoit zich potsierlijk-onevenwichtige teksten koos van Emm. Hiel. Over diens ‘de Schelde’ zelf geeft hij weinig détails. Doch het enthousiasme van het publiek wordt er wel anders geschilderd dan hier in de L.T., als hij bijv. schrijft: ‘Vlaanderen kan er zich in spiegelen. En Vlaanderen heeft zich gespiegeld en... schoon bevonden’.
[p. 809]
In het licht van deze bladzijden klinken zulke woorden wel ironisch!
blz. 258 r. 30: ik had er mij aan verwacht: vergel. de aant. bij blz. 122, r. 11.
blz. 259 r. 17 en volg.: Want het is mijn dwaze, maar onschuldige ijdelheid... Deze persoonlijke bekentenis over de wisselwerking tussen de zee en eigen psycho-physisch leven is belangrijk voor het verstaan van V.d.W.'s zee-verzen. Een andere, eveneens belangrijke nuance van deze wisselwerking vindt men getekend in Christophorus (deel II van Verzameld Werk, blz. 212, 213, 214).
blz. 262 r. 2: zavelen: zavel is eigenlijk klei, gemengd met zand. De meerv.-nuance als in het Fr.: les sables.
blz. 267 r. 2: dorschdilte. De dilte is de ruimte boven de koestallen, waar men hooi bergt; de dorschdilte, de dilte boven de dorschvloer. / r. 20: door de dichte nadering...: het woord ‘door’ is ingevoegd; het moet door een vergissing in de boektekst uitgevallen zijn.
blz. 269 r. 14: ijlte. In tijdschrift en boek stond tweemaal ‘ijltje’. V.d.W. gebruikt van dit veel voorkomende woord nergens dit verkleinwoord. Het is als zetfout beschouwd.
blz. 279 r. 1: Tout notre raisonnement... vgl. 257 r. 12. / r. 24: De jacht is open enz... De hier volgende beschrijving biedt in vele détails overeenkomst met het verhaal van een herfst aan zee, verteld in het Dagboek van den Oorlog (N.R. Ct. 4 Nov. 1914). Het verhaal slaat op een verblijf te Blankenberge (waarschijnlijk in 1907), toen V.d.W., met vrouw en zoontje in Juni naar zee vertrokken, einde October nog moeilijk kon besluiten terug te keren. Zijn leven in die herfst was van een grote klaarheid en eenvoud. Wel trekt hij ook in dit relaas 's morgens met de jagers uit, maar om ze, eenmaal in de hoge duinen, verder te laten trekken. Hij schrijft dan: ‘Ik-zelf, in mijn duffelschen jas, lag in de holle zandweg, wier wanden mij tegen den wind beschermden en vanwaar ik over de zee kon zien, en over de aarde. Over de zee de schuine meeuwen en haar slappen wiekslag; over de akkers de reepen rook van 't aardappelgroen, dat men na de oogst opbrandt, of een driehoekige vlucht patrijzen, door één der jagers bij twee korte, doffe knalletjes opgestooten.
[p. 810]
En zoo lag ik te werken, mijn wangen heet van de kilte der lucht, mijn hart vol heerlijke zekerheid.’ Tegen de avond keert hij met de buit-beladen jagers terug: ‘En als ik de gelagzaal binnentrad, de van warmte en licht blozende gelagzaal, daar was een neersche, frissche, sterkende geur, die mij aansloeg en iedere avond met een nieuwe, onzeglijkzuivere vreugde vervulde: de geur der versche garnalen.’ Van een zelf schieten of van whist-spelen hoort men hier niets. Het ‘stel u voor, Herman, ik die aandachtig en ijvervol whist speel!’ zal hij met onverholen zelf-ironie hebben neergeschreven.
blz. 283 r. 25: Gisteren-avond begon de Herfst-evening. De grootse bladzijden, die hier volgen legge men naast de stormverzen uit ‘Het huis aan de Zee’ in ‘De Gulden Schaduw’ (deel I, blz. 283-287). Er is daar eer van een lente-evening sprake, maar de zielsreactie heeft treffende overeenkomst.
blz. 286 r. 7: de hemelsche sterkten; hemelsche werd verbeterd uit hemelschen.
blz. 290 r. 13: de lodsoor, eigenl. een neerhangend oor. Overdrachtelijk: nalatig, zorgeloos persoon. / r. 16: dwaze kul: onnozele, idioot.
blz. 295 r. 8: driemaal te reke = driemaal achtereen (reke = rij).
blz. 296 r. 8: horloge-garnituur: horloge zegt men in Z.-Ned. onder Franse invloed van ieder uurwerk, dus: schoorsteengarnituur, waarvan het middenstuk een uurwerk bevat.
blz. 298 l. r.: al heur aan te zien = door haar aan te zien.
blz. 299 r. 23: cette habitude...: deze gewoonte, die, als alle andere, een tweede natuur is.
blz. 301 r. 22: sufficit (Lat) = het is genoeg.
blz. 309 r. 7: collage = liaison. / r. 11: zijn buitenkans afficheeren: zich in 't openbaar vertonen met zijn minnares.
blz. 310 r. 26: Et je me porte bien!: en ik stel het goed!
blz. 314 r. 12: Voilà une exorde admirable: ziedaar een prachtige aanhef. / r. 20: geankyloseerd: Fr. ankyloser = verstijven van gewrichten. / r. 25: Nous avons décrété...: Wij hebben tot de lockout van de arbeiders in de koetsenmakerij besloten.
blz. 317 r. 29 en vgl.: Jamais nous ne consentirons...: Nooit
[p. 811]
zullen wij er in toestemmen met de belhamels der werkliedenbonden te onderhandelen: wij erkennen deze instellingen en de treurige parasieten die ze onderhouden niet. Onze werklieden moeten rechtstreeks met ons onderhandelen, zooals de kinderen doen met hun vader.
blz. 318 r. 22: de herkenning: lees: erkenning.
blz. 319 r. 11: energumenen, Fr. energumène = bezetene. / r. 20: met humeur = ontstemd, wrevelig.
blz. 320 r. 24: à l'anglaise: vgl. de aant. bij blz. 123, 18.
blz. 322 r. 25: couleur de-cuisse-de-nymphe-émue: de kleur van de bil ener ontroerde nimf.
blz. 323 r. 6: sjanfoeters = Fr. Jean-foutre, smeerlap. / r. 12: La musique...: Muziek! Plaats voor de dames! Intermezzo door juffrouw Bidoche! Hola! Gij daar, kreeften, trekt uw pooten in! Men begint! / r. 27: Bravo la mascotte... Bravo! mascotte! Vooruit! Vlam, bij God! vlam, zeg ik u!
blz. 327 r. 16: Faites donc entrer...: Wilt u de afgevaardigden binnen brengen, mijnheer Hougardy en laat niet na de vergadering bij te wonen: ze zal niet lang duren.
blz. 329 r. 4: devooren = het Fr. devoirs. Devooren (alleen meerv.) is echter meer dan ‘plichten’; het betekent: zijn best, al wat hij kan.
blz. 336 r. 2: ik verwittig u = ik waarschuw u.
blz. 338 r. 20: Elle est définitivement blindée: ze is voorgoed gepantserd.
blz. 339 r. 18: Un homme de rien...: een man van niemendal, een onaanzienlijk doktertje, van wien men het allerergste vertelt en die ons uit de maan is komen vallen onder den naam van Damloup.
blz. 353 r. 5: sans compter le temps...: zonder den tijd mee te rekenen die men aan deur-bagatellen verspilt. / r. 14: ik heb mij daaraan niet verwacht: vgl. de aant. bij blz. 122, r. 11.
blz. 364 r. 8: drol = grof linnen. / r. 13: leven zocht: zo las men in tijdschrift- en boekuitgave, waarschijnlijk door een schrijf- of zetfout. Bedoeld moet zijn: mocht.
blz. 365 r. 17: Ook hen zou men inpakken, verbetering van de tijdschr. en boektekst: ook zij zou men inpakken. Aangenomen is dan een verschrijving of zetfout. In overeenstem-
[p. 812]
ming met een Vl. zegswijze kàn V.d.W. ook geschreven hebben: ook zij; dan behoort een komma te volgen.
blz. 367 r. 7: Rodolphe fait du mimétisme...: Rodolf doet aan mimetisme: hij past zich zoo goed aan, dat hij, wat de lijvigheid zijner vormen betreft, tegen den meest authentieken Pruis kan opwegen. Hij is van hen niet meer te onderscheiden. / r. 17 tot blz. 368 r. 17: L'attitude de la Russie...: ‘De houding van Rusland is op zijn minst genomen dubbelzinnig. Niemand ontkent den invloed dien de heer Isvolsky nog bezit; als men nu bedenkt, dat deze een persoonlijke wraak op de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie nastreeft, begrijpt men hoezeer Frankrijk op zijn hoede behoort te zijn voor dezen bondgenoot, waarvan de steeds nauwer wordende banden met zekere Balkanstaten voor niemand nog een geheim zijn’ of: ‘Het is bekend, dat Sir Edward Grey, om economische expansie van Duitschland te belemmeren, zijn land verleden jaar tot op een haar van den oorlog heeft gebracht: hij wil een drievoudige Entente tegenover de drievoudige alliantie stellen; de politiek van dezen ongeluksman voert Engeland regelrecht naar den dienstplicht: dit zal - laten we hopen -, de positie van dezen loozen vos op den duur onhoudbaar maken’; of: ‘Alleen om de Fransche Republiek de mogelijkheid te geven haar wisselvallige verbintenissen met Rusland en Engeland na te komen, sturen de h.h. Poincaré, Delcassé, Millerand en hun vrienden aan op de wet van den driejarigen dienstplicht: een chauvinistische bravour-politiek die de ridderlijke instincten van hun land wel vleit, maar op gevaarlijke wijze den Europeeschen vrede bedreigt, doordat zij Duitschland er, ondanks zich zelf misschien, toe dwingt gelijkaardige militaristische neigingen te versterken.’; of: ‘Rusland richt het Tweevoudig Verbond naar eigen voordeel alleen; zonder de minste bedreiging van Duitsche zijde nu, voert het zijn bewapening in vervaarlijke mate op; en zoo wordt het u duidelijk, beste oom, hoezeer het voor het Europeesche evenwicht en niet het minst voor den vrede van ons landje noodig is dat Frankrijk de militaire wet verzaakt, die er alleen toe kan bijdragen om Rusland, en, wie weet, ook Engeland in hun voornemens te sterken.’
blz. 375 r. 1: hij is mij aan zijn... gelaat... een raadsel: het
[p. 813]
voorzetsel ‘aan’ staat hier in plaats van ‘met’ of ‘door’.
blz. 377 r. 4: zwelte: eig. gezwel, scheldwoord voor een vadsig vrouwmens. / r. 6: Ta bouche, bébé!: Mondje toe, baby!
blz. 387 r. 28: Karelke Waeri was een populaire liedjeszanger te Gent.
blz. 388 r. 20: verontwaardigste. Zo las men in tijdschr.- en boekuitgave, waarschijnlijk dank zij een schrijf- of zetfout. Bedoeld moet zijn: verontwaardigendste.
blz. 390 r. 30: dat ware van geen refuus: (Fr.: cela n'est pas de refus) = daarop zou ik geen neen zeggen.
blz. 392 r. 6 en volg. blz.: Er kwam bij dat dokter de Koninck met juistheid had gesproken. Over de anarchistische gedachte- en gevoelsstroom, waarin V.d.W. en zijn vrienden omstreeks de eeuwwende leefden, heeft hij herhaaldelijk in détails geschreven. Telkens opnieuw trachtte hij de geestelijke evoluties te tekenen van de generatie van '90, ‘de generatie van den twijfel’. Zo in de opstellen over Verhaeren en Minne in ‘Kunst en Geest in Vlaanderen’, in die over de Bruycker (de kring van het ‘Patershol’) en Baertsoen in Elsevier (1912, I, 301 en 1913, I, 201 en volg.) Van de artikelen in de N.R. Ct. zijn hier in de eerste plaats te noemen dat over Degouves de Nuncques (22 Dec. 1908), over Louis Franck (1 April 1914 in het Dagboek van den Oorlog), over de mogelijke bouwers van een nieuwe tijd (eveneens in het Dagboek, N.R. Ct. 12 Febr. 1916), dat over de Bruycker (26 Febr. 1922) en dat over Teirlinck (25 Maart 1925).
blz. 395 r. 22: boeven-beluiken. Beluik (Z.-Ned.) is besloten ruimte. Dus boeven-holen.
blz. 396 r. 3: rafalen, Fr. rafale = stormvlaag. / wepel = ledig, verlaten. / r. 23: een ploter van konijnenvellen is iemand die de vachten van de wol ontdoet. / r. 29: continumeisjes = meisjes, die in de fabriek de kleinere katoendraden op spoelen draaien, een Gents woord.
blz. 398 r. 22: aangewreten = aangevreten.
blz. 402 r. 5: bramen: algemeen gezegd voor struiken met doornen. / r. 22: getast: tassen=opstapelen; getast van een menselijke gestalte: zwaargebouwd, ineengedrongen, Fr. tassé.
[p. 814]
blz. 403 r. 2: messing = mestvaalt. / r. 3: ratatoe, naar het Fr. ratatouille = stamppot, inz. van soldaten; N.-Ned.: ratjetoe, rats.
blz. 406 r. 2: op de kappe zitten = hekelen, afgeven op.
blz. 407 r. 3: kregelen: ongewone nevenvorm (Gezelle, Loquela vermeldt ook ‘krekelen’) voor ‘krevelen’ = kriewelen.
blz. 408 r. 1: sjanfoeter: vgl. de aantekening bij blz 323, r. 6. / r. 17: foutu = om zeep.
blz. 409 r. 8: dwaze-kloot = stommerik. / r. 28: op een rote = op een rij, in het gelid.
blz. 410 r. 10: klooten = pesten.
blz. 411 r. 21: stamp = trap, schop.
blz. 414 r. 13: meerschen: natte weiden.
blz. 416 r. 11: guinguette (Fr.) = buitenherberg.
blz. 417 r. 10: eene zaag: een lied dat eindeloos doorzeurt.
blz. 418 r. 3: meerschen: vgl. de aantek. bij blz. 414 r. 13. /r. 20: labbers: labber = labbekak in de betekenis: flauwerik, lafaard. / r. 28: Non, lâchez-moi!...: Neen, laat me gaan! laat me gaan!... ditmaal zal ik hem te pakken krijgen.
blz. 421 r. 12: eigenhartig = stevig; bij den schabbernak pakken: bij de kraag pakken.
blz. 422 r. 29: un doigt de flirt...: een klein flirtje maar, mijn beste, een heel klein flirtje!
blz. 424 r. 24: pot-au-feu = huisbakken.
blz. 425 r. 10: de verscheidene drukte = de menigvuldige en afwisselende drukte.
blz. 426 r. 23: Madame est arrivée: Mevrouw is ter bestemming.
blz. 428 r. 14: met humeur: ontstemd.
blz. 432 r. 7 v.o.: reuzelend: een ritselend geluid makend (van vallend graan bijv.); hier overdr. v.d. gedachten.
blz. 433 r. 31: lijkt aan een kamer: (ge) lijken aan voor (ge)-lijken op; vgl. Fr. ressembler à.
blz. 434 r. 11: de instelling = de installatie, de inrichting. / r. 20: mais il y a trop...: Maar er is te veel, veel te veel!
blz. 435 r. 1: Vous pensez à tout...: U denkt aan alles, Mijnheer Conscience. / r. 6: Oh la! la!... Ei, ik heb mijn handtasch in het hotel achtergelaten! / r. 9: ingesteld = inge-
[p. 815]
richt, van alles voorzien. / r. 27: in elke omstandigheden: ‘elke’, hier ook bij een meerv. subst., in plaats van ‘alle’.
blz. 436 r. 11: hij stak het op: d.i. het (i.p.v. de) sigaret.
blz. 437 r. 25: is niet meer van doen = is niet meer nodig.
blz. 441 r. 19: Voyons, pas de bêtises: Kom nu, geen dwaasheden.
blz. 442 r. 12: Mon Dieu!...: Mijn God! Wat is er?... Wat is er?... / r. 16: Mon Dieu!... Mijn God! mijn God! Wat hebben ze van hem gemaakt?... / r. 30 en 31: een matwitte aangezicht, een blauwe streepje. Bij onzijdige woorden vindt men soms in Z.-Ned. adjectiva met de uitgang -e ook na het onbepaald lidwoord. Voor de e-uitgang der adjectiva zijn moeilijk vaste regels te geven.
blz. 444 r. 7: je suis bien malheureux: ik ben zeer ongelukkig... / r. 14: Mon petit...: Mijn schatje,... mijn liefste schatje... / r. 20: C'est toi?...: Zijt gij 't? ik bemin u...
blz. 445 r. 14: een mondaine restauratiehuis: vgl. de aantek. bij blz. 442, r. 30. / r. 22: hoofdige merken = naar het hoofd stijgende, koppige merken.
blz. 449 r. 16: moogt ge het... gebruiken: in tijdschrift en boek mist het woordje ‘ge’, dat als noodzakelijk is aangevuld.
blz. 451 r. 9: supputeerde hij de waarheid = schatte, berekende hij de waarheid (volgens de voorafgaande veronderstelling).
blz. 452 r. 14 en volg.: Tais-toi!...: Zwijg! Zwijg! om de liefde Gods!
Ik ben niet prikkelend genoeg voor u!
Dood mij, dood mij, mijn arme vriend...
Ik dood mezelf, dat is toch zeker voldoende...
/ r. 21: Pardonne-moi...: Vergeef me... / r. 25: je souffre: ik lijd
blz. 453 r. 25: hij wist dat toch: toch is hier: inderdaad, in elk geval.
blz. 456 r. 1: Nous allons tout recommencer: We gaan alles van vooraf aan beginnen.
blz. 458 r. 2: met een even zoo ruime scheidde: lees: van ...scheidde. / r. 13: alaam = gereedschap. / r. 22: zijdemoor (moiré) = gewaterde zijden stof.
[p. 816]
blz. 459 r. 4: een speelservies bevat wat nodig is bij verschillende salonspelen.
blz. 460 r. 4: Dieu! que c'est drôle!: God! wat is dat koddig! / r. 30: C'est adorable...: 't Is heerlijk,... ik zal me vermaken met allerlei schoteltjes te bereiden, op z'n Engelsch.
blz. 461 r. 6: Mon petit...: Kindje... ge zijt een afgrond van onwetendheid.
blz. 463 r. 17: Tu es superbe: Ge zijt verrukkelijk.
blz. 464 r. 28: Je suis parfois bien seule ici: Ik voel me soms wel erg eenzaam hier.
blz. 465 r. 8: Embrasse-moi: kus me.
blz. 466 r. 12: Vois-tu...: Ziet ge... dat is niet langer te doen, het beult me af en ik verkies den Grooten Cathechismus van Mechelen.... / r. 21: Tu grondes toujours...: Gij kijft altijd, mijn arme lieveling, maar ge ziet het wel: ik ben tot niets in staat...
blz. 467 r. 8: ongeroerd = onaangeroerd. / r. 13: Guido Gezelle, toen hij lapprofessor was...: Gezelle werd te Roeselare eerst belast met verschillende cursussen, die hem eigenlijk niet pasten. / r. 29: botvink: naam van de gewone vink.
blz. 468 r. 27: voilà le manteau...: kijk eens hier, dat is de mantel, dien Paul voor mij koopen moet!
blz. 470 r. 17: le premier mardi du mois: den eersten Dinsdag der maand. / r. 24: C'est monsieur...: Het is van Mijnheer Reaal die soms zijn geldbeugel vergeet. / r. 31: et quand monsieur Reaal...: en als mijnheer Reaal me bekent dat hij zijn beurs vergeten heeft, wat wilt ge dan dat ik doe?
blz. 473 r. 6: Mon tout...: Mijn alles, ge geeft u veel moeite voor mij... en ik slaag er niet in u er voor te beloonen, eilaas!... / r. 27: si mon chéri...: indien mijn lieveling mij betrapt, zal hij er mij van langs geven!...
blz. 474 r. 12: Corde:présage...: koord: voorspelt een aanstaande breuk, of een zware ziekte - indien het een gehuwd persoon betreft, is huishoudelijk krakeel te duchten, dat op echtscheiding kan uitloopen... / r. 20: Clef des Songes: deze ‘Sleutel der Droomen’.
blz. 475 r. 8: mon doux petit: Mijn zoeteke.
blz. 476 r. 25: Mon chéri...: Mijn lieve, lieve jongen, ge verwent me.
[p. 817]
blz. 478 r. 21: Mon chéri embrasse moi...: Lieveling, omhels me... Hoe stelt gij het?
blz. 480 r. 4: taste hij = laadde hij. / r. 9: C'est idiot...: Het is idioot zich om beuzelarijen ziek te maken. / r. 11: Mais je ne suis pas malade...: Maar ik ben niet ziek, lieveling, ik ben alleen maar een beetje droef... Ziet ge, ik had ons huisje zoo lief ingericht. / r. 20: Et toi...: En gij, hebt gij veel geleden?
blz. 481 r. 13: den haard... den gezelligen zetel: accusatiefinplaats van nominatiefvormen; in Vlaanderen nu nog o.m. vóór de h een gewoon verschijnsel.
blz. 482 r. 3: Je n'aime pas de sortir...: Ik rijd niet graag uit in uw grooten auto... Luister, ge gaat lachen: ik zou een klein paardje willen hebben met een cabriolet. / r. 8: C'est tout?: Is dat alles?
blz. 483 r. 25: Tu sais, chéri...: Hoor eens lieveling... ik heb het niet over mijn hart kunnen krijgen Pip in den steek te laten.
blz. 484 r. 9: Eh! bien,... je me passerai...: Ho, goed..., dan zal ik het zonder het paard wel stellen.
blz. 487 r. 17: Peut-être mademoiselle...: Wellicht wil Mejuffer mij de eer aan doen ook deze rijdende schuilplaats voor goed te nemen?
blz. 488 r. 12: mouterheid: rijpheid. / r. 30 tot blz. 489 r. 7: Mon petit, j'ai besoin...: Mijn kindje, ik heb vergiffenis en liefde noodig... ik ben als een tuin, waar een ontzaglijke zwerm ongedierte door gevaren is - maar de tuinman is gekomen en zie, nu ben ik een gesnoeid en zeer zuiver bloemperk, waar de wind aanzwelt onder azuren koepel en aeolische stemmen zingen... Mijn kindje, mijn aangebeden kindje, hoe heb ik u den smaad kunnen aandoen uw geduld, uw zachtheid en uw oogen vol tranen aan mijn zwakheid op te offeren?
blz. 489 r. 24: duurbare rust = duurzame rust.
blz. 490 r. 23: begreep niets aan die lusteloosheid: begreep niets van..., naar het Fr. ne rien comprendre à...
blz. 493 r. 18: Chéri, pardonne moi...: Lieveling, vergeef me... ik ben een beetje... een beetje -
[p. 818]
blz. 494 r. 26: Je l'aurais tant aimé!: Ik zou er zooveel van gehouden hebben!
blz. 495 r. 3: verrechtvaardiging: rechtvaardiging, met versterkend praefix, gewoon in Z.-Ned.
blz. 496 r. 20: gras kappen = gras maaien (hier met een grasmachine).
blz. 499 r. 27: et vogue la galère: en vooruit dan maar.
blz. 502 r. 25: op spadrillen loopt: spadrillen = lage schoen met zolen van spartagras en de bovenzijde van grof linnen; (uit Provençaals espardillo, vervorming van espartillo, afgeleid van espart ‘spartagras’), geliefkoosd schoeisel van dieven
blz. 507 r. 12: ze trok op de teugels: ze trok de teugels aan. / r. 22: gracht = greppel.
blz. 508 r. 10: een zoet-gele lamplicht: vgl. de aantek. bij blz. 442, r. 30.
blz. 512 r. 26: veilleuse = nachtlampje.
blz. 515 r. 26: Alors... Ces Messieurs...: Welnu... willen de heeren zoo goed zijn mij te volgen?
blz. 516 r. 27: la plus exquise...: de verrukkelijkste aller Parijsche dames. / r. 30: Une femme très littéraire...: een bijster litterair-aangelegde vrouw, mijn beste, en die heerlijk weet te converseeren.
blz. 517 r. 6: J'adore cet écrivain...: Ik houd dolveel van dien schrijver... misschien wel omdat hij de spot drijft met iedereen en meest van al met de vrouwen. / r. 14: Je l'aime moins que vous: Ik houd minder van hem dan u. / r. 17: c'est un esprit exercé...: het is een geest gedrild om fraaien vorm aan armen inhoud te geven en zijn scepticisme verbergt ternauwernood een jammerlijke sentimenteele zwakheid... komaan Constant, drink eens van dat goedje, gij ziet er uit, alsof ge van de begrafenis der Vlaamsche Letteren kwaamt. / r. 24: buvons à quelque chose: laten we op iets klinken... / r. 30: ces sommets de la beauté...: die toppunten van vrouwelijke schoonheid, waarvan men niet zeggen kan of zij elkander evenaren dan wel overtreffen.
blz. 518 r. 13: adorablement: aanbiddelijk. / r. 17: Vous vous moquez...: Ge spot .. ik heb daar Massenet geëxecuteerd op de wijze van mijnheer Deibler, maar men heeft mij gezegd,
[p. 819]
dat ik als kind vrij correct speelde. Mijn vader was, geloof ik, een zeer befaamd orgelist, (daar ‘exécuter’ ook uitvoeren betekent, is de woordspeling onvertaalbaar). Maar u speelt als een volmaakte muzikante.
/ r. 29: Eh bien! que dis tu...: Hewel! wat zegt ge van mijn nieuwe creatie?
blz. 519 r. 6: Elle est trop bête...: Ze is me te dom. Ik heb haar voor dat uilskuiken van een Bontemps bestemd.
blz. 520 r. 7: nous allons danser...: we gaan een tangopas dansen, Herman zal ons begeleiden.
blz. 521 r. 9: Horace, recommence...: Horace, dans die tango nog eens met haar; ge zult zien, ze danst heel goed. / r. 26: Merci, c'est fort bien...: Dank u... 't is heel aardig, op mijn woord!
blz. 529 r. 26: Jérôme Duquesnoy: Duquesnoy of du Quesnoi is de naam van een geslacht van beeldhouwers in de Zuidelijke Nederlanden. V.d.W. zal hier denken aan Jérôme (Hieronymus) de Jonge (1602-1654) die o.m. vier marmeren apostelbeelden schiep in de Ste Goedele kerk te Brussel en de graftombe van Anton Triest te Gent.
blz. 530 r. 7: Salve, cura deum = welkom, beschermeling der goden. / r. 27: druistig: opbruisend, wild.
blz. 531 r. 8 en 9: Ah Paul le coquin...: - Ha dien deugniet van een Paul!... en hoe staat het met zijn minnespel? / r. 31: Casta placent Superis! = Kuischheid behaagt de goden.
blz. 536 r. 17 en volg.: Salve nec minimo... enz. Bisschop Marcus citeert hier uit de Lesbia-liederen van Catullus (II, 43 1ste helft), een hekelgedichtje op een meisje; de vertaling luidt:
 
Heil u meisje, dat noch een klein neusje bezit,
 
noch mooie voetjes, noch donkere oogjes
 
noch lange (smalle) vingers, noch een droge mond
 
noch waarlijk een bijzonder bekoorlijke smaak.
In de vierde regel staat in tijdschrift en boek ‘elegantis’, dat verbeterd dient te worden in elegante.
blz. 536 r. 21: pour l'amour du latin = om der wille van het Latijn...
blz. 537 r. 31: zucht naar een kindje: zucht = verlangen.
blz. 542 r. 7: keest = kiem.
[p. 820]
blz. 546 r. 18: de chrysalide = vlinderpop.
blz. 549 r. 21: sans peur et sans reproche: zonder vrees of blaam.
blz. 557 r. 2: ‘sac-arabe’-meubelen: stoel- en zetelensemble, geheel met oosters tapijtgarneersel overdekt, rond 1900 zeer in de mode, maar ver van voornaam.
blz. 561 r. 19: Fiene. In boek- en tijdschriftuitgave las men (alleen op deze plaats) voor de naam van de Koninck's vriendin: Leene, zoals oorspronkelijk V.d.W.'s keus was (vgl. deze aantek. blz. 794). Terwille van de eenheid is ook hier thans Fiene gedrukt.
blz. 564 r. 26: ‘garni’-araucariatje: een araucaria, zoals men die pleegt te vinden op een gemeubileerde huurkamer (garni); men kan ook denken aan een araucaria, waarvan de stengel met een lint en (of) strikken is omwonden (gegarneerd), zoals ouderwets gebruikelijk was.
blz. 567 r. 22: zich vermoeien van iets = iets moe worden, genoeg krijgen van..., vgl. Fr. se fatiguer de...
blz. 569 r. 8 en 9: Vous voudrez bien...: U zult me wel willen toestaan mijn souper te eindigen, nietwaar? / r. 10: Puisqu'il est...: Vermits hij in handen is van mijn collega de Koninck. / r. 18: Vous êtes bien sûr...: U is er wel zeker van dat het die... juffer is, die geschoten heeft? / r. 24: N'insistez pas, je vous prie: Spaar u de moeite van verderen uitleg.
blz. 570 r. 9: Vous ne deviez pas...: U hoefde daarvoor op mij niet te wachten.
blz. 572 r. 19: vertoonen komt: de zin in de tijdschrift- en boekuitgave eindigt met: in vertoonen komt. Na ‘waarbij’ (r. 16) en ‘in een jongelingsrol’ (r. 17) is dit tweede ‘in’ overtollig, althans voor het N.-Nederl.
blz. 573 r. 9: Oui, je veux marcher...: Ja, ik wil recht en kalm door het leven gaan. / r. 27: met schamper spijt: V.d.W. gebruikt spijt nu eens mannelijk, dan, als hier, onzijdig. Het woord heeft in het Vlaams de betekenis wrok, wrevel, behouden.
blz. 574 r. 9: groote plaatsen = dure, voorname plaatsen. / r. 12: weepsch = laf, zouteloos. / r. 25: smoutebollen = oliebollen.
[p. 821]
blz. 575 r. 14: atactisch: vgl. de aantek. bij blz. 123 r. 20.
blz. 578 r. 3: cabochon (Fr.) = bolvormig geslepen steen. / r. 31: rouerie: (Fr.) = leepheid, doortraptheid.
blz. 590 r. 4: goed-getasten ondergrond: goed opeengepakte, vaste bodem.
blz. 594 r. 9: Van... te hebben ingeademd kan een keer geven: een door V.d.W. veel gebruikte infinitivus-constructie onder invloed van het Frans: d'avoir aspiré...
blz. 595 r. 19: en die bij afslijting en misschien onbewuste levensvrees helaas passief werd: deze betrekkelijke bijzin slaat terug op ‘de Gentsche familie’; men versta dus ‘en die’ als ‘die namelijk’.
blz. 596 r. 11: Vergeet niet, dat geene betere werkelijkheid is dan zelf gevoelde harmonie: ‘is’ heeft hier de kracht van ‘bestaan’, ‘er zijn’; men versta dus: dat er geene betere werkelijkheid is... Onzeker blijft of het weglaten van ‘er’ schrijffout van V.d.W. of zetfout is, dan wel taaleigen.
blz. 600 r. 10: kwâperte = snaak, kwajongen (ook kwapits of kwapoets). / r. 30: il faut cependant...: maar men moet de jeugd nu eenmaal uitvieren.
blz. 601 r. 2: dat ik er mij aan verwachten moest: vgl. de aantek. bij blz. 122, r. 11: / r. 26: de aanzettende gewaarwording = de aangroeiende, toenemende gewaarwording.
blz. 603 r. 5: den koffie: in Z.-Ned. wordt koffie meestal mannelijk gebruikt evenals thee, tabak, chocola.
blz. 604 r. 13: vout = gewelf.
blz. 607 r. 21: serres chaudes: warme broeikassen. / r. 23: nobillon: iemand die tot de kleine adel behoort; in Gent meestal ironisch of pejoratief gebruikt.
blz. 609 r. 21: non sum dignus = ik ben het niet waardig. / r. 29: dicamus bona verba = laat ons goede woorden spreken.
blz. 611, r. 18: hunner amoraliteit: in tijdschrift en boek las men hunne, dat als drukfout is te beschouwen. / r. 29-31: tout le malheur des hommes: zich niet rustig te kunnen houden in een kamer is de oorzaak van alle menschelijke ellende.
blz. 612 r. 8: een zucht in dubbelen zin: zucht in de betekenis van verlangen.
[p. 822]
blz. 616 r. 20: gij hebt afgezien = gij hebt geleden.
blz. 618 r. 20: Les passíonnés auront vécu: De hartstochtelijken zullen geleefd hebben. / r. 22: Tu quoque?: Ook gij?
blz. 619 r. 8: gilden vrouwen op kinderen: gilden op- = tegen kinderen. / r. 15: der riool: riool (vr.) betekent in het Z.-N. ook goot.
blz. 620 r. 6: landbouwalaam = landbouwwerktuigen. / r. 15: of troffen hem aan = of we troffen hem aan; het pronomen als onderwerp gebruikt, wordt, indien al eerder genoemd, na ‘of’ weggelaten, evenals in oudere taal. / r. 25: d'Artagnan-prestantie: bravourhouding (prestance) als van d'Artagnan.
blz. 621 r. 21-23: Tous des idiots...: allemaal idioten. Vermiljoen met een ietsje karmijnlak: groen, zeg ik u, want garancinelak is veel te duur (Fr. garance = meekrap). / r. 25: ondernam = aanpakte, onder handen nam, Fr. entreprendre quelqu'un.
blz. 622 r. 26: de ros: een hevig scheldwoord: feeks, kreng.
blz. 623 r. 8: le secret professionnel: het beroepsgeheim. / r. 22: dwazekonte: dom wijf. / r. 29: vert cinabre foncé: donker-cinabergroen.
blz. 624 r. 9: domen der boomgaarden: V.d.W. gebruikt meermaals een meervoud ‘domen’ = koepels, gewelven, (Fr.: domes); vgl. in de poëzie ‘Het Menschelijk Brood’ (dl. I, blz. 468): ‘waar om de keelen domen slingren/sinooplen loovren... / r. 27: geënvouteerd = betoverd. / r. 28: Mais alors tu es fichu,...: Maar dan zijt ge naar de maan, mijn arme vriend!
blz. 628, r. 1: Het stelde een ronden wijden bornput voor...: V.d.W. doelt op de fontein met vijf knielende jongelingsfiguren, door Minne gemaakt in 1898 en veel later opgesteld dicht bij het Belfort te Gent (en ook te Brussel, achter het Parlementsgebouw).
blz. 628 r. 13: Quoi! ce sont des gosses... Wat! Het zijn jongetjes, die kringetjes maken in het water! / r. 28: door den kommer van het leven, de opheffing tot het licht: De ontwikkelingsgang van Minne, waarover V.d.W. hier de beeldhouwer zelf ontboezemingen in de mond legt, heeft de dichter herhaaldelijk in verwante zin uiteengezet. Ik verwijs
[p. 823]
naar de opstellen over Minne in ‘Kunst en Geest in Vlaanderen’ en in ‘De Schroeflijn’ I. Van de reeks artikelen in de N.R. Ct., waarin de groei van Minne's werk besproken werd, noem ik: G. Minne in de Galeries Giroux te Brussel (6 Febr. '20 Av.), Kunst te Brussel (25 Oct. '21 Av.; 7 Oct. 23 Ocht.; 3 Nov. '25 Av.; 23 Nov. '26 Av.) en Voorloopers I (22 Dec. '27 Av.)
blz. 634 r. 10: een monstermeeting tegen de nieuwe schoolwet: Met de strijd om de schoolwet, die in het laatst van 1913 en de eerste maanden van '14 in parlement en volk gestreden werd, heeft V.d.W. hartstochtelijk meegeleefd. Over de kamerdebatten schreef hij als correspondent van N.R. Ct. een lange serie artikelen. Opgewonden brengt hij verslag uit van een monstermeeting, soortgelijk als hier beschreven staat, te Brussel. (‘De Taalstrijd’, 12 Febr. 1914 Ocht.). In een volgend artikel (‘“Moedertaal-Voertaal” en de Regeering’, 19 Febr. 1914 Ocht.) wijst hij op het gevaar van allerlei geknoei, als het gezinshoofd verklaren moet, wat moedertaal of gebruikelijke taal is, Vermeylen aanhalend, die op de Brusselse meeting over die Vlaamse père-de-famille zei: ‘Men heeft hem zijn Vlaamse beenen gebroken en nu zegt men hem: dans maar!’ / r. 29: de Woestisten: de aanhangers van de conservatief-katholieke, anti-Vlaamse leider Woeste, die V.d.W. als parlementair correspondent met grote felheid placht te critiseren.
blz. 636 r. 5: boel met bourgeois!: drastische zegswijze = bende van bourgeois. / r. 10: Quel type... Wat 'n kerel, uw oud-leeraar van energie! / r. 17: tu as raison: ge hebt gelijk.
blz. 637 r. 1: gepailleteerde gommeuses = mode-gekken in kleren vol pailletten (metalen lovertjes). / r. 12: Brantôme: kamerheer van Karel IX, ong. 1527-1614, hij gaf een spiegel van zijn tijd in zijn ‘Mémoires’. / r. 13: Claudine-à-l'Ecole: de benaming is ontleend aan de gelijknamige titel van de bekende roman van Gabrielle Colette. Het was een japon, dichtgesloten als van een schoolgaand bakvisje. Zulk een dracht geleek ook op het fourreau-kleed (r. 15), dat het lichaam als in een schede klemde. / r. 16: Comme si ça nous rajeunissait!: alsof ons dat verjongde! / r. 26: de Ionische be-
[p. 824]
naming van den maagdengordel: Wat V.d.W. bedoelt hangt af van de interpretatie die men aan ‘gordel’ geeft. Is het de band, waarmee het kleed gegord werd, dan luidt de Ionische benaming ζώνη (zonè), een woord, dat echter slechts een maagdengordel aanduidt in uitdrukkingen als ‘zonam solvere’, het ontbinden door de bruidegom van de schaapslederen gordel der bruid. (vgl. Pitiscus, Lat. Ned. Woordenboek 1781). Vreemd past deze bijnaam echter om als hier een drietal zusters te typeren. Het komt mij dan ook waarschijnlijker voor dat V.d.W. ‘gordel’ gebruikte in de zin van kring of krans en met de maagdengordel de kring der verstrengelde gratiën bedoelde, die met hun ‘Ionische benaming’ Charites heten, zodat de gehele wending slechts een omschrijving is van ‘de drie sapphische Chariten’ (r. 23). / r. 30: Réjane (Gabrielle Réju) was een bekende Franse comédienne (1836-1920).
blz. 639 r. 7: de kanten barbe = de neerhangende kanten rand. / r. 26: petit-fer-haar: met klein ijzer gefrizeerde haartooi.
blz. 640 r. 7: mariage blanc: een huwelijk waarin van alle geslachtsgemeenschap afgezien is; vandaar de hier toegepaste benaming voor de vrouw: dame blanche. / r.29: la débauche: de losbandigheid.
blz. 642 r. 15: ontkreising: germanisme: verlossing uit een omsluitende cirkel.
blz. 643 r. 20: le corps de balais: het bezem-corps (een tamelijk banale woordspeling op grond van de gelijkluidendheid met le corps de ballet: het ballet-corps). / r. 28: verdompt: van dompen = smoren, doven, gebruikt V.d.W. verscheidene composita. Zo in ‘Blauwbaard’ omdompen (vgl. de aantek. in dl II bij blz. 110, r. 16).
blz. 644 r. 8: moeilijk om ontdekken, veel voorkomend Belgicisme voor moeilijk (om) te ontdekken. / r. 17: Merovackbaard: baard met hangende knevels als de oude Merovingers.
blz. 645 r. 27: un produit comme le sucre et le vitriol?: een product als suiker en vitriool?
blz. 647 r. 2: odontoglossum: een soort orchidee uit tropisch Afrika.
[p. 825]
blz. 649 r. 5: ging kultureel achter: geraakte kultureel achterop.
blz. 650 r. 5: une rixe: een ruzie. / r. 6: une attrapade: een vechtpartij. / r. 12: Tirez le par le nez, le morveux!: Pak hem bij zijn neus, dien snotaap! / r. 13: L'aura, l'aura pas!: ze krijgt hem! ze krijgt hem niet!
blz. 651 r. 7: le saligaud! Mais c'est fini: de geilaard! Maar 't is uit! / r. 8: Je suis ta femme...: Ik ben uw vrouw, hoort ge 't? Van u alleen, van niemand dan van u! / r. 9: 'k Heb te veel afgezien = 'k Heb teveel geleden. / r. 24: odontoglossum: zie de aantek. bij blz. 647, r. 2.
blz. 653 r. 7: menschen, die... gebeurende zijn: gebeuren betekent hier: handelen, in levende actie zijn. / r. 8: straks... dan weer = nu eens... dan weer.
blz. 654 r. 20: zanter = aren-lezer.
blz. 662 r. 27: vous me gâtez: ge verwent me.
blz. 665 r. 2: nous sommes terriblement en veine: we hebben vreeselijk veel geluk. / r. 6-9: As de carreau!... Ruitenaas! En de zeven! En de acht! 't Is ongehoord hoeveel goud er in die zaak steekt. Ruiten-tien! De boer! Voorwaar, Mevrouw, u wordt miljoenen-rijk! / r. 13: Et puis?...: En dan?... En dan?... Ge moet alles zeggen. / r. 19: Aie, la dame de pique!: Oei, schoppenvrouw! / r. 21: Elle tombe mal...: Ze komt slecht uit, dat is natuurlijk een tegenvaller... / r. 24: Le roi de trèfle: klaverheer! / r. 29: A-t-on jamais...: Hebt ge ooit zooiets gezien? / r. 31: Madame, voilà...: Mevrouw, dit is wel de volmaaktste horoscoop die er is. U hebt niets meer te wenschen en de vervulling van uw wenschen zal uw verwachtingen overtreffen.
blz. 666 r. 4: Vous m'en voyez ravi: Ik ben er uitermate gelukkig om.
blz. 673 r. 7: falbala: (Fr.): ruim geplooid boordsel van een japon. / r. 16: het japon: afwijkend geslacht. / r. 28: najaarstwijn = herfstdraden; twijn = tweedraadsgaren.
blz. 674 r. 15: Je suis heureuse...: Ik ben gelukkig. / r. 31: Tout est bon...: Alles is goed, alles is zoet, ik ben gelukkig.
blz. 675 r. 15: teemsde: teemsen = ziften, zeven.
blz. 676 r. 24-25: mais j'ai comme un petit glaçon...: Maar:
[p. 826]
't is net of ik een ijsklontje in mijn hart voel - neem me niet kwalijk.
blz. 677 r. 13: Je suis heureuse...: Ik ben gelukkig! Ik ben goddelijk gelukkig!
blz. 679 r. 25: J'ai peur de mon bonheur: Ik ben bang voor mijn geluk.
blz. 689 r. 18: à l'emporte-pièce: met scherp inslaande argumenten.
blz. 692 r. 4: Oh! non...: O! neen... niets... ge zijt goed.
blz. 694 r. 15: ne laisse pas parler...: laat mijnheer Conscience niet spreken. Vergeef mij! / r. 25: Je l'aime tant... Ik houd zooveel van haar. Ze is ouder geworden, ziet ge. Ik dacht haar een of ander kleed te geven. / r. 30: Tu m'en veux?: Zijt ge boos op mij?
blz. 696 r. 16-19: Fais donc à ta convenance...: Handel dan volgens goeddunken. Ik betreur het werkelijk op geen enkele wijze van nut te kunnen zijn.
Ge zijt me meer dan nuttig, m'n jongen; ge zijt me, in alles, onmisbaar.
blz. 698 r. 10: al zich te verontschuldigen: terwijl hij zich verontschuldigde.
blz. 702 r. 6: een bellâtre: een fat.
blz. 706 r. 6: winket = loket. / r. 7: warande: wandelpark, te Brussel voor het paleis. / r. 17: ketjes: Brusselse straatjongens. / r. 31 en volg.: Attention...: Opgelet, baby, eisch kwitanties!
blz 707 r. 15: de genickleerde gelukzak: de buitengewone gelukzak, naar het Fr. nickeler, hier in figuurlijke zin gebruikt. / Ce que c'est qu'une femme prévoyante: Wat een vooruitziende vrouw toch is. / r. 24: mais on jase...: maar er wordt over u gebabbeld. / r. 26: enfin c'est assez: Nu, laten we 't daarbij.
blz. 708 r. 1 tot 9: Wat uit Bontemps' klauwen gered werd...: In de hier volgende passage bevreemdt het, dat de rollen van de verteller (Druce) en de nog onwetende vrager (Teirlinck) verwisseld worden. Ik veronderstel dan ook, dat in de tijdschrift- en boekuitgave fouten zijn ingeslopen bij de verdeling der alinea's, zodat men behoort te lezen:
[p. 827]
- ‘Wat uit Bontemps' klauwen gered werd, zal dus wel langs een anderen weg verloren geraken?’
- ‘Juste retour...’
- ‘Weet ge ook wat er met Renier is gebeurd?’
- ‘Ja. Het is zeer treurig.’
- ‘Heeft hij in die schurkerij alles verloren?’
- ‘Alles of bijna... enz.
/ r. 3: Juste retour: elliptisch voor: Juste retour des choses d'ici bas (Molière, Tartuffe): Dat is het verdiende loon. / r. 13: c'est renversant: 't is ontzettend. / r. 26: Juste retour, vgl. r. 3; het betekent hier: rechtmatige vergelding. / r. 29: c'est délicat: het is delicaat.
blz. 709 r. 1: Celle-là, c'est une sainte: Die, dat is een heilige. / r. 12: Bonne chance!: Veel geluk!
blz. 713 r. 19: mijne assiduiteiten bij Simone: Fr. assiduités = grote belangstelling, hofmakerij.
blz. 718 r. 1: Je dois casser la gueule à quelqu'un: Ik moet iemand den schedel inslaan. / r. 14: Je viderai donc...: Met dien zal ik dus mijn geschil beslechten.
blz. 719 r. 21: Ces sortes d'affaires...: Door te zwellen verliezen zulke dingen van hun gewicht.
blz. 720 r. 14: rost: bijvorm van ros. / r. 16: A la bonne heure!: hier: wat een blijde verrassing!
blz. 722 r.: (achttienduizend) patatjes = geldstukken, d.i. franken, volkstaal.
blz. 723 r. 25: kazakdraaier: iemand die van partij verandert, ook kazakkeerder. / r. 28: gepistonneerd: duchtig achter de schermen geholpen.
blz. 724 r. 13: de perentijd is voorbij: zinspeling op de bet. van het Fr. poire (peer) = het kind van de rekening, uilskuiken; hier: we willen niet bedot worden; verg. blz. 743, r. 21, waar ‘poire’ een zachtere betekenis heeft. / r. 23: koejonneeren: treiteren, het leven zuur maken, naar het Fr: couillonner.
blz. 727 r. 24: de wattman = de trambestuurder.
blz. 727 r. 29 - blz. 728 r. 11: Un incident d'ordre privé...: Een incident van privaten aard heeft aanleiding gegeven tot een tweegevecht met het pistool tusschen den heer Horace Druce, den bekenden horse-rider, en den heer Henri de
[p. 828]
Pessemier, broeder van den eersten questor der kamer. De tegenstanders, die respectievelijk bijgestaan waren door de h.h. baron de Beauffort en den artillerie-kapitein Zondervan eenerzijds en de h.h. Wausart, voorzitter van het Brouwerssyndicaat en den provincialen griffier Peterselie anderzijds, hebben elkaar ontmoet in een particulier eigendom aan de Tervuerensche laan. Het gevecht werd geleid door baron de Beauffort, wiens kieschheid in eerezaken in wijde kringen bekend is. Twee schoten werden gewisseld, zonder resultaat. De h.h. Druce en de Pessemier hebben zich op het terrein met elkander verzoend.
blz. 732 r. 20: een zachte en rijkbonte licht: vgl. voor de uitgang van het adjectivum de aantek. bij blz. 442 r. 30.
blz. 734 r. 21: J'adore... ces lieux mystérieux...: Ik houd veel van deze mysterieuze plaatsen, - men komt er geen levende ziel tegen. En toch is wat men er ziet veelal bewonderenswaardig. Bekijk die prachtige kazuifels eens. / r. 27: Savezvous bien, chérie...: Weet u wel, melieve, dat al dat heerlijke uit vroeger tijden uw schoonheid een heel bijzonderen luister bijzet?
blz. 735 r. 3-10: Il est donc exact...: Het is dus waar... dat de situatie, waarin die sukkel van een Bontemps u achterlaat, schitterender is dan ik durfde hopen? Dat is inderdaad gelukkig, en ik felïciteer u. Thans komt het er op aan dit zoo handig verworven bezit in veiligheid te brengen, en ik verzoek u op mij te rekenen. Want ik durf hopen dat u mij verder uw vertrouwen zult blijven schenken... / r. 12: Mais que puis-je sans vous...: Maar wat kan ik zonder u doen? Gij weet het maar al te goed.
blz. 736 r. 3: de pikkels: de poten.
blz. 739 r. 1: Tu as une figure d'enterrement: Gij trekt zoowaar een lijkbiddersgezicht. / r. 15: une curiosité de flaneur: een nieuwsgierigheid van een slenteraar.
blz. 740 r. 7-10: Monsieur le Comte... peut être assuré...: Mijnheer de Graaf... mag er van verzekerd zijn, dat zijn bezoek mevrouw genoegen zal doen. Indien mijnheer de Graaf en mijnheer de Markies zoo goed willen zijn mij te volgen... / r. 12: Elle est seule...: Zij is alleen, ja zeker. Mijnheer de Hertog heeft mevrouw ongeveer een uur gele-
[p. 829]
den verlaten. / r. 19: in laaie lichte: ongewoon voor: in lichte laaie.
blz. 741 r. 4: Flatteur!: Vleier! / r. 9: nu ze voorkwam = nu ze naar voren kwam. / r. 22: Glissons: Laten wij er over heen glijden.
blz. 742 r. 14-16: Mais non... Adrien n'est pas...: Wel neen... Adriaan is nu niet dommer dan hij vroeger was.
blz. 743 r. 4: En effet. A aucun prix: Inderdaad. In geen geval. / r. 21: parce que c'est une bonne poire: omdat hij een goedzak is; zie de aantek. blz. 724 r. 13. / r. 27: de mooiste môme: de mooiste meid; môme (Fr.) is Parijs argot voor deerne.
blz. 744 r. 3: Mais sacredié!: Maar sakkerloot! / r. 4: Ah! oust! j'en ai assez, à la fin!: Ha! D'r uit. Ik heb er genoeg van, op den duur. / r. 11: vous tous de la haute: gij allen van den hoogeren stand.
blz. 745 r. 25-27: Et quand, princesse...: En wanneer, prinses, zullen wij het genoegen hebben u op de renbaan te zien? Uw aanwezigheid kan niet anders dan het prestige verhoogen van de turfgodinnen.
blz. 750 r. 10: Madame Hortense, conseils, soins, discrétion: Mevrouw Hortense, raadgevingen, zorgen, discretie. / r. 25: L'Eventail: een Brussels mondain blad.
blz. 751 r. 16: van zijn ambt te ontslagen = uit zijn ambt te ontslaan; ‘ontslagen’ is een oudere, in het Vlaams nog gehandhaafde vorm. / r. 27: Is hij Bontemps niet gaan vervoegen: iem. gaan vervoegen = zich bij iem. (ver)voegen, vgl. Fr.: rejoindre quelqu'un.
blz. 753 r. 7: N'est ce pas, ma chère enfant!: Is het niet zoo, lieve kind! / r. 11: Pauvre ange... la voilà...: arme engel... het geluk heeft haar totaal overweldigd.
blz. 757 r. 21-27: Une pointe de matité...: Een geringe, nauwelijks merkbare dempingszone aan de basis van de linkerlong; een heel lichte hartbeklemming; een lichte neiging tot emphyseem. Het is niet erg! Ik heb hem de bergen ingestuurd: over drie weken valt er niets meer te bespeuren. De Brusselsche omgeving deugde niet meer voor hem: dat is ongeveer alles.
[p. 830]
blz. 758 r. 19: eigenmoedig = uit eigen gemoed, aandrift; voor de vorming vgl. ‘eigenhartig’ op blz. 421 r. 12.
blz. 759 r. 5: mariage de raison: verstandshuwelijk.
blz. 764 r. 23: haemoclase: verandering in de physico-chemische staat van het bloedplasma.
blz. 766 r. 21: ik ken Mornar tot alles in staat: ik weet M. tot alles in staat.
blz. 767 r. 12: eerbied-malgré-tout: eerbied-ondanks-alles.
blz. 768 r. 2: cicatriseerende... hoedanigheden: Fr. cicatriser = tot een litteken herleiden, dus doen genezen, helen. / r. 12: dat men zich kan toedenken = voor zich zelf kan uitdenken. / r. 21: Gamin!: Kwajongen! / r. 30: duiker: iemand die wat te verbergen heeft, of verbergt, dikwijls (niet hier!) in de ongunstige zin van ‘gluiper’.
blz. 769 r. 13: pieperken-duik spelen: verstoppertje spelen. / r. 15: comme de juste: zoals het hoort.
blz. 770 r 9: er den held van te zijn: de accusatiefvorm den vóór h komt in V.d.W.'s poëzie veelvuldig, maar ook meermalen in zijn proza voor, is trouwens gewoon in de Vlaamse dialecten.
blz. 771 r. 5: Habent oculos...: zij hebben ogen; het volledig citaat luidt: zij hebben ogen, maar zien niet.
blz. 772 r. 16: Mais passons...: Maar genoeg... / r. 20: synoniem van vrede: onder invloed van het Fr. ‘de’ voor synoniem met vrede. / r. 22: omdat wij wandelen zouden: omdat, een elliptische uitdrukking voor om die zake dat, gaf in het Mnl. het doel te kennen, was dus = opdat, en is dat nog in Z.-N.
blz. 773 r. 17: een groot roman: ongewoon onzijdig geslacht van roman. / r. 25: dans le silence du cabanon: in de stilte van zijn krankzinnigencel.
blz 774 r. 30: Zij is van die vrouwen, die... = zij behoort tot die vrouwen, vgl. Fr. ‘être de’.
blz. 776 r. 28: départ à l'anglaise: vertrek zonder officieel afscheid te nemen.
blz. 778 r. 6: vader en moeder d'Onghena zijn overleden. Zoals blijkt uit de psychologische fiches, die Teirlinck in zijn inleiding citeert, dacht V.d.W. zich de hier volgende passage
[p. 831]
oorspronkelijk anders: hij zou zelf bij het sterven van de oude mevrouw d'Onghena aanwezig zijn geweest.
blz. 780 r. 15: Cornelie de Pessemier-Mornar en ik: in de Gids en in de boekuitgave las men: ‘Cornelie de Pessemier, Mornar en ik.’ Daar de heer Mornar Sr. niet bij het gesprek aanwezig is en Paul Mornar al genoemd is, lag de gekozen verbetering voor de hand.
blz. 788 r. 24: pistolet braqué sur le coeur de l'Angleterre: pistool gericht op het hart van Engeland. / r. 30: moeilijk om zeggen: voor een infin. die als bepaling optreedt bij een bijv. naamw. plaatst men in Vlaams België vaak ‘om’ en niet ‘om te’, evenals in de oudere taal en in het Frans.
blz. 789 r. 4: vier en half voor vier en een half, onder invloed van het Frans: quatre et demi.