[p. 1]
[MB] Het menschelijk brood
- Wanneer, geteekend met de onloochenbaarste merken,
- hoe lastig nog zijn leên van lijdelijken groei,
- 't argwanig kind den eersten drift in zich voelt werken
- en schaduw werpen op zijn plots-beschaamd gestoei;
-
- 5
- - wanneer, zijn woel'gen nacht bezocht van de eerste
wake,
- 't gewassen kind zijn eerste vrees voor 't leven kent
- en, kwell'ge koestering, de koortse van zijn kake
- met de eêle pijne van zijn duistre naeglen schendt;
-
- - wanneer, doordeesemd van het eindelijk bevroeden,
- 10
- doorkeend van 't wekkend gif der wilde wetens-pijn,
- 't volvoerde kind zich woedend aan zich-zelf wil voeden
- en, bleek en norsch, het beeld van de' eigen geest gaat zijn;
-
- - wanneer 't voldòngen kind, gespeend van alle wanen,
- zijn schampere onschuld als een schande van zich werpt;
- 15
- - wanneer 't op 't levens-brood, dat bijt van zijne
tranen,
- voor 't eerst de schittring van zijn gave tanden scherpt:
-
- dàn, in de onzaligheid der ouderlijke zalen
- waar zijne zuster weent om zijn eenzelvigheid,
- dan staat (verzoeking van zijn angst-bekropen smalen,
- 20
- verzet der kopp'ge jeugd zijn onwil voorbereid,
-
- en dra zoen van zijn zonde en vrijheid voor zijn vreeze;)
- daar staat, waar hij ter twéede beet zijn tanden wet,
- ineens, en onontkoomlijk-reede, en uitgelezen,
- een overvloedig maal hem eindloos klaar-gezet.
-
- 25
- Hij eet. - Zijn honger ziet geen vlijtig voorjaar
vieren
- de nieuwe vreugde die hij haat, en die hem beurt.
- De felle violier vunst diep van donkre vieren;
- de sleutel-bloeme smaakt zòo als de perzik geurt;
-
- er is geen vlieg, er is geen rietjen, of zij galmen;
- 30
- de zon, die hem beklemt, klept als een klok; maar 't
licht
- gaat glijdend als een zijde over de zijden halmen
- en veegt de voren ook uit zìjn doorploegd gezicht;
-
[p. 2]
-
- hij voelt: door heel zijn dag blijft klateren en klaren
- de schater van den schitterenden sterren-nacht;
- 35
- hij kent den nacht, die blankt van bloesmende appelaren
- waar de avond-schemer wijlt die de ochtend-schemer wacht;
-
- weldra zal aan den geur der pluimend-gele grassen
- waar ruim het wuivend hooi een liefde-bedde breidt,
- de reuk der linden op de luwe winden wassen
- 40
- die 't moede min-gelaat den nooblen avond wijdt:
-
- hij wéet het. Maar hij éét. - Zijn lijf is
vol van schokken.
- Er wringt een wrang genot door hem. Maar hij geniet
- de nieuwe pijn vooral van een halsstarrig wrokken
- en 't vratig hongren dat een nieuwe vreugd hem biedt.
-
- 45
- Hij bijt. - o Nooit bevroede smaak der nieuwe spijzen!
- o Kalme en kloeke koorts, o kenen-klievend vuur:
- zijn tand-vleesch van het eerst besluit te voelen ijzen;
- zijn keel te schrapen met uw èchtheid, o Natuur;
-
- uw echtheid, die voor goed de arme ingewanden ledigt
- 50
- van al het zoet gezeur dat kind van mensch verscheidt;
- uw echtheid als een vlam die zuivert en volledigt:
- den kus, mijn vriend, dien uwe starre weigring beidt.
-
- - Hij bijt. Zie hoe hij bijt! Ten laatsten hoek gekropen
- waar, heilig als een straf, de blinde kilte mart,
- 55
- eet hij, en laat den dronk door zijne kele loopen,
- en voelt de sterkte rijze' in zijn steeds vroeder hart.
-
- Nòg woelt en wrokt zijn ingewand van donker duchten.
- Maar, waar het voedsel vindt de wegen van zijn vleesch,
- kent hij als een verzuim zijn veel te lang verzuchten;
- 60
- en iedre spiere spant en davert iedre pees.
-
- Gebondeld staat aldra zijn nek in stijve staven;
- zijn aangezicht wordt hard en klaar gelijk een schild;
- zijn brein groeit, diep en rond, tot eene veil'ge haven
- waar stroom van bloed en geest tot weelde en wil verstilt.
-
[p. 3]
-
- 65
- Hij bijt. - Vaarwel, gij bleeke schuchterheid der
maagden
- die vreet gelijk een heete wonde aan elke vreugd:
- hij ziet de ziel'ge listen door, die hem belaagden
- tot zoete veiligheid van eene zaal'ge deugd;
-
- hij voelt den zwoelen druk der zwachtlen, die hun zorge
- 70
- vol zalve om zijn vermoede' en zijn verweezen wond:
- laat alle blinden neêr op dees te blijden morgen;
- onthoudt te heeten dronk aan deze' onschuld'gen mond!
-
- - Maar hij: hij làcht thans. Waar nòg bibbert op
zijn lippen
- het woord dat hij weêrhield en nóg zijn blik
verbleekt:
- 75
- thans voelt hij, onweêrstaan, der tanden wal
doorglippen
- zijn haat waar hij van lacht, den vloek die eindlijk spreekt;
-
- vloek over wie hem 't leven gaven maar onthielden;
- die, 't roode scheppings-bloed onachtzaam-gul geplengd,
- zijn jong verlangen kuisch met zuinigheid bezielden
- 80
- en hebben van hun teederheid zijn hart verengd;
-
- vloek om den talm'gen tocht der fleemende geslachten
- waar elk zijne eêlste woede in de eigen telgen doodt;
- die tot een vroom genot zich-zelven 't keur-vee slachtten
- maar hém verboden 't heul van 't Menschelijke Brood...
-
- 85
- - Aldus, ter oudren zaal, en waar de zieke wake
- van zijne zuster om zijn norsche weelde schreit,
- - aldus 't verlòste kind dat in zijn koene kaken
- de spieren roeren voelt, en vloekt, en lacht, en bijt.
-
[p. 4]
-
- Doch waar, zijne oogen groot, maar de aedren aan het paarsen
- 90
- die heevlen aan zijn hals het logger-kloppend bloed;
- de mond van 't malen lam der ossen en der vaarzen
- en beursch het hart dat om zijn beu begeeren boet;
-
- waar 't kind, waar het tot màn geworden kind zijn ijlen
- en broozen kop in zijn verbreede vuisten legt,
- 95
- zijn laatste schoone koorts haar schemer-zang hoort
ijlen,
- maar van geen koen besluit zijn droom tot daad beslecht;
-
- - waar 't gretig kind de heete moeheid kent der mannen;
- waar 't òude kind vergeefs ter beê zijn vingren
vouwt,
- vergeefs ter offerand zijn stugge spieren spannen,
- 100
- vergeefs zijn lichaam om de liefde-gave rouwt;
-
- - onrustig-moedeloos; door 't woelen der gedachte
- vergiftigd, die zijn ziel tot machtlooze ijlte zengt;
- wanneer hij, bittre, door de strakheid zijner nachten
- de erinnring aan zijn waan door 't felste ontkennen mengt:
-
- 105
- dàn, in de zalen die 't ontgoochelen zou
keeren,
- met nijvren bezem, tot de woon der Eenzaamheid,
- ten disch, daar ieder maal zijn walgen zag vermeêren
- en elk geleêgden dronk door zijne slaap rammeit:
-
- dan dwaalt zijn blik atoon over de loome spijzen
- 110
- en 't zure kleed, gedrenkt met schalen woel'gen wijns;
- hij staart, en zie: van meêlij zwaar gaan tranen rijzen
- en zuiverend een zucht naar 't wringen van zijn grijns.
-
- Een zúcht... - Binnen 't gevang van zijn gevouwen
vingren
- en ziet hij hoe de herfst om zijn geblind torment
- 115
- zijn hallen bouwt, waar om de keelen domen slingren
- sinooplen loovren door een lucht van orpement;
-
- wier zuilen, hyakintsch, staan zinderend als snaren
- in 't zeven-tonig goud van 't pulvrend stralen-waas,
- binnen priëelen waar als starre spheren klaren
- 120
- het solfer en 't safraan der bolle dahlia's.
-
[p. 5]
-
- o Kalme weelde, o teederheid der fulpen tuinen,
- o vijvers, waar een zilvren rust haar reven viert:
- hij ziet u niet; hij ziet geen lieve schaaûwe schuinen
- die trede aan trede, de uren rond, haar sluier sliert;
-
- 125
- terwijl de groote zon haar trage-groeiende orbe,
- den wijd-verzaden wereld om, naar 't Westen schrijft,
- en ook zìjn lippen maalt in 't druipend rood der sorben
- en na haar dood nòg in zijn haren marren blijft...
-
- Hij ziet het niet. Hij zucht. Verguurd in winter-kaemren,
- 130
- zijn wil alleen gestut aan zijn ontstentenis,
- voelt hij de logge doelloosheid zijn hart doorhaemren,
- schrikt hij in 't schuwe brein voor 't naedren van 't gemis.
-
- Och, niet om 't ziek verlies van cierlijk-lieve waantjes
- die hij als lammren aan een lint te weiden placht;
- 135
- niet om verdriet dat in een regen-boog van traantjes
- een nukk'gen troost, met kusse' als kersen, tegen-lacht;
-
- niet, 'wijl zijn bleeke lief hem deerlijk heeft bedrogen
- die hem 't profijt van dubbele compassie bood;
- noch zelfs dat zijne groote moeder vol meêdoogen
- 140
- hem in het laffe hart een spijt'ge zatheid goot.
-
- Hij, die den kop der roodste rossen wist te beuren;
- wiens vreugd de rimplen rechtte uit hun vernorschten nek,
- al zou de teugel de okslen van zijn vingers scheuren
- die scheurden van 't geweld hun bloed-omkwijlden bek;
-
- 145
- hij, die de puurste vrouw gelijk een paard zou temmen
- en, waar ze onder den blazende' adem van zijn smaad
- ontvonkte 'lijk een vuur, zijn eigen drift zou remmen
- en haren zoen ontving op 't masker van den haat;
-
- hij: meester van de min, de machten en de wetten;
- 150
- hij: slooper der gedachte, in 't bad des spots gehard;
- wiens wil het kille levens-lemmer mocht te wetten
- op 't marmer van den zelf tot trots verdichten smart;
-
[p. 6]
-
- - o bastionnen van genot wier leemen veste
- den gulz'gen afgrond van het wezen over-spant:
- 155
- hij steeg ten top; zijn oog werd heerscher der
gewesten...
- tot zijne zole schuiven ging aan zompe en zand.
-
- Hij zonk; hij zonk... Verzuipend roeien door sargassen;
- stikkende omarming van de wieren; déze vreê:
- zijn lamheid dra gevest in de effenheid der plassen,
- 160
- en de eìgen machtlooze effenheid, en zelfs geen
wee.
-
- Dan: zoet verworden tot een scheidend deel der drabben.
- o Schalkschheid: liefde is heet gelijk een etter-buil;
- de vrouw?: haar knie verzwaart van zwellende ontucht-kwabben;
- en alle schaamte gaat in woest negeeren schuil...
-
- 165
- Hij zucht. Alleen zijn walg die - teêr aan 't
peerlemoeren,
- zijn eédle walg als een schakeerend-weeldrig schild
- over het laf-gelaten aangezicht der moeren, -
- de moeheid van zijn ziel met bitterheid vermildt;
-
- zijn wàlg. En dan: te weten dat géén
menschen-hulpe
- 170
- hem 't voedsel van zijn eindlijk wroegen ooit beneemt;
- de wereld storte ineen: hem rest de duistre stulpe
- waar zelfs geen hulpe Gods hem nog in de ooren fleemt...
-
- ... ...
|