[p. 7]
De modderen man
[p. 8]
Omnis quippe caro corruperat viam suam.
[p. 9]
I
[p. 11]
[MM1]
- Vervarelijk festijn voor onverzaedlijk dorsten:
- zoo hebben ze u gekend, bij smaad- of smeek-gebaar,
- die, donker van begeerte of heller liefde klaar,
- van u besmaald misschien, misschien u tarten dorsten.
-
- 5
- o Bralle broeiïng van het schroeiïg-heete
haar
- dat ge als de kromme vlam van eene toortse torschte';
- uitdagend dreigement der driest-gedragen borsten;
- o buik die glooit en glanst gelijk een beukelaar:
-
- - zóo kenden ze u. En ik, waar 'k uwe schoonheid
schenne,
- 10
- ik, die me-zelven miek de' in vrees begeerden Man
- die u bevrijden kon en sloeg in slaven-ban;
-
- zelfs ik, uw graauwe Heer, wien géen vrouw ooit zal
kennen:
- hoe bibbert op mijn lip de bede - o wrang bekennen -,
- de bede, uw doem te ontvliên, en die 'k niet bidden
kàn...
[p. 12]
[MM2]
- De dag is moede en stil, en de uren gaan verbleeken.
- Waarom dan zijt gij niet als de andren heen-gegaan?
- Ik zal niet meer tot ù de wankle woorden spreken
- dan 'k tot de hope van uw zustren heb gedaan...
-
- 5
- - Gij blijft; gij legt uw witte hand op mijnen
schouder...
- Helaas, de dag is blank omdat hij duistren moet;
- en mijn gelaat is schoon misschien, dewijl het ouder,
- dewijl het hooploos-ouder weet mijn wrang gemoed...
-
- Ga heen, vóor mijn gesmeek gaat schroeien aan uw
smeeken;
- 10
- vóor mijn ervaren vaalt ten schroom van uw
gelaat...
- - De dag is moede en stil, en de uren gaan verbleeken,
- en mijn gelaat verbleekt 'wijl gij niet heen en gaat.
[p. 13]
[MM3]
- Zij ligt te bedde 'lijk ik lig te bedde;
- ze is wachtend, trage en vragend, 'lijk ik wacht;
- - o naakte wake aan ongenaakb're wedden! -
- en tusschen beî de blinde en doove nacht.
-
- 5
- Tusschen ons beî, misschien, de wijdste
zeeën
- in 't wijlen van een wijdingloozen tijd;
- - al breekt door ons de branding van de weeën
- die beide' ons binden in der eeuwigheid.
-
- 't Verbod van God, misschien, tusschen ons beiden,
- 10
- of, mórgen reeds, in beider harte rouw.
- - Maar weten, zat van liefde of ziek van beiden,
- dat ik de Man ben, vrouwe, en gij de Vrouw.
[p. 14]
[MM4]
- Ik wete dat ge ontwaken zult, dewijl ik wake;
- ik weet dat van mijn kommeren gij vreezen zult,
- en dat gij van de bitterheden die ik smake
- u-zelf met tranen vult.
-
- 5
- Ik weet dat, waar mijn vreugde 't eischte, gij zoudt
lijden,
- en gij zult buigen, zelfs waar 'k níet uw meester
ben;
- en dat ge in uwe duistre schamelheid zult beiden
- tot ik uw schoonheid schen.
-
- Aldus zult ge in uw eêlst bezit de ellende boeten
- 10
- dat ik van ù alleen mijn innigst zijn ontvang,
- en 'k u mijns wezens vollen bloei zal vragen moeten,
- mijn trots ùw smaad ten dank.
-
- Maar, waar 'k in u alleen de vruchten van mijn leven,
- mijn nobel dijëment alleen aan u mag zien:
- 15
- daar zult ge in smarten slechts me uw maagden-schoonheid
biên
- en, slechts vernietigd, vreugde geven...
[p. 15]
[MM5]
- Kind met het bleek gelaat, dat van uw wijde blikken
- geen liefde in mat gebaar noch in leede oogen ziet,
- maar in uw zedig kleed uw knieën weet te schikken
- zóo, dat me te elken male een laaie drift doorschiet:
-
- 5
- gij zult het nimmer aan mijn vrome woorden weten
- hoe mijn begeeren om uw kleêren dolen dorst;
- maar ík draag in me-zelf de wonde, zelf-gereten,
- waarvan de koortse rilt en davert door mijn borst.
-
- Want 'k heb de straffe zélf in 't lillend vleesch
geslagen;
- 10
- ik heb een spijt'gen spot gehamerd in mijn brein...
- - Gij echter, ga voorbij, arm kind, en zónder vragen:
- ik haat u om dees geert', die 'k minne om deze pijn...
[p. 16]
[MM6]
- Gij die u, stérker liefde omgord,
- bang-wakend naast me zet,
- nu 't dagelijksch gedicht me wordt
- weêr dagelijksch gebed;
-
- 5
- - gij, mijne vrouwe, schoone wees
- van al mijn liefde en leed,
- die mijne vreugde en mijne vrees
- om deze lente weet,
-
- en dat, waar felre kracht me ontbrandt,
- 10
- mijn wilde en vrome geest,
- van helle beelden overmand,
- weêr de eigen weelde vréest;
-
- - gij, die u naast mij neêre-zet,
- voor deze woede bang,
- 15
- waar 'k zelf bedwinge tot gebed
- den bronst van dezen zang:
-
- o vrouw, o vrouw, o góede vrouw
- die weet hoe 'k weêre lijd;
- die weet hoe 'k in mijn ziele rouw
- 20
- om wat mijn lijf verblijdt:
-
- ontvang, van wie niet vloeken mag
- maar onder vloeken gaat, -
- ontvang, van wie uw lijden zag,
- den dank en de' armen smaad...
[p. 17]
[MM7]
- Gij die mijn kommer-ziekte in deemoed tegen-lacht;
- gij die mijn vreemdsten waan beveiligt van uw wake;
- maar wier geloken schaamte ik zuchten weet te slaken
- uit al de roerslen, heimlijk-diep, van uw geslacht;
-
- 5
- - o macht'ge vrouw, die moogt in 't maagdlijk voorhoofd
voeren
- den onvergloorb'ren glans van wie ter dood bemint;
- maar die ter slaande borst gelijk een pijnlijk kind
- den drenz'gen twijfel aan mijn min zult blijven
voêren;
-
- - gij die 'k aan dit gelaat en dit verlangen bond,
- 10
- o gave maatloos-mild, maar wie de koortsen branden
- ter heete zuiverheid der oogen en der handen,
- ten monkel, droog-gezucht, van uwen rooden mond:
-
- ik draag mijn schuld, ik wéet in mij de schuld te
dragen
- gelijk een rijpe vrucht die 't naedrend onweêr beidt;
- 15
- de zeegning zengt mijn lippe om uw verwacht verwijt,
- - al vind 'k geen liefde-woord voor uwe liefde-vrage.
-
- Ik ken uw rouwen aan het rouwen van mijn hart;
- de nacht ziet mijne zorge om uwe zorge bleeken;
- - al blijf 'k u dwingen, kind, uw daeglijksch brood te
weeken
- 20
- in de altijd-overvloed'ge beke van den smart.
-
- En mijn gezicht dat, stuursch van onbestraalde steilte,
- bergt als de rotse een vloed in de onverbreekb're korst,
- weet dat ook gij uw tranen smoort, - maar ziet uw borst
- die rustig schijnt, en aêmt in de aldoor-guurdere
ijlte...
-
- 25
- - En toch: mocht ge éens dit oog tot op de ziel
doorspiên,
- tot op de gronden van zijn weten en zijn wanen:
- gij zoudt, door 't ras-gerezen licht van uwe tranen,
- 't vergoddelijkte beeld van ùw genade er zien:
-
- mocht ge aan het traag gedein van welige gewaden
- 30
- den breeden harts-klop van mijn rijke min
bevroên...
- - Maar neen: al lang is 't tijd deze oogen toe te doen;
- en 't strakke kleed is sleetsch tot op de bleeke naden.
-
[p. 18]
-
- Want hoe ik lengen moge en gij mij wacht: wij staan
- in wrange kennis dat we, in eeuwigheid gescheiden,
- 35
- en hoe 'k u minne 'als gij mij mint, géen van ons
beiden
- de heele liefde van den andre kan verstaan.
[p. 19]
[MM8]
- Ik ben u moe. Gij hebt mijn traagste hoop vermoeid.
- Waarom in mijden mond het bittre woord verhelen?
- Te laat is me uwe liefde en te aarzelend ontbloeid
- 'dat nog begeerte ontblake en schrave door mijn kele.
-
- 5
- Thans is het úwe lip die, open, beeft en
smeekt;
- 't ontberen van úw blik die wendt naar weiger
treuren;
- - ach gij, die smeekend dees verzegelde urne breekt
- en vindt van balsmen nog alleen wat draal'ge geuren.
-
- Gij zijt, die staat, wier schroom het biedend woord
weêrhoudt,
- 10
- maar huivrend van uw lende' al slaakt de sluike
banden.
- Helaas, 'k zal in het licht, dat lenkend is, en oud,
- alleen de weeke bleekheid zien van uwe handen;
-
- want weet: ik kon op àndre borst, die niet
weêrstiet,
- eenzelfde wanen en dezelfde moeheid vinden...
- 15
- - Waarom uw oog nog, dat me een late liefde biedt?
- Ik laat den tragen draad van mijne dage' ontwinden,
-
- want ik ben moe: gij hebt mijn treurig-traagsten waan
- ter laatste hoop, ten laagsten ootmoed leeren deinzen...
- - Wie zijt gij, vrouw, die draalt en niet voorbij wilt gaan?
- 20
- Ik leef, die 't vréemde beeld der eigen min zie
staan
- ten kàlmen einder der herdenkende gepeinzen...
[p. 20]
[MM9]
- Gij hebt te zeer van blijde logen
- dit liefde-hongrend hart gevuld,
- dat ik u niet, in mededoogen,
- zou zeegnen om uw schoone schuld.
-
- 5
- Ik heb om u te veel geleden,
- - cieraad der pije van mijn rouw, -
- dat ik u niet in mijn gebeden,
- en dankbaar haast, gedenken zou.
-
- En zoo, waar 'k u mijn vreugde noeme,
- 10
- niet steeds een vreugd ter lip mij bloeit,
- vergeef: 't is dat het zelf-verdoemen
- dan al te zeer mijn harte schroeit.
[p. 21]
[MM10]
- Gij spreekt geen woord, o vrouw, maar weent aan mijne zijde
- onder 't ontgoochlen dat uw tengre schouders boog.
- En 'k wéet uw leed; ik woog de keten van uw lijden;
- - maar sluit afkeerig 't werend oog.
-
- 5
- Ik sluit mijn oog. Gevallig voel 'k het bar
verstarren,
- in harde plooien, van een spot-lach om mijn mond,
- - ik die me eens voelde een zelfde neêrlaag
tegen-sarren,
- en eendere onmacht ondervond...
-
- Waarom?... o Wreed gemoed, dat zocht om 't eigen lijden
- 10
- het trage sussen van hàar haeprend-vroom
beklag...
- - Gij spreekt geen woord, mijn kind, en weent aan mijne
zijde.
- Ik sluit mijn oog. Helaas, ik lach...
[p. 22]
[MM11]
- Thans is het al voorbij: de sluiers zijn gezonken,
- en 'k heb uw naaktheid gràauw als mijne vrees gezien.
- Toch heeft mijn weigren aan me-zelf te valsch geklonken
- 'dat gij voortaan vergéefs me uw teederheid zoudt
biên.
-
- 5
- Ook gij voelt in u-zelf het licht der hope duistren;
- maar 'k zie te zeer de onpeilb're diepte van uw spijt,
- om in mijn binnenst niet groothartiglijk te luistren
- naar 't schuchtre stemken van mijn haperend verwijt.
-
- Kom weêr dan aan mijn borst: gij zult er adem-halen
- 10
- tot gij moogt slapen, in uw naaktheid loom en vaal,
- - terwijl ik-zelve waak en om me-zelven smale
- wen 'k weder naar de maat uws harten adem-haal.
|