[p. 23]
II
[p. 25]
[MM12]
- Gij die 'lijk een verwijt gaat wegen in mijn zwijgen;
- gij die dit hart als een verlaten huis bewoont:
- o lage dag die neigt, en bij het nader-neigen
- een sterre aan 't voorhoofd toont;
-
- 5
- die van dit eenzaam licht aan uw verduisterd Oosten
- mijn hopen wekken en mijn weiflen heulen woudt,
- al weet ge, o veeg-verbleekte dag, voor alle troosten
- dit hart te leêg en te oud:
-
- wat draalt gij aan de lucht en in mijn aangezichte,
- 10
- die dit onnoodig en onnaakbaar licht me biedt?
- En is mijn arrem hart geen urne, en al te dichte
- dat men er geure' in giet'?...
-
- - Ik ga uw duister vóor; ik keer het duister tegen
- der onbewogen-stille en leêge levens-zaal.
- 15
- En, waar deze ijlte zwijgt, smaak ik den bittren zegen
- van 't lijdzaam avond-maal...
[p. 26]
[MM13]
- Weêr gaat het veege licht der asters bloeien;
- weêr naêrt een herfst. - En dit doorhunkerd hart
- waar smokend 's zomers toortse gaat vergloeien,
- wordt huiverend, en mart...
-
- 5
- - Ik, in wiens hand de zoele vruchten wogen
- maar wien de zoen ontzegd werd van den beet;
- die, waar 'k u weet, o herfstig mededoogen,
- me des te alléener weet;
-
- eeuwige maaier, ik, die sneed het koren
- 10
- maar nimmer voor zich-zelf de garve bond;
- eindlooze vaarder in zijn vochte voren
- die nooit de haven vond:
-
- weêr naêrt een herfst; en weêr naêrt wrang
het derven
- dit hart dat, hooploos, steeds verlangen kent;
- 15
- dat, immer hunkrend naar dit herfstlijk sterven,
- na 't wintren weet een lent'...
-
- - Weêr brandt mijn najaars-bloed in smeek-gebaren;
- weêr weent het hart waar de oude wonde schroeit...
- - Hoe bronst het goud in de kastanjelaren!
- 20
- De zilvren aster bloeit...
[p. 27]
[MM14]
- Weêr staat mijn venster open op den nacht,
- tusschen de kamer en haar broei'ge zwoelte
- en deze wijdte en haar bewogen koelte.
- En 'k sta aan 't raam, en wacht.
-
- 5
- Ik wacht. Er is een woel'ge stilte in mij.
- Er zwelt en zwijmt, deint àan en deinst Verlangen,
- als zong, op golven zoelte, in schroom'ge zangen
- een ongeziene rei...
-
- - o 'k Weet: ik heb alleen in 't leed gebloeid
- 10
- dat ik in 't eigen brein met zorge kweekte:
- een kelder-plant van zieke en trotsche bleekte
- in duisternis gegroeid;
-
- ik ben geweest die voor zich-zelf verborg
- te maklijk leve' en lieve', in vreez'ge hoede;
- 15
- van de' eigen tucht weldadig-strenge roede,
- voor 't eigen lijden borg...
-
- Maar deze nacht is schoon, en goed misschien.
- Misschien staan, als het mijne, ramen open,
- en hoopt een andre blik hetzelfde hopen,
- 20
- en tracht als ik te zien;
-
- peilt éen als ik, en met eenzelfden schroom,
- de bakelooze banen door der nachten,
- of hij hem vinde die hem staat te wachten:
- de broeder van zijn droom;
-
- 25
- éen die het kommer-bed ontrees als ik,
- en staat aan 't raam zijn bangend hart te prangen,
- en ziet daarboven al de sterren hangen
- als kindren van zijn blik;
-
- één, die mij wachte... - En 'k wacht. En 'k voel de
vaalt'
- 30
- van mijn gelaat in klamme koelt' verweeken...
- En hooploos-zoet zie 'k 't blaauwe licht verbleeken
- der trage maan, die daalt...
[p. 28]
[MM15]
- Dit wordt geen lent'. Geen dag en zal de smoore' ontrijzen
- gelijk een voorjaars-weide in duizend bloeme' ontluikt;
- en, zijn dees gulden uchtend-neevlen schóon, zij wijzen
- een naedren morgen die naar nàakte landen ruikt.
-
- 5
- Dit wordt het uur niet, dat het onverwachte Leven
- u met éen blik den blik op de eindloosheid ontsluit.
- Elke appel is geplukt; elke aalmoes is gegeven;
- en in uw hand alleen de erinnring aan den buit.
-
- Dit is de hérfst... - En toch, o trage wemel-neevlen,
- 10
- o dralig-waaz'ge dageraad, o schoone schijn,
- o vrage van mijn hart of 't vreezig ochtend-preevlen
- 't bezoek van de' Engel of een dróef bezoek wil zijn;
-
- wijde oogen die niet kent; ooren die niet vergeten;
- arm lichaam, zwart en schraal, dat heerlijk werd bemind;
- 15
- o vreugde van mijn waan, o vreeze van mijn weten,
- en gij, Natuur, die teeder-lokkend zijt, en blind:
-
- toch voel ik, bleeke toover van bedrieglijk herfsten,
- - weêr voel ik, schoone schijn, o schroom'ge vreugde en
vrees,
- kil uit de diepten van mijn wezen 't geeren bersten
- 20
- 'of weêr een voorjaar in de zwarte stammen rees.
-
- Van uit de keldren, waar mijn wil en weer'ge hoede
- den looden stempel sloeg ten veil'gen deksel-steen,
- welt weêr ineens, en woelt gelijk een blijde woede
- de lange gallem van Verlangens luid geween...
-
- 25
- - Ik weet dat elke lent' van mij zal blijven eischen
- het martlend baren van een fellen levens-loot;
- ik weet te zijn, om naar de hemelen te hijschen
- elk teeken, telkens, van opnieuw-ontwaakten dood;
-
- ik weet dat ik besta, gedoemd tot helle sprake,
- 30
- opdat geen scheut ontspruit' waar 'k geen geluid aan
geef',
- en 'k eeuwig-smartlijk ben opdat elk lente-ontwaken
- van straal'gen daauw in mijne dankbre tranen leef';
-
[p. 29]
-
- maar... dit en wórdt geen lent'. Geen gulle dag zal
rijzen
- gelijk een voorjaars-weide in duizend bloeme' ontluikt;
- 35
- en, zijn dees gulden uchtend-neevlen schoon, zij wijzen
- een naedren morgen die naar naakte landen ruikt.
-
- En toch... - o Starre waan, te wezen de verkoorne
- die zelfs bij lui-ontluikende oogen van den Dood,
- blinde Natuur, gij eeuwig-barende en -geboorne,
- 40
- mag worde' als uw steeds zwarte' en scheppens-reeden
schoot;
-
- mag zijn die, zelfs bij schíjn van leven, bràndt van
leven;
- die, van zijn onverbidlijk-waakzaam hart en brein,
- zal 't heerlijkst aangezicht aan 't óngeschaepne geven
- en schenke' uit de ongewassen druif den rijksten wijn...
-
- 45
- o Starre waan, te milde waan... - De neevlen hangen
- doorblonken, blankend, van een bloode October-zon.
- En 'k sta, en 'k stare, en prange onder mijn hand 't verlangen
- dat brandt alsof nieuw leve' in dezen dood begon.
[p. 30]
[MM16]
- Ik ben met u alleen, o Venus, felle star.
- En, waar 'k vergeefs in mij uw stralend gloeien zoeke,
- blijft leêg mijn marrend harte, en bar.
-
- Mijn harde mond is strak aan beiden starren hoeke.
- 5
- Geen vraag. En zelfs wat 't eerst me naêrt en 't
laatste scheidt:
- zelfs àngst en komt mijn ijlt' bezoeken.
-
- Ik ben met u alleen, mijn oogen droog en wijd;
- terwijl de wijde nacht welft mijn verlaten kilte
- naar uwe gloeiende eenzaamheid.
-
- 10
- - De venstren blind, de kaemren naakt en ijl de dilte;
- het huis eens beedlaars, onbetreên en haveloos:
- aldus mijn ziel in 't land der Stilte;
-
- alwaar ge, alleen ten hemel-tuine een helle roos,
- een vurig-felle roos in Stilte's donkren lande,
- 15
- staêg-noodend waakt en blaakt, altoos;
-
- en ik, met de armoê van mijn hoofd en van mijn handen,
- in de armoê van mijn hart ontbere, leêg en bar,
- zelfs de arme vreugd van eenzaam branden...
[p. 31]
[MM17]
- Van alle reis terug nog vóor de reis begonnen...
- Wat, dat gij niet en wist, heeft de onrust u geleerd?
- - Alle einders zijn ontgonnen
- en elke tocht gemeerd.
-
- 5
- Welke begeerte die, verzaad, niet heeft bedrogen,
- en welke oprechte liefde ooit zonder waan beleên?
- - o Dorre brand der oogen
- na noodeloos geween!...
-
- Geen bronnen meer, en geene stroomen, waar een haven
- 10
- ze in de gestilde maat der strenge zee bevest.
- - Gij moet u niet meer laven:
- gij zijt aan walg gelescht.
[p. 32]
[MM18]
- o Ziek, onzeker en onzuiver;
- in 't ijvren de' eigen doem gewijd;
- geen strakke glimlach en geen huiver
- dan om de' onmogelijken strijd;
-
- 5
- - ter loome zee gezonken zeilen
- steeds onder zelfde lamme zon;
- en altijd 't onveranderd-ijle
- aan elken nieuwen horizon...
[p. 33]
[MM19]
- Uren van harde macht, waar 'k in de zwartste nachten,
- die heller zijn dan git,
- ter ijlste hoogten, en de steilste, der Gedachte
- onzichtbaar-tronend zit; -
-
- 5
- uren van harde macht, gebore' uit trots en lijden:
- hoe hebbe ik u bemind,
- toen 'k Leven wijken deed, en Dood - o weidsch verblijden -
- mocht koestren als een kind;
-
- waar 'k heel mijn weze' als plots genade-weel'ge borsten,
- 10
- mocht de' Onverzaadb're biên
- en 't bateloos geluk mocht dulden, aan zijn dorsten
- geheel tot ijlt' te vliên.
-
- Geene begeerte meer: o vrijheid, en geen bede;
- en, allen strijd beslecht,
- 15
- uit diep-gerooiden drift den diep-ontgonnen vrede
- van 't eindlijk eind-gevecht.
-
- Arm als geen enkle, maar zich voelen, koel, den rijke
- die, 't zwoelst geluk doorleên,
- het Wezen, de eeuwigheên ontwassend, kan doen wijken
- 20
- naar eendere eeuwigheên...
-
- Uren van felle macht, hartstochtelijk negeeren
- gebore' uit boete en spijt:
- wat heb ik u bemind, ik die u mocht regeeren,
- en - treurig ben, en lijd...
-
- 25
- - Want zie, de aarde is den tijd nabij dat tijend
streven,
- àl zwellend, welven gaat.
- Weêr word ik als een zonne-straal die staat te beven
- en, bevend, rechte staat;
-
- weêr word ik, waar de luide bodem ligt te kenen
- 30
- voor 't licht-bekroonde kruid,
- gelijk de bronnen zijn die onbedaarlijk weenen
- met daevrend-blij geluid.
-
[p. 34]
-
- De dag wordt rood van zon en rozen. De uren blaken
- van rijk en rijp geweld.
- 35
- 'k Draag al het blozen van den zomer op mijn kaken
- als waar' 'k een heldre held;
-
- van al het bloed dat zoekt of blinkt in bloeme' en boomen
- zijn mijne vuisten zwaar;
- 'k ben duister als het woud in avondlijk verloomen
- 40
- en als de weiden klaar;
-
- 'k ben klaar en klapprend als de blaedren en de waetren;
- 'k ben gloeiend-zwart gelijk
- de minnaars die elkaêr van bijten en van schaetren
- bevinden goddelijk.
-
- 45
- Maar - 'k heb te zeer geheerscht, dan dat ik niet en
lijde
- om zulke duld'ge heerlijkheid...
- - Uren van harde macht, waarom moet ik u beiden,
- nu 'k, treurend, lijd?...
[p. 35]
[MM20]
- Trots, die mijn harte hardde, als ijzer
- ter kille kuip tot staal gehard:
- gij hebt het sterk gemaakt, en wijzer;
- - maar 'k wete dat het broozer werd.
-
- 5
- Gij maakte' 't, ten gedrilden were,
- als eene spies, die vaster steekt
- naar harder staat het staal der spere,
- maar die niet buigen kan, of breekt.
-
- Zoo sta 'k, mijn trots een scherpe schanse
- 10
- naar 't dreigen van elk nieuwen dag;
- en heb een hart gelijk een lanse
- van staal, - maar dat niet buigen mag.
[p. 36]
[MM21]
- Gij zult mij allen, allen kennen,
- maar 'k zal voor allen duister zijn;
- want slechts wie 'k van mijn spot zal schennen
- zal lichtend van mijn luister zijn.
-
- 5
- Slechts wie na de eêlste weelde-spijzen
- zal hongren naar mijn schampren smaad,
- draagt eens vóor 't aangezicht der wijzen
- den plooi der wijsheid in 't gelaat.
-
- Maar hem, die mij niet heeft bekeken,
- 10
- doch voor mijn hoogmoed heeft gebeên,
- dien zullen eens de voeten leken
- van mijn geween.
[p. 37]
[MM22]
- Ik vraag den vrede niet: ik vraag alleen de rust.
- - o Teedere avond-glans der lippen en der lampen,
- als de eêle nacht ontrijst aan lage dage-dampen:
- wanneer wordt van uw zuivren gloed mijn angst gesust?
-
- 5
- De schroeiige oogen koel tot kalmen droom gekust;
- gebluscht het zwoele bloed van 't dagelijksche kampen;
- en, waar ter slaap de laatste zorgen trager tampen,
- de Liefde en 't Leed verzoend tot één weemoed'gen
lust...
-
- - o Teedere avond-glans der lampen en der lippen...
- 10
- - Maar gij, mijn harde geest, die stoot aan alle
klippen
- vergééfs een onwil waar geen genster aan
ontschampt...
-
- - Ik vraag den vrede niet: ik vraag alleen te poozen;
- ik vraag alleen de rust die, maagdelijke roze,
- gelijk de maan den moeden dag ontrijst, die dampt...
|