[p. 39]
III
[p. 41]
[MM23] Gedachtenis aan eene jonge Dichteres
- Ik heb u niet gekend dan in dees nieuwe vreeze;
- ik heb u niet dan aan mijn bleek gelaat gekend,
- waar wemelt in mijn hoofd, waar wentelt door mijn wezen
- deze onverwacht-gerezen lent'.
-
- 5
- Ik hadde u niet genood ten drempel mijner droomen;
- mijn blik en hadde in de eigen wijdte uw blik gezien,
- en waar' deze onverlangde en wrange lent' gekomen
- door 't angstig-prangend hart me vliên...
-
- - Ik lag. De koorts ontvonkte een vuur in mijne vuisten;
- 10
- mijn bang-gestooten aêm doorvoer den neerschen
nacht;
- en, waar nieuw leven kropte en aan mijn slapen druischte,
- heb ik, o doode, aan u gedacht.
-
- En 'k heb gedacht aan u dees heelen dag, gesleten
- in de aangedeinde laai die om mijn leden zengt
- 15
- en niets ter schaal van het verlangen laat, dan 't
weten
- dat zij alleen wat assche brengt.
-
- Den heelen dag heeft dit verwelkt, dit wassen harte
- dat leeft van de' eigen brand, dat sterft van de eigen
klaart',
- dat flikkert en dat smelt ter vlam van de eigen smarte,
- 20
- gesmookt, geflakkerd uwentwaart,
-
- o kleine, o vérre doode, en die mijn angst komt doopen
- in droeve zekerheid dat gíj niet lijden zult;
- die, helend binnen de oogen-schaal het licht der hope,
- uw korte jaren hebt vervuld.
-
- 25
- - Want gij zijt heen-gegaan vóor ge aan verdorden
monde
- den zengend-zoelen zoen der zatheid hebt gesmaakt;
- vóor de' eeuw'gen kreet, waarin de in pijn-volvoerde
zonde
- hare eigen ijlte tegen-slaakt.
-
- Gij zijt gestorven in de waden van het wanen
- 30
- dat elk bereiken loont en alle min verrijkt;
- dat alle bangen wordt gesust in liefde-tranen
- en elk genake' een hoop gelijkt.
-
[p. 42]
-
- Gij hebt de reize aanvaard, wél bleek van uw begeeren,
- wél spijtig om een schroom die noodloos heeft gehijgd,
- 35
- maar met den troost, geen treurend oog te zullen keeren
- naar een oud leed, dat talmt en zwijgt.
-
- En stierft gij, met in 't smeekend oog de vreez'ge wake,
- met op den mond de vraag der huiverende maagd:
- de schaamte bleef gespaard aan uwe zuivre kake,
- 40
- en spijt dewijl gij hadt gevràagd...
-
- - Zóo gingt gij heen, o zalige arme. En wij, die
bléven,
- weêr staan we in 't wassend vuur dat ons niet loutren
zal;
- weêr blijven wij, bij 't stuwend tij van 't
lente-streven,
- in onze bittre wijsheid pal.
-
- 45
- Want wij, die elke vrucht ter branke-zelve smaken,
- wij weten welken dorst de beste pere laat;
- wij weten, waar we in trots 't geboôn genot verzaken,
- welk leed in ons te wrokken staat.
-
- Wij, graauw en naakt in onze zatheid, en die weten
- 50
- dat elk begeeren weêr door zatheid wordt geboet;
- dat geene vreugde waakt die, smartlijk te eind gesleten,
- geen hopeloos verlangen voedt;
-
- die eens als gij om onbevredigd hunkren treurden,
- maar kweeken thans in 't hart een onverzaadb're spijt;
- 55
- die dragen in ons lijf den vloek van steeds gescheurde,
- van steeds herschapen maagdlijkheid;
-
- - o maagd die henen gingt, bleek van uw schoon begeeren,
- spijtig om de' eedlen schroom die noodloos heeft gehijgd:
- thans staan we in 't strakke kleed van 't opgelegd ontberen,
- 60
- met de' angst om 't hunkeren, dat dreigt.
-
- En wij benijden u, o schoone en schaemle doode
- die nooit het wrange van de zatheid hebt gekend,
- - waar huivert door ons hoofd dees bralle en ongenoode
- en pijnlijk-overmacht'ge lent'.
[p. 43]
[MM24]
- Op den dood van Jean Moréas
- (onder het waken bij een stervend man)
-
- I
-
- Uw aangezicht is bleek 'lijk 't mijne wordt. - Terwijl
- 'k een diere zieke waak, geduldig en alleene,
- rijst schamper-lui Persephona ten starren stijl
- en schraaft de aandacht'ge Hond schuin-oogend uwe schene.
-
- 5
- Waar aan een rechte stoel de God uw daden richt,
- staan schemer-vaal uw schaemle leden in het duister;
- want gij zijt klein en moe; - maar in uw aangezicht,
- dat bleek is 'lijk het mijne wordt, glanst eeuw'ge luister.
[p. 44]
[MM25]
- II
-
- Het huis is vol van u. De stilte weegt, verzwaard
- van 't wachten op uw aêm en 't luistren naar uw zwijgen.
- En in mijn ruimren geest, die vroom uw beeld bewaart,
- leer 'k van uw spijt'gen dood naar eeuwigheden hijgen.
-
- 5
- 't Is of me uw sterven sterkt. Mijn hoofd is rijp en
zoel.
- Míjn koortse en úwe kalmt' voel 'k mijne lip
doorkerven;
- en 't gapend venster, waar 'k mijn heete kake koel,
- zwelgt gulzig-sterkend om mijn leven en uw sterven...
-
- - De diere man, die 'k diene en wake, slaapt. Zijn aêm
- 10
- heft in de stilte. En 'k denke aan 't heffen uwer
zangen...
- - o Nooit-gefnuikt Getal dat wrijft aan 't gapend raam,
- van úwe rust, en uit zíjn aêm, en míjn
verlangen!...
[p. 45]
[MM26]
- III
-
- Het nacht-uur waakt; en 'k waak. - Wat zijt ge diep en schoon,
- die mijne slape omwiekt met duizend duizelingen!
- Geen licht, dan uit mijn oog ontwaakt. En aan mijn koon
- de deinende aêm van alle dingen.
-
- 5
- Ik drijf, het voorhoofd wijd en ijl, ter sferen
meê
- van onbegrepen weelde en peilloos-klaar vermoeden.
- - o Nacht, in uwe blinde en duizel-blijde vreê
- noch heil, noch leed te voelen bloeden!...
[p. 46]
[MM27]
- IV
-
- Gij brandt mijne oogen toe, gij brandt mijne oogen open,
- o Wake; en waar de koorts blij hamert aan mijn slaap,
- zie 'k in de diepte van me-zelf, en gaat mijn hopen
- naar even-schoonen slaap.
-
- 5
- De zoet-gestemde Dood zingt in mijn oor... Als heugde
- mijn verst erinnren zich een weêr-beloofd verleên,
- voel ik mijn nek verbreên van strekkend-schoone vreugde,
- en voel 'k mijn blik verbreên.
-
- Zal 'k de gekoorne zijn die, reê tot alle lijden,
- 10
- de wondre zoetheid kent van d' eindlijk-eeuw'gen
schoot?...
- - Er sterft een man naast mij, die 'k minne. En mijn
verblijden
- gaat steevnen naast zijn dood.
[p. 47]
[MM28]
- V
-
- o Gevangen geest, getogen
- naar bevrijdende eeuwigheid;
- o Gedachten, zat-gezogen
- aan de borsten van den Tijd:
-
- 5
- zal ik mijne handen reiken
- naar de vrucht, die àl te hoog
- in haar luister hangt te prijken,
- 'dat mijn dorst ze smaken moog'?...
-
- - Droom uw droomen, o vermeetne,
- 10
- door den peilloos-vrijen nacht:
- morgen kent opnieuw de keetnen
- van de dagelijksche vracht...
[p. 48]
[MM29]
- Wanneer ik sterven zal (o glimlach om de vreeze
- en om 't begeeren dat ik eindlijk sterven zou!):
- neem dan dit pijnlijk boek; wil deze verzen lezen
- waarin ik u miskenne, o vrouw.
-
- 5
- - Ik weet: gij zult er niets dan bitters ondervinden;
- niets dat u om de zwaart der doode ontgoochling troost:
- slechts 't hunkren naar de duizendvoudige beminde
- dat zijne schroei'ge zuchten loost;
-
- slechts om uw trouwe zorg de wroeging, te vermoeden
- 10
- dat gij hem niets dan uwe schoonheid geven mocht:
- den onverzaadbaar-zatte' en spijt'gen levens-moede
- die aldoor heeter leven zocht;
-
- hij die van u de dolste en wreedste gaven eischte
- en die in uwen schoot het àl-bezit bejoeg,
- 15
- maar, wreed en laf, tot in uw troostende armen
krijschte
- om de onmacht die hem sarrend sloeg.
-
- Gij zult er niets in vinde', o vrouwe, dan de wrake
- dat hij geen wonden beet dan aan úw liefde-mond,
- en dan den wrok, dat naast zijn blakerende wake
- 20
- hij steeds úw angst'ge wake vond.
-
- Gij zult er niets, helaas, gij zult er nimmer hooren,
- zelfs geen gekreun dat om uw medelijden smeekt:
- slechts, waar 't de duisternis van uw getreur komt storen,
- een maatlijk dropken bloed, dat leekt;
-
- 25
- niets dat u noode naar een eindelijke stilte
- gelijk van verre een bron naar lafenisse noodt:
- slechts aan uw hoofd, o gij die leest, de heete kilte
- der laatste koorts van vóor den dood;
-
- slechts aan uw arrem hart den wrangen angst der vrage
- 30
- wat gij dan ooit, voor wie dit dichtte, zijt geweest,
- en dan - de zekerheid een eeuw'gen doem te dragen,
- o gij die deze verzen leest...
-
[p. 49]
-
- En toch... - Wanneer ik sterven zal (o geerte en vreeze!)
- en om uw kommrend hoofd de doode-wake fleemt,
- 35
- en gij dit brallend boek, om niet alléén te
wezen,
- ter bleeke en moede handen neemt;
-
- en gij zult lezen, en de bitterheid zal rijzen
- in al haar strakheid aan uw mager weeûw-gelaat;
- en gij zult voelen, gij die mij niet kúnt misprijzen,
- 40
- het smaden dat u tegenslaat;
-
- en gij zult verder gaan, en vers na vers zal branden
- ter fellre kone en in het traanloos oog-geschrijn;
- en 't boek zal worden gelijk lood in uwe handen,
- die bleek en moede en machtloos zijn:
-
- 45
- dàn zult ge - armzaliger dan wie het ergste leden,
-
- dan zult gij nóg, o mijne vróuw, me wezen
góed.
- En gij zult zien hoe 'k lig, mijn leven uitgeleden
- tot bij het laatste zweet en bloed;
-
- gij zult de graauwe lok van voor mijne oogen keeren
- 50
- en zien hoe nóg de drift zwart om mijn schalen
kringt;
- hoe, norsch van vragen en vertrokken van begeeren,
- de laatste kreet mijn lip verwringt.
-
- Maar gij en zult geen woorden zoeken, die vergeven;
- geen zoenens-tranen zelfs ter zoete tuigenis
- 55
- dat deze slechte doode uit uw vernietigd leven
- in eeuwigheid verscheiden is;
-
- gij zult uw hand niet meer aan 't zwijgend hart me leggen:
- gij weet hoe 't aan uw schrik zijn laatste bonzen sloeg;
- want reeds, o vrouwe, hoort ge uw hart de woorden zeggen
- 60
- die u de laatste zorge vroeg.
-
- Gij zult, in nieuw ontroere', het boek ter zijde laten;
- een zoet gepeinzen wekt een nieuwe teederheid;
- en gij zult voelen hoe mijn doem tot niets kon baten,
- omdat gij toch mijn vróuwe zijt;
-
[p. 50]
-
- 65
- gij zult het weten, en een toomelooze liefde
- zal zwellen in uw borst en kroppen in uw keel,
- en uit wat meest u kwelde en u het innigst griefde
- wordt u het hoogste heil ten deel.
-
- Want hoe ge, toen gij laast, ter borst moest voelen nijpen
- 70
- de pijn van wie, miskend, zelfs om zijn onschuld
treurt:
- veel beter dan ik-zelf zoudt gij mijn woord begrijpen
- dat nóg in trots het hoofd u beurt.
-
- Gij, de een'ge die mijn rustloos hart hebt voelen kloppen
- gelijk een zoete last aan 't eigen vragend hart:
- 75
- gij weet hoe 'k machtloos weende, en - hoe de doop der
droppen
- U heilig miek van mijnen smart.
-
- Omdat ik slechts aan ú mijn driften zou verzaden,
- was 'k, onverzaadb're zatte, uw duld'ge schoonheid moe;
- en 'wijl mijn dorre mond uw jonst'ge lip versmaadde,
- 80
- ging mijn begeeren àndre toe;
-
- maar gij alléen toch weet de kreten van mijn vreugde
- al hadde ik ze in mijn waan ook àndere gewijd;
- maar niemand had, wat van mijn toorn u 't meeste heugde:
- úw eigen schoone zékerheid;
-
- 85
- de vlammen-schoone zekerheid waar de Getuigen
- - hoe fel de geesel strieme en 't onbegrijpen spott' -,
- bij de onverdiende schand waar blijde ze onder buigen,
- ter hoogt' meê rijzen van hun God.
-
- - Want gij, ge weet, mijn vrouw, de alleenige te wezen
- 90
- aan wie 'k de volle maat van heel mijn wezen gaf...
- Daarom, wen 'k sterven zal, wil deze verzen lezen
- zoo onuitspreeklijk-droef en -laf,
-
- - daar gij alleen, mijn lieve lieve, in u kunt voelen
- hoe heel het boek van mijne en ook úw liefde gloeit,
- 95
- en in úw oog alleen misschien 't geween zal
zoelen
- dat, wen 'k dit schrijf, mijn schale schroeit...
[p. 51]
[MM30]
- Gij menschen, die misschien me in laetren tijd gedenkt,
- als deze mond, en zónder morren, heeft gezwegen,
- maar, woordloos op verzaden dood open-gezegen,
- de ijlte beteekent die uw vragende ijlte wenkt,
-
- 5
- weet: als een straf heb 'k stroeve waarheid
mee-gekregen;
- geen krankheid, die mijn lijf niet kreunend heeft gekrenkt;
- en 't spijt, dat dit mijn vers gelijk een hostie drenkt,
- mag heilig op uw tong als 't leven-zelve wegen.
-
- Ziet: dit gelaat is lood, en zorge is 't zuur dat vreet
- 10
- door 't lood, en 't diepst van al de heete voren beet
- om God, o mijn begeert, die borgde 't píjnlijkst
beiden.
-
- En toch: hij die dit zeide in dood-gedoemde tijden,
- en, leed hij waarlijk àl te zeer wanneer hij leed,
- - hij droeg 't gevoelen, nooit genoeg te mogen lijden...
|