[p. 53]

God aan zee



[p. 55]

[GZ1] Doop van den bedelaar

 Wij heffen in dees heil'ge vonte
 naar Uwen schuinen blik, o God,
 dit Kind dat, blank en ongeschonden,
 van onze liefde en onze zonde
5
 ten zoen U weze, en ten gebod.
  
 Zijn moeder zou 't mij smoorlijk schenken
 met, schriklijk, in 't gelaat gegrift
 de teeknen van mijn loenschen drift,
 zooals 'k haar moest met leugen drenken
10
 van pijnlijk vleesch en schittrend schrift.
  
 Zij droeg het in haar ronde flanken
 gelijk 't heelal zijn bollen draagt;
 zijn klop in haar was als hun wanken;
 en van ons bei was ík de kranke
15
 die beeft en om verlossing vraagt.
  
 En toen 't uit haren smart geboren
 bij halos van haar dankbaarheid,
 stond ik gelijk een wees verloren
 waarvan geen menschen-hart zou hooren
20
 hoe hij om doode moeder schreit.
  
 En 't lag in zijne wolk'ge kribbe
 wonder-verlaten, rood en schraal
 gelijk een late, draal'ge straal,
 of, aan een levens-moede lippe,
25
 een schemer-kleurige adem-haal.
  
 Maar neen, o God: het lag te blinken
 zooals bevrijde oneindigheid;
 zoo ziet men U den avond drinken
 ten zoom der zee en 't zonne-zinken
30
 als aan een beker dien gij bijt...
  


[p. 56]

 
 Dús zagen we uit ons reeuwsche geuren,
 uit woeste liefde, uit norschen geest,
 zich dit onnoozel kindje beuren.
 - Thans staan we, God, aan Uwe deure
35
 gelijk de hond die slagen vreest.
  
 Zult Ge er de loome rust van wasschen
 en 't hunkren om 't beminde wee? -
 Het doode water van de sassen,
 dik-blikkerend van gist en gassen,
40
 bereidt ter zuivering der zee.
  
 Zult Gij het uit den doem verlossen
 van ruimte en dorst, van walg en tijd? -
 o Kreet van wien de baren drossen,
 en kleuren met steeds nieuwe blossen
45
 om steeds herhaalde mooglijkheid.
  
 Zult Gij 't uit weifelen en wikken,
 uit dom verschil dat hoopt en doodt
 tot Uw gevalligheid beschikken,
 o Schutter die, na 't oolijk mikken,
50
 in 't eigen oog de wereld schoot?
  
 Bewuste Veger der woestijnen,
 vroed Zaemlaar van het vol gevecht:
 zal 't in een grijze leêgheid kwijnen,
 of zal zijn aanzicht lichtend schijnen
55
 aan een veroverende plecht?
  
 Wij zijn de Vader en de Moeder;
 wij hebben Uwen wil gedaan
 bij schreeuw en zweet, bij wrok en traan.
 Zult gij ons wilder en verwoeder
60
 gaan make' om een gerechten waan?...
  


[p. 57]

 
 Maar neen: ons, armen, zult Gij teistren
 met deemoed, dankbaarheid en rouw;
 ons wordt de vreê, bij buigend peistren,
 van 't vee dat, maetlijk van gekouw,
65
 geen wolken kent dan aan haar schaaûw.
  
 Wij zullen, moede, nuchter worden,
 na al den drift, na zelfs het leed
 dat als een wroeging 't brein ons beet.
 Er is geen zegen dan in de orde;
70
 loon gaat naar wien te zwijgen weet.
  
 Dit kind, geheven in Uw vonte
 tot bittren zoen, tot wrang gebod;
 dit wichtje, bleek van onze zonde:
 Gij hebt het aan ons lot gebonden
75
 als een profijt'ge straf, mijn God.
  
 Doch - niets kan ons den droom onthouden
 die de' allerijlsten nacht doorglanst,
 waarin het blijde blinken zoude
 zooals het luchtig kaf dat, gouden,
80
 van uit den wan ter Zonne danst!