[p. 59]

I De heete asch



[p. 61]

[GZ2]

 'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend
 al wemelt twijfel in de opalen van mijne oogen;
 'k heb in mijn leven meer geloochend dan gelogen,
 en ziet: de bitterheid ligt om mijn mond versteend.
  
5
 o Gij, die morgen om mijn laatste bed gebogen,
 u voor het raadsel van dees ziele hebt vereênd:
 uw zucht trilt door een ijlt die gij vol wisheid meent
 en mijn gebrek aan smart vervult gij met meêdoogen.
  
 Of ik genieten wil dan of ik lijden mag:
10
 ik wacht op tranen in de dorheid van een lach
 en 'k vrees mijn tand waar hij de lippe Gods zal bijten.
  
 Ik ben de lafaard die, voor eigen vreugd bedeesd,
 zich-zelf van alle paradijzen heeft verweesd,
 en 'k voel me schoon alleen waar 'k beef voor zelf-verwijten.


[p. 62]

[GZ3]

 De nacht, de zwoele nacht heeft me als een wijn bevangen.
 Terwijl een schijnen-rijke wâ mijn brein omwindt
 komt uit de diept geen dageraad mij tegenlangen,
 omvangt me een woel'ge duisternisse die mij bindt.
  
5
 Ik ben geen bake; geen verwijlen, geen verbeiden;
 geen duizeling van hoop, geen duizeling van dood.
 Ik ben alleen, bij holle ontstentenis van lijden,
 ik ben niet meer dan lijdelijk een moeder-schoot.


[p. 63]

[GZ4]

 Gelijk een hond die drentlend draalt en druilt
 om eigen vuil, beruikt met schroom'ge teugen...
 - Waarom uw avondlijken vreê bevuild
 met slijk van derf verleden, o Geheugen?
  
5
 Gelijk de vogel die zijn woonst beslecht
 met peerlen bloeds, door de eigen pluim te plukken...
 - Waarom, waarom uw beeltenis gerecht
 uit leem van leed, vereeuwigend Verrukken?
  
 Ach, diepte huilt en ijlte is hoogste kim;
10
 begeert moet zich aan onmacht vergewissen;
 en alle liefde is lammer dan de vin
 van doode visschen.


[p. 64]

[GZ5]

 Harde modder, guur krystal:
 in mijn naakte woonste
 rijk en arm aan niets en al,
 ben 'k de ziekste en schoonste.
  
5
 Huis dat afsluit en dat kijkt:
 hart dat, onbewogen,
 hoort de zee die wast en wijkt
 vóor verzádigde oogen.
  
 In geen spiegel, gruwvol-eêl,
10
 't beeld van een begeeren.
 Al de beezmen zijn te veel
 om den grond te keeren.
  
 Ziekste en schoonste; - neen: zelfs niet
 de armoê van te weten
15
 dat u niemand lijden ziet,
 en de schoonheid u verliet
 waar gij roerloos in uw Niet
 waart gezeten.


[p. 65]

[GZ6]

 Een vrucht, die valt...
               - Waar 'k wijle in 't onontwijde zwijgen,
 buigt statiglijk de nacht zijn boog om mijn gestalt.
 De tijd is dood, omhoog, omlaag. Geen sterren rijgen
5
 haar paarlen aan 't stramien der roerelooze twijgen.
 En geen gerucht, dan deze vrucht, die valt.
  
 Een vrucht.
               - En waar ik sta, ten zatten levens-zoome,
 vol als de nacht maar even stil; blind als de lucht
10
 hoe rijk ook aan 't verholen licht van mijne droomen,
 voel 'k - loomer dan in 't loof der luidelooze boomen
 een vrucht die valt, - mijn hart, gelijk een vrucht
 die valt...


[p. 66]

[GZ7]

 Ik heb mijn zuiver huis gevuld
 met al de teeknen van mijn schuld;
 mijn vrouwe zou verdonkren
 in 't schroeien van mijn helsche licht,
5
 en mijner kindren aangezicht
 zou van mijn zonde flonkren.
  
 - Gij toont mij hoe het linnen blinkt
 en hoe voor 't venster hinkepinkt
 (o huislijkheên) een meeze,
10
 gij mijne vrouw;... maar in u bijt
 om mijne norsche heimlijkheid
 het kloppend hol der vreeze.
  
 En onze kindren, - zie, ze zijn
 gelijk een vat te vol aan wijn:
15
 zij gísten; en hun schouders,
 van loochnen strak, van wil doorwoed,
 zijn als de tafelen der boet'
 van hun verduldige ouders...
  
 o Wee die voeden, en wier hart
20
 in sloopende eenzaamheden mart;
 die de eigen liefde ontkennen
 om vrees der vrouwe, om bronst huns zoons,
 en aan hen-zelf van 't mes des hoons
 Gods aangezichte schennen.


[p. 67]

[GZ8]

 Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden
 we zijn alleen door ruimte, alleen door tijd,
 we zijn alleen door wrok of vrees gescheiden.
 Maar 'k weet dat gij moet lijden, daar ik lijd.
  
5
 De dubble vaart van uwe hooge beenen,
 de dubble zon van uw gescheiden borst:
 gij zijt niet henen want ik ben niet henen;
 uw holle mond droogt van mijn heeten dorst.
  
 En ik, druk ik mijn vuisten in mijne oogen,
10
 elk oog zal branden als wanneer uw zoen
 tot eigen klaart hùn klaart had aangezogen,
 hoe 'k ze ook alleen op ijlt zal opendoen...
  
 Gescheide' in 't uur, gescheiden in de wijdte
 gelijk de zee van 't zwerk gescheiden ligt.
15
 Maar steeds zal 't zout mij van ùw drift doorbijten,
 steeds blijft gij huivren van míjn heerschers-licht.


[p. 68]

[GZ9]

 Diep aan uw hart, diep in uw haar te zullen slapen,
 o duizel-zwarte vacht;
 uw kin een kegge klaarte op mijn doorpraamde slape;
 ik, eindlijk, naar mijn zèekren nacht;
  
5
 uw adem die uw rug beweegt en die mijn bloote,
 mijn open voorhoofd schroeit;
 maar mijn bewegend oog dat, op uw licht gesloten,
 als een bewogen roze bloeit;
  
 mijn oog, dat, trager, dra zijn open licht zal sluiten
10
 gelijk een roos zich sluit;
 (de zonne-dag is vol aldra en loomt daarbuiten,
 die davert nog ter venster-ruit):
  
 loope over 't uur het uur in eeuwige geboorte;
 staêg maaz' de zee haar net:
15
 ik eindlijk duik in 't eindloos duister van uw klaarte
 gelijk een beedlaar in een bed.
  
 En wake uw blanke blik, verstard in bang begeeren,
 gelijk een dubble brand:
 'k zink in uw haar; 'k brand aan uw hart; gij zult niet weren
20
 den stempel van mijn slápers-mond.


[p. 69]

[GZ10]

 Ik zet mij naast mijn naakte zuster:
 zij draagt de merken, lam en fel,
 van wat haar droever en bewuster
 moet maken van haar norsche hel.
  
5
 Zij heeft veel kinderen gedragen
 in haren bleek-doorreepten buik,
 en als van ongekende plagen
 is hare borst verneêrd en sluik.
  
 Hare oogen waren vochte spheren
10
 'lijk de aarde blinkt van zonn'ge zee;
 thans zijn ze tranend van ontberen
 en glanzend slechts van koortsig wee.
  
 Toch hangt zij me aan als zware trossen
 beladen met den warmsten drank;
15
 en 'k weet dat niets mij kan verlossen
 van liefde en trots, van leed en dank.
  
 Wij zijn allang, allang gescheiden;
 nooit danst haar lichaam door mijn droom,
 hoe zij moog' hunkeren en beiden,
20
 en hoe zij bidde, en hoe zij schroom'.
  
 Maar zie: van de allerwreedste mannen
 heeft zij den wuftsten lust gevoed,
 en op hun nukken blijft gespannen
 het kloppen van haar pijnlijk bloed.
  
25
 Zij draagt in zich het zekerst teeken
 dat ik me aldoor tot jeugd herbaar,
 en hare lippen zijn de kreken
 waar 'k eens mijn moer'ge moeheid gaêr.
  
 En 'k hoop dat ik, ten laatsten dage,
30
 een gier'gen God de dierste buit,
 niet naar de hand zal moeten vragen
 die, zonder wrok en zonder klagen,
 me op mijn berooidheid de oogen sluit.


[p. 70]

[GZ11]

 o Blik vol dood en sterren,
 o hart vol licht en leed.
 De dag is spijtig verre;
 de nacht is hel en wreed.
  
5
 Mijn mond vol wondre smaken
 dien géene vrucht verzaadt.
 Niemand, o hunkrend waken,
 die langs mijn venster gaat...
  
 Wij zullen nimmer wezen
10
 dan Godes angst'ge weezen.
 - God, laat ons waan en schijn
 dat we Uwe weezen zijn.