[p. 71]
II De schurftige danser
[p. 73]
1
[p. 74]
[GZ12]
- Ik kom alleen, bij nacht, in deze zee-stad aan.
- Van uit den zoelen trein en 't zacht-doordeinde vluchten
- ineens, pal, in de wervel-hoos der kille luchten
- waarvan de zweepen gierend me in 't gezichte slaan.
-
- 5
- De zwerken veêg van licht, waar masten, ra's en
touwen
- de teeknen schrijven van onzeekre rust en reis.
- Geen leven, dan de ronde wind die zwiert zijn zeis
- en, verre, de aêm der zee bij zuigen en bij stouwen.
-
- Ben ik de balling? Ben ik die het Leven zocht?
- 10
- Ben 'k, wie zich-zelf ontvlucht, bewust van nimmer
vinden?
- Was 't de onmacht die mij dreef der al te zeer beminden
- of droog de dorst van hem die nooit beminnen mocht?
-
- Ik heb de kameren gesloten op haar geuren;
- ik sloot de erinnring op de leugen van 't gedicht.
- 15
- Thans: zwarter dan de nacht aan 't nachtelijk gezicht
- waarvan geen scherpe maan het guur geheim komt scheuren.
-
- - Ik kwam; ik kom; ik ken alreê mijn eenzaamheid.
- Verzoeking van de zee, reeds voel 'k u van me wijken.
- En 'k luik mijne oogen, moê van in deze ijlt te
kijken,
- 20
- onzichtbaar, maar die mort en bijt.
[p. 75]
[GZ13]
- Over de zee hangt matelijk te tampen
- een zoele en droeve klokke door den mist.
- De dag is zonder klaarte en zonder lampe.
- Hij, die zijn hart bezit, weet wat hij mist.
-
- 5
- Een stemme galmt, en ieder loopt verloren.
- Ik loop alleen. En 'k weet dat duizend zijn
- die naast me dragen door te dichte smooren
- 'lijk al te volle teilen melk hun pijn.
-
- Ga niet terug: gij zult den weg niet vinden.
- 10
- Gisteren, morgen, en eenzelfde klacht.
- De mist-klok zingt onzichtbaar-manend in den
- dag-witten nacht.
[p. 76]
[GZ14]
- De zee wacht. Maar ik doe mijn deure dicht.
- Het grollend tij, dat stuwend stuift in vlokken,
- en schuivend de ebbe in recht-geschilferd licht
- ontvangt mijn luim op mokken en op hokken
- 5
- en de' effen wrok van mijn gezicht.
-
- Dag; nacht; gewoel der heemlen; zee die praamt;
- gelaat der aard dat barst van innig branden:
- ik voel uw koorts ter leêgte mijner handen;
- het is in u dat mijn verlangen aêmt;
- 10
- maar 'k loochen u tusschen mijn tanden.
-
- 'k Heb u genoten. En 'k heb u gedorscht
- opdat na licht en schaaûw, na graan en zemel,
- ik 't baatloos glanzen kenn' van ijl gewemel.
- Thans ben ik, in de ontstentenis van dorst
- 15
- en honger, geeuw van zee en hemel.
-
- Want ik ben naakt van klaarte en naakt van 't git
- des sterren-nachts, ik die weleer zou rijden,
- een rustig ruiter, op de maat der tijden.
- Thans zwelg ik, in 't steeds meer beperkt bezit
- 20
- der schemer-woning van het lijden.
-
- Bedwelming van het teêr-gekoesterd wee:
- ik weet, 'k heb eindelijk me-zélf betreden.
- 't Verleên ommuurd; van drab omwald het heden;
- geen wegel; en ter deure alleen de doove bede
- 25
- van wie daar leed nog meer dan 'k leê.
[p. 77]
[GZ15]
- o 'k Weet dat ik, onttogen aan 't orkaan
- van donkere aard-spelonk, eens kwam te staan
- als boven gif-moerassen eene vlam,
- gelijk een vlam boven den moeder-grond:
- 5
- den nacht onttoge' en die te lìchten stond.
- - En 'k heb gedanst gelijk een vuur-kolom;
- ik ben van weelde een vuur-kolom geweest
- die vierde van haar macht'ge laai een feest,
- aldaar ze 't al vermocht te maken licht
- 10
- in 't eigen vuur van 't al-terend gedicht.
- - En 'k weet: 'k heb eigenmachtig als de zon,
- 'k heb zonder reden, dan omdat ik wàs,
- gedanst gelijk de volle zomer-zon,
- door 't zuil-gewemel van het lorke-bosch.
- 15
- Van elken boom zoo heb 'k een toorts gemaakt,
- een goud-metalen staf die flakker-blaakt,
- die schoon was van mijn gloed, en 't niet en was
- als ik níet zijn en wilde 'lijk de zon
- door 't zuil-gewemel van een lorke-bosch.
- 20
- Ik weet mijn eigen schoonheid: dat ik, bron
- van alle schoonheid, schoonheid wekken kon;
- en zelfs dat ik mijn schoonheids-plicht volbracht
- gelijk een kind onschuldig, en dat lacht...
-
- Maar neen...
[p. 78]
[GZ16]
- 'k Heb noodloos door den boôm geboord
- een wortel, ter geheimste waetren:
- nooit bloeit een tak uit mij, noch hoort
- de wind het trillen van mijn woord
- 5
- door 't hoog gebladert schaetren.
-
- Ik ben geen koninklijke bij
- gevangen in haar vruchtb're celle;
- want nimmer zwaait een vreugde uit mij
- de nijvre zwermen die, te Mei,
- 10
- de ruit'ge raat doen zwellen.
-
- En 'k ben den rechten weg gegaan,
- den afgrond tegen van 't ontzeggen.
- Er ís geen afgrond. En mijn waan
- wou nu maar liefst wat slapen gaan
- 15
- en lam ter rust zich leggen.
[p. 79]
2
[p. 80]
[GZ17]
- ‘Gij zijt de hond niet aan de deur van uw geluk.
- Gij kent geen honger dan naar steeds-gescherpte zorgen.
- En, bij het weiflen aan een ongeboren morgen,
- schiet gij de luchters van uw schoonste weten stuk.
-
- 5
- ‘Hoe de armoê van een weeûw uw
medelijden borge;
- hoe de eêle glimlach van een kind uw vreeze smukk':
- gij blijft op uwe vreeze als op een liefde tuk
- en zult uw medelij'n gelijk een basterd worgen.
-
- ‘Gij weigert, daar gij vraagt. Gij kent geen grooter
vreugd
- 10
- dan voor de felste wonde op Godes rots te knielen,
- ontuchtig aan uw lijf en tuchtloos aan uw ziele;
-
- ‘dronkene aan leêgte, die geen zatheid kennen
meugt
- tot aan den dag der straf dat God u van zijn lanse
- zal porren, tot gij weêr en goddelijk zult
dansen.’
[p. 81]
[GZ18]
- ‘Uw eenzaamheid? Gij zijt als die wolvin.
-
- ‘Zwijmlend van honger, en van moederschap
- bliksmen-verblind en 't ingewand doorflitst,
- heeft, bij de trill'ge guurt van winter-nacht,
- 5
- in 't gladde leem van een doorweekte sloot,
- deze wolvin, al hare tanden bloot,
- geworpen zeven jongen, schicht aan schicht.
-
- ‘En in den nacht heeft niemand haar gezien,
- en geen geluid is in den nacht van haar.
- 10
- Zij ligt. Zij beeft. Traag likt ze hare wond.
-
- ‘Maar in een verre wijdte, de einders rond,
- op elke hoeve snuift, aan 't eigen hok
- geketend - en ze snokt haar kele toe -,
- snuift teef aan teef den geur dier moeder op.
- 15
- Haar kranke weelde schiet de flanken door;
- begeert dooradert de oogen; dof gemor
- wordt huilen, hoeve aan hoeve, vert aan vert.
- Zij liggen aan den band. Hàar lijf is hòl...
-
- ‘- Uw eenzaamheid? Werp uwe kindren, gij!’
[p. 82]
[GZ19]
- ‘Nimmer zult ge 't licht beletten,
- bij den nieuw-geboren dag
- 't zee-gewemel uit te zetten
- tot een eindloos sterren-rag.
-
- 5
- ‘Nimmer zult ge 't leven weren,
- of een vogel raakt uw ruit
- die van hongerend ontberen
- maakt een zoet en schoon gefluit.
-
- ‘Nimmer zult ge liefde ontkennen,
- 10
- of uit de oogen van een kind
- zult ge in angst en armoê kennen
- dat ge u-zélf te zeer bemint.
-
- ‘En gij zult uw lijden moeten
- leeren smaken als een vrucht
- 15
- waar, gerijpt, elkaêr ontmoeten,
- zwaar en louter, aarde en lucht.’
[p. 83]
[GZ20]
- ‘En hoor uw hart: hoort gij uw hart niet slaan?
- Dàar is de maat waarop uw dagen dansten.
- Niet wen gij waart met weelden overlaên
- of dronken van een overmoed'gen waan,
- 5
- stond ge in de rei die blij den tijd omkranste.
-
- ‘Brandde in uw brein al 't lijden dat het droeg:
- leg op uw hart uw hand, en gij zult hooren
- al de geheimen die, nog ongeboren,
- zich voede' als aan een aren-zware voren
- 10
- gesneden door uw pijne, o klare ploeg.
-
- ‘Niet gíj beschikt de zwaarte van de schoven
- en buíten u wordt alle zaad gekeurd.
- Tracht in u-zelf berustend te gelooven,
- aldaar ge uw hart, aldaar ge uw bloeme beurt,
- 15
- indachtig dat geen roos in de ijlte geurt.’
[p. 85]
3
[p. 86]
[GZ21]
- Schaduw in den schaduw zijn
- en zich-zelf vergeten,
- - was daar niet van de oude pijn
- nieuwe bete.
-
- 5
- Zwijgen, 'lijk de zonne zwijgt
- in de rechte halmen,
- - hijgde niet 'lijk storrem hijgt
- lijdens galmen.
-
- Heel mijn lijf is droef en trotsch
- 10
- in de smart geklonken.
- - Gij, o God, klets uit de rots
- eindlijk vónken.
|