[p. 87]
III Verzoeking van God
[p. 89]
[GZ22]
- Wij zijn nog niet genezen van onze oogen:
- verdeelde schoonheid die gescheiden ligt
- in klaarte of duisternis, en, zwaar of licht,
- aan weelden rijk, door niets zijt opgetogen
- 5
- naar de opgeloste zuiverheid van 't Licht.
-
- Wij zijn van onze handen niet genezen
- die hare koelte gretig warmen gaan
- aan al de vaste vormen van den waan:
- vergeefsche hoop, eens vol aan ijlt te wezen
- 10
- en onbeweeglijk in 't ontberen staan.
-
- Wij zijn nog niet van reuk, noch zijn van ooren,
- wij zijn nog niet genezen van het woord;
- wij snuiven de' aêm uit de omgedolven voren;
- een vrouwe-stemme komt ons hart bekoren,
- 15
- waar de eigen klank als wijsheid ons bekoort.
-
- Wij zijn nog niet genezen van de wake;
- wij zijn nog niet genezen van den slaap;
- geneuchte!: een doornen-roze om onze slaap;...
- - gebondnen, tot de dood genieten slake
- 20
- en, overtuigend, ons de zonde rake
- die van haar vuur ons lippe zuiver make:
- o Goddelijke wrake!
[p. 90]
[GZ23]
- 'k Ben hier geweest, 'k ben daar geweest,
- 'k ben aarde en heemlen naar geweest,
- en - wat heb ik gevonden?
- Geen fakkel feller dan mijn licht;
- 5
- geen spiegel voor mijn aangezicht;
- geen zalve voor mijn zonde.
-
- Eens bood 'k me-zelven 't lief genot
- van eene tafel zonder God.
- - Het zout der zee gedronken,
- 10
- het zout der aard doorbeten, was
- 'k die bij het maal der eigen asch
- heb 't eigen bloed geschonken.
-
- Hoe lange duurde wel dat feest?
- Gij zijt de laatste gast geweest,
- 15
- Dood: uw verwonderde oogen,
- Dood: uw volstrekt-genaaide mond
- verwezen 't hoofsch-geboôn verbond
- met mijne zatte logen.
-
- Toen móest ik wel op tochten uit
- 20
- naar overdrachtelijken buit,
- o hongerige Jager!
- En mijne huid, van vorst doorkeend
- tot op de kilte van 't gebeent,
- glansde geraamtlijk mager.
-
- 25
- En - 'k ben hier geweest, en 'k ben daar geweest,
- 'k ben helle en hemel naar geweest.
- En wat heb ik gewonnen?
- Geen duister schooner dan mijn licht,
- en mijn gezicht, mijn graauw gezicht,
- 30
- 'laas!, nog de schoonste zonne...
[p. 91]
[GZ24]
- Eens groeit een boom uit mij, en 'k weet denwelke.
- Terwijl mijn vleesch in lijmig vocht vervloeit
- draagt hij, als gulden kandelaren, kelken
- waar, in den killen daauw, Gods ooge gloeit.
-
- 5
- Maar, zoo daar englen zijn (en steeds houdt wake
- een krans van englen om den donkren tronk,)
- die zich ter kelken laven, zie: zij smaken
- de rotheid van mijn vleesch in hunnen dronk.
[p. 92]
[GZ25]
- Wat weet gij van kwetsuren,
- die niets en moest verduren
- dan, lollend, stamp of stoot?
- - Ik kwispel van de kuren,
- 5
- mijn leven door, der Dood.
-
- Ik ben, die draag mijn smarten
- als kostelijke parten
- die 't listig lot me speelt,
- en die, om 't lot te tarten,
- 10
- niet huilen zal, maar kweelt.
-
- Ik ben, gebenedijde,
- die koestert 't bloedig lijden
- dat heel zijn vleesch doorrot,
- om 't, hooploos schier, te wijden
- 15
- aan 't weigeren van God.
-
- Want heeft Hij mij verwezen,
- met pijne in poot en peeze,
- met kilte in lende' en leên,
- als bij geboorte een weeze
- 20
- op een verlaten steen;
-
- want zou Zijn wil mij plaatsen
- als laatste der melaatschen
- op den verlaatsten kei:
- nóg zou ik mij niet haasten
- 25
- te weiflen tot ik schrei.
-
- Waar 'k immers, rotte pure,
- (wat weet gij van kwetsuren?)
- trotseer de felste proef,
- tot dat ik van verduren
- 30
- dien guren God bedroef,
- dien guren God bedroef.
[p. 93]
[GZ26]
- 'k Zit met mijn lamme beenen
- in de assche van een stervend vuur.
- Ik bid; mijn vrienden weenen;
- en 't hangt mijn keel uit op den duur.
- 5
- Zal ik mij dan vervelen
- met langer Job te spelen?
- De schoonste lol, de liefste lol
- maakt op den einde dol.
-
- De schapen moet men scheren
- 10
- en de ezels moet men slaan, ja slaan.
- Zoo wil 'k, in alle zeere,
- mijn lamme beenen gaarne braên.
- Mits 'k U dan maar en geve
- het zout van dit mijn leven,
- 15
- en van mijn wrokkig offer, God,
- niet worde te eigen spot.
[p. 94]
[GZ27]
- Handen, die van goeden wil,
- needrig-moede, zijt getuigen, -
- waar deze avond, rood en stil,
- daalt om daên en daalt om tuigen;
-
- 5
- armen die van goeden moed
- trillen gaat door warme spieren, -
- waar de laatste dages-gloed
- mijne ruite komt vercieren;
-
- - weêr keer ik het duister toe
- 10
- van mijn huis en mijn gedachten;
- sluit ik op uw luister toe,
- Nacht, mijn eigen armoê-nachten;
-
- en, waar ik u weêre-vind,
- Eenzaamheid met wijkende oogen...
- 15
- - o, te schreien als een kind,
- in zijn hoop bedrogen.
[p. 95]
[GZ28]
- Het huis is rondom mij vol sletten en soldaten.
- Terwijl ik sta gelijk een blinde in 't volle licht,
- slaat, met de hitte van een haat, in mijn gezicht
- het kreunen van hun vreugde en van hun lijden 't blaten.
-
- 5
- Zij vollen 't huis; zij drommen alle gaten dicht,
- tot hun gedein gaat stroomen over plein en straten,
- en de avond blaakt van hunne laaiende gelaten,
- en de aard gaat dreunen van hun draaiende gewicht.
-
- Ze ontroeren in hun lijf Uw genegeerde kiemen,
- 10
- versmade God; - terwijl ik, meen'gen dood verzaad,
- in mij de glanzen poets van 't eigen dorre zaad;
-
- en Gij, mijn God, dit aanzicht kerft met al de vliemen
- die hun ontkennend schateren mij tegenslaat,
- en - míj den troost onthoudt aan Uw besmeurd gelaat.
[p. 96]
[GZ29]
- Gelijk het gonzend bliksmen van motoren,
- waaraan een menschen-wil zich-zelven riemt,
- het ondoorgrondlijk-ijle wil doorboren
- tot waar 't den blik van Godes oog doorpriemt;
-
- 5
- neen, gelijk licht in licht: gelijk een kaarse
- zóo karig, dat de zonne haar doorvreet
- van 't vroege groenen tot het late paarsen,
- maar die haar kleinheid onverdoofbaar weet;
-
- neen, gelijk karpers die ter dikste drabben
- 10
- wat leven gapen, tot de Dood ze treft
- die dán eerst, door de peerlemoeren schabben
- hun blonden buik naar 't waaiend lichten heft;
-
- maar neen, maar neen: 'lijk aarde en 'lijk metalen,
- verdicht bij dringe' en zuigen van 't heelal,
- 15
- worden verhole' en ongenaakb're stralen
- vergaderd in èen trane van krystal;
-
- neen, dood stuk vleesch, vervloeid in logge beken
- of weeldrig bloeiend in een wormen-feest;
- neen, slechts dat vleesch, dat vleesch en arrem leken,
- 20
- en 't lage beest dat danst op 't hooge beest;
-
- neen, neen, o God (ik weet niet hoe te zeggen;
- ik weet niet, God, ik weet niet, maar ik zeg:
- God);
-
- gelijk de...
-
- 25
- gelijk...
-
- ...
|