[p. 97]

IV Geboorte van den honig



[p. 99]

[GZ30]

 Stilte is de stelligheid die nooit begeeft.
 - Ik streel uw haar, mijn broeder: onze zuster
 dooraêmt de stilt', waar ze in de stilte leeft
 bewuster.
  
5
 Bij scheemren stikt ze een zijden roze, die,
 mijn broêr, nooit in een vruchtb're zon zal leven.
 Zij heeft een hart: daar komt een donk're bie
 te beven.


[p. 100]

[GZ31]

 Gij rijst aan mij gelijk een vlindering van bloemen.
 Reeds is de zoelt geen geur en 't bloed geen zoelte meer.
 Mijn oor vergeet de stilte om naar 't omkransend zoemen
 te luistren van een aldoor-schaarscher bijen-heir.
  
5
 Nog sta 'k aan trossen rijk, aan bleek-geschelpte trossen
 zooals uw keen'ge stam, o kromme acacia;
 doch zal rondom mijn voet het drassig gras aldra,
 van felle bloemen geel, aan vale bloemen rossen.
  
 - Eerst waar de wind ze drijft komt cirkelend de spreeuw
10
 die van haar schreeuw, en menigvoud, mijn boom omvademt.
 Toch voel 'k reeds de einders naakt en open op den geeuw
 waarin een zaal'ge winter ademt.


[p. 101]

[GZ32]

 Die mijn linker-hand omvingert
 laat mijn rechtre vlak en leêg.
 Heel de herfst stolt in den wingerd;
 heel mijn hart is heet en veeg.
  
5
 Heil'ge koppigheid van 't lijden:
 geene hoop meer om me-zelf;
 slechts wat zonne bij 't verscheiden
 en wat maan in 't laatst gewelf.
  
 Neen: mijn eindlijk stoelken zetten
10
 aan den rand waar de afgrond gaapt...
 - Maar Gij zult mijn blikken betten
 met Uw duister, en beletten
 God, dat de ooge weent of slaapt.


[p. 102]

[GZ33]

 Sluit uwe oogen op het licht:
 dieper zal het branden...
 Nimmer is me uw lief gezicht
 liever, dan waar 't veilig ligt
5
 binnen mijne handen.
  
 Keer uw zinnen van den dag:
 langer zal hij duren...
 Rijker langend wordt uw lach
 waar hij schemert door het rag
10
 der verleden uren.
  
 Neuren als een voorjaars-wind
 bij geloken wachten...
 Mondje, dat geen vraag ontbindt;
 oogen zonder vrees, o kind;
15
 en uw haren, bleek en blind
 als de maan bij nachte.


[p. 103]

[GZ34]

 Waar me uw hulp genaakte, en lachte,
 lachte God uit uwe hulp.
 In het nachtelijke fulp
 ging een licht ontwakend wachten.
  
5
 Waar mijn angst u zou verzorgen
 in den nacht der ziekte: toen
 streek van God een bleeke zoen
 op uw aangezicht van morgen.
  
 Ik en gij, - en tusschen beiden
10
 beider zwijgen, vroom en bloô,
 om wat schromend bindt. En zóo
 aan ons zelven te verscheiden.
  
 Blik in blik elkaêr te kennen
 en verliezen, waar men vindt.
15
 Oogen, heel der wereld blind
 om aan Godes oog te wennen.


[p. 104]

[GZ35]

 Groeien uit het brassend weven
 van de zee, tot bloei verdicht,
 en gelijk een straal te streven,
 recht, naar de eenheid van het Licht;
  
5
 recht, van uit de woel'ge vaalte
 naar de klaart die kallem wacht;
 - o mijn rijpe ziele, haal de
 Hovenier die snoeit en lacht.


[p. 105]

[GZ36]

 Waarom verwijt ge mij de paden te verlaten
 die, van hun eigen blik verlicht, de menschen gaan?
 De zee klotst om haar-zelf en, zonder baak of bate,
 weet in haar slappen kom haar eindloosheid te slaan.
  
5
 Ik heb geen doel, mijn God, dan van Uw wil geboden.
 De zee slaat aan de maan de maat van allen tijd.
 Ik ga geen wegen dan, misschien, den weg der dooden.
 En 't is de weg der eeuwigheid.


[p. 106]

[GZ37]

 Er is geen tijd. Wat gistren was
 is wat vandaag me een liefde wijst.
 Herdenken: ongedronken glas
 dat morgen laaft en spijst.
  
5
 Wat is me droeve scheppings-daad
 en baren in 't gelaat der dood?:
 een kindje dat aan 't schaetren slaat
 daar 't wemelt in mijn schoot.
  
 Welke is de krankheid die me pijnt
10
 bij dreigend komen en vergaan?
 Wij zijn, daar ze onbeweeglijk schijnt,
 een sterre aan hare baan.
  
 Wij reizen, en uit ieder punt
 verrijst een einde, ontrijst begin;
15
 waar alles wat het leven gunt
 verlies is, en gewin.
  
 En komt eens de ongenoode Gast
 ons scheemren in 't vervaald gelaat,
 o Dood, met avond rijk belast:
20
 dàn wordt het dageraad.