[p. 107]

V God aan zee



[p. 109]

[GZ38]

 Gij zijt een bloem, - en 'k ben alléen met u,
 ten vroegsten uchtend, gij, een nuchter teeken.
 Naauw gaat de nacht op kuisch ontwaken bleeken;
 geen adem nog, die luw'.
  
5
 Nog ongeraakt de stolp der horizonnen.
 Slechts in het trilloos treuzelen, dat wacht
 op blanker welken van den tragen nacht,
 uw roerelooze zonne.
  
 Gij staat, en straalloos waezmend, o pateen;
10
 en, doet de dag u donkeren, mijn roze,
 nóg staat ge in 't dage' aan eigen licht te blozen
 waar 'k sta, met u alleen;
  
 met u alleen die van uw blonden luister,
 gij blinde, een ongeweten zonne zijt;
15
 waar 'k van me-zelven lijd,
 ik, in het veilig duister.


[p. 110]

[GZ39]

 Heb ik genoeg u lief-gehad, doorschijnend glas?
 - Nog dunner dan de daauw, nog heller dan het water
 dat uchtends mijne hand in uwen harden krater,
 o kelk, vergaêrend las:
  
5
 zoo draagt uw klaart haar vracht als een onzichtbare ijlte.
 Maar heft mijn hand uw koelt ten zoom van aarde en licht,
 dan haalt gij duizendvoud de zon uit hare steilte
 en welft naar u als naar een kim elk vergezicht.
  
 Gij vult met vinn'ge sterren u bij vollen dage;
10
 wankt mijne hand: een wei van diere' en bloemen wankt
 in uwen wand waar zelfs de zeeën wiegewagen.
 Heb ik u lief-gehad? Ik heb u niet bedankt.
  
 Bedankt, 'dat ik aan uwe klare en simple koelte
 in mijne heete vuist de heesche wereld sloot;
15
 bedankt, 'dat dezen dooven mond uw zuivre zoelte
 den dronk van vele en onbegrepen liefde bood.
  
 Want moest aan u dees vreugde een nieuwen waan ervaren;
 Glas, smeet te gruizel u 't negeeren van mijn trots:
 nóg zag mijn late spijt in elken schervel klaren,
20
 lang starend, de ooge Gods.


[p. 111]

[GZ40]

 Zie, ik ben niet, dan uit Uw hand geboren,
 een appel die, gerijpt, Gij vallen laat.
 Mijn geur vulde eens een duistre honig-raat.
 Thans ga 'k me-zelf in de eigen vrucht verloren;
5
 maar 'k weet dat Gode niets verloren gaat.
  
 Ik ken het nut van bloeien en van sterven.
 Ik heb bedwellemd, God, en 'k heb gevoed.
 Thans ben 'k die, beursch-verdorven, derven moet.
 Doch Gíj voorziet mijn eeuwig-daauw'ge verwe
10
 ten boom-gaard, waar Ge me eindloos geuren doet.


[p. 112]

[GZ41]

 Wie mij wat bloemen biedt, en 't zoete weren
 van weemoed volgens liefde-rijk gebod:
 is zij mij minder dan het daeglijksch keeren
 der helle hemel-spheren
5
 in 't zéker oog van God?
  
 Zijn mij die steeds-herhaalde en -nieuwe geuren
 wel minder, dan aan mijn vertrouwd gezicht
 het kallem en het koninklijke beuren,
 uit vochte en veer'ge veuren
10
 der zee, het zonne-licht?...
  
 - Wel word ik nooit het matelijke wikken
 (o gulden pols die door mijn ooren klopt)
 dat wijs bestieren zal en rijk beschikken:
 een vlinder die, bij tikken,
15
 zich wemelend ontpopt;
  
 maar worde ik dan, ter diepste en warmste korven,
 't framboosken, onder alle vracht geplet,
 dat, kenen-rijk gekneusd en dood-verdorven,
 aan 't laatste bloed gestorven,
20
 den dag in geuren zet.


[p. 113]

[GZ42]

 Wielwaal, die van rijpe kersen
 uwen rooden gorgel spoelt;
 ziele, die u-zelf te persen
 in den mond van God bedoelt;
  
5
 (want te worden riet ten tande
 die het zacht tot suiker bijt:
 speelsche en wijze vrucht, ter hande
 die de buit tot fluite wijdt);
  
 ... 'k sta in mijne diept geborgen,
10
 God, Gij die geen kersen zuigt,
 - kerse, ik, die als éene zorge,
 mond, naar Uwe bete buigt,
 mond van God...


[p. 114]

[GZ43]

 Er is geen smart te groot voor ons:
 wij zijn te glanzend van geluk
 dan dat de roodste en felste wond'
 ons niet als eene roze smukk'.
  
5
 Het effen leven, - blank geweef
 waarop ons vreugde of ons verdriet,
 al naar een trage zorg ze dreef,
 de teek'nen stikten van een lied, -
  
 geleek bij beurt ons schacht of schicht
10
 die duister brast of blinkend klaart.
 Maar wij staan lichtend thans in 't Licht
 dat in zich diepte en hoogte gaêrt.
  
 Er is geen nacht die wakend lacht,
 er is geen dag die open-slaat
15
 dan ons gelaat dat hoop-vol wacht,
 de teistring toe van Uw gelaat.
  
 En waar de stilte in 't hart ons bonst
 als teeken van een laatsten nood:
 't is of de trommel van den Dood
20
 - o horzel die de zon doorgonst, -
 ten vrijheids-tocht ons noodt.


[p. 115]

[GZ44]

 De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen.
 - Neen, blind uw blikken niet, want gij zult blíjven zien
 door 't ijl gordijn van 't uur dat glijdt de prille, brooze
 vereeuwiging van wat gij nimmer kent, misschien.
  
5
 De zee verschuift de zee: haar diepte zal niet roeren.
 Uw blik is blikken-vol, maar luikt op zich alléen
 de vlucht'ge schoonheid van ontgoochelend ontroeren,
 en gaat niet open dan op prismen van geween.
  
 Verstar uw pijnlijk oog op beelden die niet rijzen:
10
 een diamanten gruis dat heel den nacht verbrandt
 kan in de woeling van uw duister niets bewijzen
 dan, diep in u, een onbehouwen diamant.