[p. 117]
[GZ45] Uitvaart van den bedelaar
- Geen klok omgolft den dooven toren.
- Wat galmende aarde als een'ge klank.
- In 't holst ontberen naakt geboren,
- heeft hij thans de armoê-zelf verloren
- 5
- en is gestorven zonder dank.
-
- Hij, 't kind van duizend wilde schooten,
- werd lam ten laatste schoot gebracht.
- Zoo wordt de zieke aan boord der booten
- - gelaten, maar gevreesde vracht, -
- 10
- der zee gegeve', een zoeten nacht.
-
- En ach, hij was allang verscheiden.
- Geen liefde om ouders zonder brood
- kan duurzaam 't kinder-hart verblijden,
- wien de eerste les in 't onderscheiden
- 15
- de vrage van den honger bood.
-
- En wij, de Vader en de Moeder,
- wij zagen hem als wandlaar gaan
- de leêge wegen van zijn waan.
- o Hope dat hij, moede en moeder,
- 20
- weldra weêr voor ons deur zou staan.
-
- Maar neen: 't geheugen zou hem falen
- als 't zitten aan een langen disch
- waarbij de tanden langzaam malen:
- ontall'ge visschen boven-halen
- 25
- en 't nutten van geen enklen visch...
-
- En, vraat-zucht hij, en dorst van velen,
- werd dra hij zatheid van begeer.
- Wie nimmer ate en dronk mag deelen,
- vergeet de dorheid van zijn kele
- 30
- en kent den nood zijns monds niet meer.
-
[p. 118]
-
- Zoo heeft wellicht hij nooit begrepen.
- De mensch is zwaar; de God is licht.
- - Heeft hij, die thans begraven ligt,
- in 't dikke leem der aard benepen,
- 35
- 't bezoek gekregen van Uw Licht?
-
- Hij was de bedelaar geworden
- die nooit en vraagt, dien niemand geeft,
- die niet verlangde en die niet morde. -
- Kent hij thans 't liefde-woord der orde
- 40
- die geeft en die van gaven leeft?
-
- De zoon der dood, die van zijn oogen
- Uw oog niet oopnen zag, mijn God:
- hij had geen mond om veel te loven,
- hij die den géur slechts van den oven
- 45
- genieten mocht als daeglijksch brood;
-
- hij die in havens en gelaten
- alleen afwezigheid mocht zien;
- neen: hij die buiten allen bate,
- van liefde los en allen hate
- 50
- zich-zelven niet meer zag, misschien;
-
- - Gij, die tot beedlaars ons laat groeien,
- o God, als déze bedelaar,
- 'dat we in ontstentenisse bloeien
- en 'dat we alleen nog zullen gloeien
- 55
- als in Uw zon 't onschuldig aar;
-
- Gij, die van 't bloed en 't bloote water,
- van 't wassend tij, van 't wassend brood
- onthoudt, ons will'gen, hoog 't geschater
- tot vreugd van 't onbekende Later;
- 60
- doch laat ons zwaar en warm als lood:
-
[p. 119]
-
- geheime, Gij; de zéekre Zaaier
- die kiemen laat uit duisternis
- alléen, en uit ons rijk gemis:
- maakt Gij mijn beedlaar tot een waaier
- 65
- der zeegning over onzen disch?
-
- o Blijde Veger der woestijnen
- maar Zaemlaar van den versten straal:
- zal ik, zijn Vader, weêr verschijnen
- gezuiverd van den schijn der pijne,
- 70
- zijn Moeder, blank van moeder-praal?...
-
- - Wij hebben hem vandaag begraven,
- gebaarde uit onze onwetendheid.
- Doch wij, die hem zijn armoê gaven,
- bevroeden dat wie van ons lijdt
- 75
- ons soms een dankbaar loon bereidt.
-
- Ons werk is krank, nog vóor ons handen
- het moê beginnen te eigen leed.
- Maar wien 't gebed der offerande
- komt schroeiend op de lippen branden,
- 80
- o vinn'ge en zachte God: hij wéet.
-
- EINDE
|