[p. 121]

Het berg-meer



[p. 123]

[BM1] De blind-geborene

 Weêr nadert de avond want ik bad,
 o vér-verglanzend licht der kimmen...
 Maar neen: 'k lig strak gelijk een wad
 van 't eigen zout te glimmen.
5
 Een wadde, van de zee bepletst;
 van bijtende aedmen overgletst;
 mijn aanzicht kuil en hille,
 voor wind en water kruin en kelk.
 Maar 'k schijn onaangedaan en stille,
10
 want ik ben blank en blind als melk.
  
 Zij zeggen: melk. En 'k weet ze niet
 dan binnen harde en ronde wanden,
 daar ze in mijn holle lippen vliet
 kil naar mijne ingewanden.
15
 Zij zeggen: blank. Er is de zoelt
 die duurt, en uur aan uur verkoelt.
 Er is een slaap, en 't is het huizen
 van vele vragen in éen droom.
 De droom ontwaakt op open sluizen
20
 en op een nieuwen vragen-stroom.
  
 Zij zeggen: blind. En 'k ben de toren;
 'k ben leem, maar die een hemel schraagt
 en, diep of hard, aan rib of voren
 gelijken vrede draagt.
25
 Mat-bleeke als een Verrijzenisse
 binnen 't hoog welven van een nisse
 gebonden; doch beteekenis
 van wien de vleuglen nimmer wegen,
 maar zich betoomt, en van verzwegen
30
 begoocheling niet bleek en is.
  


[p. 124]

 
 Zoo lig ik onder hemel-golven
 gelijk een hemel-gladde zee,
 in 't eigen woelend wee bedolven
 met het gelaat der beê.
35
 Mijn nacht is reeuwsch, gelijk de brakken
 die woest de breede nekken knakken
 der beesten van het felste woud.
 Maar - wellust! - zie mijn lippen blaken
 bij dage, als rijpe perzik-kaken,
40
 want zij zijn bloot van bloed en zout.
  
 Ik draag in mij de norsche wolk
 gezwollen dreigend van onweêren;
 maar 'k zit bedolven in den kolk
 van diepe, veil'ge kleêren.
45
 Een meisje vindt mij schoon en koel.
 Mijn oog is statig als een poel
 voor kalme, bronzen-eeuw'ge visschen.
 En - 'k heb alleen mijn bitterheid
 om met de pluimen van den nijd
50
 mijn starre tanden te verfrisschen.
  
 - o Gij, wie 'k dit bestaan ontstal,
 Moeder, die nooit mijn lippen zochten,
 en Vader, dien 'k niet eeren zal
 om wat uw handen wrochtten:
55
 Gij die mijn onwil teêr omgeeft
 met liefde die van zorge beeft;
 die mijne liefde hebt verloren
 op de ure, dat mijn aangezicht
 in 't glanzen van uw dubbel licht
60
 voor 't eigen duister werd geboren;
  


[p. 125]

 
 verplegers der ontstentenis;
 o gij, die voedt uw lange vreeze
 met de armen troost dat mijn gemis
 een zéekre baat moet wezen:
65
 gij weet het niet, gij weet het naauw,
 maar 'k draag het teeken van een Vrouw
 tweevoudig in mijn borst gedreven;
 en 'k heb het teeken van mijn drift
 met hoogre hitte in haar gegrift,
70
 tot blijken van mijn machtig leven.
  
 En 't Leven schonk mij mild zijn loon,
 als aan een man die màg beminnen:
 o moeder, vader, 'k heb een Zoon
 om mij het licht te winnen.
75
 Hij ziet. En 'k ben in hem verblijd.
 Doch waar zijn nood mij tegen-krijt,
 heb ik geen handen die hem sussen.
 En 'k weet niet of mijn vrouw hem mint;
 maar ik ben woedend waar ze 't kind
80
 omaait met hare ziende kussen.
  
 Ach armoede, armoede, asch der branden
 waarvoor geen menschen-koude wijkt!...
 Heb ik een kind? Ik heb geen handen
 dien het zijn handjes reikt.
85
 Heb ik een vrouw? Eens volde een adem
 mijn koetse, en die van golv'gen vadem
 haar borst verhief en dalen deed.
 Thans wacht een ijlte tusschen beiden,
 en 'k raad een adem naar de zijde
90
 waar ik een kreun'ge wiege weet.
  


[p. 126]

 
 En zij die mij het leven schonken,
 ik weet: zij zijn al lange dood.
 Maar - heb ik ooit haar melk gedronken,
 gezonken in haar schoot?
95
 Heb ooit ik aan zijn harde knieën
 gestaan, waar woord-gegons als bieën
 verhaalde in zijn bewogen baard?...
 Ach armoede, armoede, asch der vuren
 die de eigen troostloosheid verguren
100
 wien zèlf de sprokklen heeft gegaêrd!...
  
 - Zoo leer 'k de lol van wijs ontkennen
 wat nimmer op mijn schouder woog,
 en 't deugdelijk profijt, te wennen
 aan wat den nek mij boog.
105
 Verheldert ooit begeerend wrokken?
 Ik zie de hoogte niet der nokken
 waaraan 'k me licht te pletter stoot.
 En nimmer moet het beeld van 't lijden
 verwringend het gelaat ontwijden
110
 waar duldend klaart het mom der dood.
  
 Hoe zou 'k een koene braauw vernorschen
 bij stil verweenen van een waan?
 Geen hoogmoed kan als teeken torsen
 het schittren van een traan.
115
 Wie zal een wakkren vrede werven,
 die door zijn roode koon laat kerven
 de dorre scherve van de pijn?
 Het gladde glas, de gleizen teile:
 zij bieden mild aan 't daeglijksch ijle
120
 het milde brood, den rijpen wijn.
  


[p. 127]

 
 De dag op zijne vilten voeten;
 een lach die beeft maar niet en faalt;
 elke aarzeling: een nieuw ontmoeten
 dat blijde u-zelf bepaalt;
125
 - er woont een vogel in zijn muite
 opdat hij keel aan kele fluite
 en schemering me aan scheemring daag';
 een graauwe en blind-gebrande vinke
 waaruit de kern der wereld klinke,
130
 o zon, en die geene oogen vraag'.
  
 En oogen, rijker dan alle oogen,
 die nimmer zien ten èigen baat
 maar van hun machtig-zoet vermogen
 begloren mijn gelaat;
135
 en handen die mij nimmer raken,
 doch warrem breiden aan mijn kaken
 de schaduw van haar zorg-gevlei;
 - zij, donkren, die mij, donkre, voeren,
 maar die ons duister niet beroeren
140
 of heel hun geur verroert in mij.
  
 Zij zeggen: ‘Hoor de lammren grazen:
 merk 't zwaaien van een zwaluw-vlerk;
 een perzik is, voor uw verbazen,
 steeds wordend Gode-werk.’
145
 En 'k weet: geen erve wordt mij have;
 geen dronk die blinke voor hij lave
 en van zijn luister vergewist:
 geribde broosheid die bestreelden
 mijn vingeren vergeefs! - doch weelde
150
 dat hare koelt mijn keel verfrischt.
  


[p. 128]

 
 Zoo word ik rijk aan elk beginnen
 die nooit de spijt van 't einde ken,
 en, waar ik veilig mag beminnen,
 me aan geene liefde wen.
155
 Verweesde aan kwellend-bral begeeren,
 kan 'k mijn verlangen braaf generen
 met bloode 't kloppen van mijn bloed,
 en, vroom bij mangel van vermoeden,
 zal 'k zelfs Uw wenk-braauw niet bevroeden,
160
 Gij God, dien ik niet danken moet.
  
 - De middag kraait de hanen wakker;
 het leven zwiert zijn norsch gezag:
 mijn aangezicht wordt strak en strakker
 als waar' 't een regen-dag.
165
 Misschien zal de avond teeder wezen;
 en 'k heb geen vraag, en 'k heb geen vreeze,
 waar 'k immer twijfel of ik lijd.
 o Zeurig-zoete caritate;
 zalige onweetbaarheid der mate;
170
 benepen-zoete armzieligheid...