[p. 129]
I De modder-haven
[p. 131]
1
[p. 132]
[BM2]
- De koffen aangebleekt van ongebluschte lucht;
- van zon-geduld haar wand gescheurd, die aan zijn reten
- al geeuwend kraakt en kucht;
- de kiel tot aan den boeg door wier en schaal bevreten;
- 5
- de mast waaraan de wimpel zakt, die zingt noch zucht;
-
- de loome kom waar holt aan holt de booten zakken
- in 't doove modder-bed dat aan hun flanken droogt:
- verstarrend graf der smakken...
- - o Gichel-zee die viert de hoop der ziekste wrakken!
- 10
- o Hemel die het lied der drenkelingen doogt!...
-
- Neen: luik uw zilvren blik op 't schaad'wen van de steilte
- der veil'ge kaaiën die genezen van 't gevaar
- der gretig-lokkende ijlte.
- De ijlte in het zatte hart van den veroveraar
- 15
- is dieper dan de zee en als de hemel klaar.
[p. 133]
[BM3]
- ‘Zou'n wij geen glaasken mogen drinken?
- Zou'n wij daarom een zat-lap zijn?’
- - De droesmen van de driften stinken
- nog meer dan moer van zieken wijn.
-
- 5
- ‘Zou'n wij geen meisken mogen kussen?
- Zou'n wij daarom een vuil-baard zijn?’
- - Maar wèlke boezem wordt het kussen
- voor deze lang-verzopen pijn?...
-
- Als koningen kwamen we uit den Oosten
- 10
- en hadden de zilveren matten aan boord.
- - Wij hebben wàlg om ons te troosten.
- Aan elke ra daar hangt een koord.
-
- Wij werden nuchter tot bewusten
- al bennen onze daden groot.
- 15
- En als men moede is, kan men rusten
- in uwe warme haven, Dood.
[p. 134]
[BM4]
- De meiskens uit de taveernen,
- zij hebben een malschen schoot.
- Zij zien er de jongens geerne.
- Zij baren haar kindren dood.
-
- 5
- Zij dragen van vurige zijde
- een keursken dat spant en splijt.
- We ontwaken aan hare zijde
- met den houten mond van de spijt.
-
- De ronde zee waar wij zwalken,
- 10
- die eindeloos wenkt en geeuwt,
- en ons doet van begeeren balken,
- en ons verre vrouwe verweeûwt:
-
- wij ankren in de taveernen
- waar geniepig een rust ons smijt.
- 15
- Daar wachten ons rood de deernen.
- Daar raken wij 't leven kwijt.
[p. 135]
[BM5]
- ‘Naar Oost-land willen wij varen’:
- het is er het oudste lied.
- Maar monden zijn vol gevaren;
- malheuren slapen niet.
-
- 5
- Al hebben kombuizen geen lichten,
- kombuizen hebben een bed.
- En de reizen zijn maar gedichten;
- en de slaap is 't rijkste gebed.
-
- Slechts verlangen kan nog doorrijzen
- 10
- wie daar ooit uit Oost-land kwam.
- Een bokking is zeek're spijze
- bij de talmende boterham.
-
- En maakt er de geur der zwam
- hier-binnen u langzaam lam:
- 15
- geur der zee vol amber is broos als
- bij rijzenden uchtend de vlam
- die geurt der vluchtige rozen.
[p. 137]
2
[p. 138]
[BM6]
- Ik ben 't geduld der brooze en lustelooze menschen;
- ik ben de afwezigheid van God in 't eigen hart;
- ik ben in de uren 't uur dat op zijn einde mart.
- Ik ben de vreê waar alle rozen in verslensen.
-
- 5
- Bewoont mijn stem het want waar groote vooglen waken
- met rustelooze vlerk die beeft gelijk een beê:
- er is geen wind die waakt en hapert aan mijn kake;
- ik ben in 't oor van doof een weeûw de zucht der zee.
[p. 139]
[BM7]
- Mijn God, gij ziet de zee die wemelt in mijne oogen;
- Gij ziet mijn open mond waaraan de hemel wacht;
- Gij ziet mijn tokkelende vingeren, bewogen
- van sijpelenden sterren-nacht.
-
- 5
- Mijn dagen zijn voldaan: verlàngen is gebleven.
- Gij ziet mijn heele lijf geschokt van hopende ijlt.
- Een roef bewaart mijn slaap; maar oude droomen leven
- waarin mijn veiligheid verijlt.
[p. 140]
[BM8]
- Een zeil, een zeil! Zie 'k daar geen zeil, gespannen
- gelijk de ronding van een jonge borst?
- De vrouw is de eeuw'ge maagd in 't hart der mannen;
- de zouten zee hun eeuw'ge dorst.
-
- 5
- Och, éens gedompeld in het zilt der zeeën,
- staat heel mijn lijf krystallen-rijk beglansd,
- waar, hoe verduisterd ook van kopp'ge weeën,
- de duizendvoud'ge dag in danst.
-
- - De huive van den nacht, gespanne' als zeilen,
- 10
- is zoel en strak alsof een god ze bond.
- En mijn begeerte is vlugger dan de mijlen
- die mijn gedachten keilen
- de vele zeeën rond.
[p. 141]
[BM9]
- Ik open me als een oog, den nacht verloren;
- 'k begrijp een licht, en 'k open me als een oog.
- Aan mijne wimpren wordt een dag geboren
- die wemelt van zijn zeven-kleurig gloren;
- 5
- 'k bezit stil-aan een zuivren regen-boog.
-
- Nóg lig ik, lam en lijdelijk gebonden
- binnen de liefde van mijn wètend leed,
- en zwachtlen van herinnering omwonden.
- Doch zie: de dag heeft me in mijn waan gevonden,
- 10
- en 'k word de spiegel die het beeld vergeet.
-
- Gevangen in de veiligheid der laagte...
- - ga 'k de ònrust dulden van een nieuwe klaart?
- Neen: de eigen duisternissen dóorgestaard,
- heb 'k, baatloos-open ooge zonder graagte,
- 15
- bevonden, God, dat Gij deze oogen waart.
[p. 143]
3
[p. 144]
[BM10]
- De treinen blazen de aard het zuigen toe der zeeën.
- Een laatste stad die zwoel en zwart den drift bedriegt;
- een loome lucht vol vromen slaap voor u, gedweeën;
- dan: onbegrepen vraag, gij, zee, die wekt en wiegt.
-
- 5
- De haven aan het eind der menschelijke straten:
- mijn rug is zwaar en moê van de ademen der dood;
- gordijnen eindloosheid bevalen mijn gelaat, en
- de koortse van mijn ingewand is droef en rood.
-
- Geboren in een oord dat alle waetren scheiden
- 10
- van dezen steenen steun aan dit verstoven strand,
- en 't zoet verbazen, deze lieve rust te lijden,
- en heimlijk vreeze' in ons van een bescheiden brand:
-
- heb 'k ooit gewoond, waar nooit een woon haar zeekre veste,
- o zee, van onbewogen ankren heeft beklemd?
- 15
- - Elk onweêr uitgespaard, bevoeren wij, de
bèsten,
- de wijze voren, ons voorzichtigheid bestemd.
-
- Zieke onbekende, zwart van dorst, die gilt van blikken,
- vol onbestendigheid en onverzaadlijk zout:
- zee, zelve zoudt ge ons lammen deemoed voorbeschikken
- 20
- het onaanroerbaar huis dat star ons binnen houdt.
-
- Uit allen wind geweerd, in alle zoelt gezonken,
- heeft nooit een hoop gegeeuwd die geene spijze vond;
- nooit heeft ons dorre mond van vonken daauw geblonken
- gelijk de roze van een open kinder-mond.
-
- 25
- Van eigen dorst de dronk, van eigen honger ate,
- onwetend van het glas dat geen gelaat en weet:
- o honden zonder doel waar naar geen schapen blaten;
- o boenders van de zaal die nooit een zool betreedt;
-
- en waar (met witten blik en brallen kin bedreven)
- 30
- de liefde in ons gelijk een zieke peer versteent,
- verzoening! voelen we aan ons taaie kleêren kleven
- de Stede, waar om ons de Vrouwe heeft geweend...
-
[p. 145]
-
- - Maar neen, maar neen: ons doove muur is vol geruchten;
- de vensters huivren van een dag die buiten bloost.
- 35
- Hoe ademt onze borst die, vol benepen zuchten,
- nooit dan de zwoelte drinkt die de eigen zwaarte loost?
-
- Verbied het gierig kind den mompelenden horen
- waar donker zwijmt het luisterlooze zee-geruisch:
- niets, dat uw wrokkig oor den zang belet te hooren,
- 40
- uit hoogte en laagte, breedte en diept van Godes
huis,
-
- o Zee!... - En, sluit op 't dure duister der geheimen
- 't fluweel der blikken en op 't duchten van uw vreê
- (de dag is flitsen-rijk die flitsen van de vlijmen
- der scherpe zeilen, als de zeisen van de zee),
-
- 45
- weet: éens toch scheurt uw rust de karteling der
vlammen
- die Kennen openbaart en die Bezitten bant;
- o zegen-rijke zee van vochte en vuur'ge kammen!
- o Blind-gevreten oog dat Eeuwig Licht doorbrandt!
|