[p. 147]
II Het berg-meer
[p. 149]
[BM11]
- De zon ligt in mijn linker-hand,
- en zijpelt door mijn vinger-brand
- van laag en logger bloed, in 't welkend westen,
- op dak en doom, alover vout en veste.
-
- 5
- De maan rijst uit mijn rechter-hand
- en zeeft haar weemlend zilver-zand
- alover wuiv'ge wake en schemer-weven
- van 't graan, waar de aedmen, blaauw, van 't graan in beven.
-
- Ik stijg al hooger uit het dal.
- 10
- Ik weet niet of ik keeren zal.
- Weldra zijn over alle horizonnen
- mijn ongeziene blikken de een'ge zonnen.
[p. 150]
[BM12]
- Ik heb dit hooger oord gekozen tot mijn woon.
- De liefde is mijde en mat, het lijden moede en menig;
- maar dit is 't oord waar 'k in een klare baak vereenig
- het vuur van liefde en leed gelouterd tot een loon.
-
- 5
- Hier, waar de schuine schaal der deinend-trage dalen,
- ten wijden einder van de hemel-schale reikt;
- waar uit den mond des tijds, bij maetlijk adem-halen,
- de ontvangen hemel-vrede eene aarde tegen-strijkt;
-
- ruste der ruimte, waar van alle horizonnen
- 10
- de ziel in peis de woel'ge lijnen over-ziet:
- dit is het oord dat ruischt van rustelooze bronnen
- maar, effen als een stroom, breed naar beneden vliet.
-
- En 'k heb dit hooger oord tot mijne woon gekoren,
- verruimd van eenzaamheid, verrijkt van de' eigen dwang...
- 15
- - Hier recht aan klepper-wiek in 't weemlend
uchtend-gloren
- de leeuwerik ter eerste zonne een zuile zang;
-
- hier, waar in 't zinder-zeil der lucht 't gebol der winden
- de macht des morgens joelend door mijn zinnen jaagt
- tot waar ze in 't evenwicht der middag-stede vinde
- 20
- gedegen wegen, en dat kallem wiege-waagt:
-
- hier rijst me, rijker dan de liedren van 't ontwaken
- waarin de leeuwerk haar gewiekten dank verkondt;
- hier rijst me, uit de' arrebeid in 't blinkend middag-blaken,
- de weelde tegen van den vromen menschen-mond.
-
- 25
- Maar niet in de ijlt der vreugde of 't streng geluk van 't
zwoegen
- herkent de diepte mijner ziel haar weder-klank.
- Mijne armen zijn verlamd die mijne dagen droegen;
- mijn keel is luideloos van een te vroegen dank.
-
- Hier waar 'k, al-eenig, op den hemel sta geschreven,
- 30
- doch waar geen menschen-oog mijn heldre beeltnis zoekt;
- waar 'k, zuiver als een god, me galmen voel van leven,
- maar waar geen echo 't lied van deze lip verzoekt;
-
[p. 151]
-
- hier waar ik, als een lens van elke zon beslagen,
- vereenigd tot het vuur van alle zonnen, straal;
- 35
- doch waar ik, 't oog op 't vlak van 't berg-meer koel
gedragen,
- zie hoe 'k als eêlste beeld al dieper de ijlte in daal:
-
- wat ik hier heb gezocht, wat ik hier heb gevonden,
- het is de schemer-schuur waar garve aan garve staat
- die, van mijn dure en warme weigerheid gebonden,
- 40
- haar harde zaad, en bateloos, aan de aar verlaat...
-
- - Zijn schoonste en derfste vrucht een dorren boôm
verlaten;
- om geene liefde zelfs de liefde van een traan;
- den mond geen mond; en geen verlangen andre bate
- dan dat geen wegels hooger sterven tegen-gaan.
-
- 45
- En - vrage van de vrouw die vreest om eigen wroegen;
- ach, aarzlend aaien van mijn kind dat niet begrijpt, -
- mijn lippen aan uw lippen, Licht, die niets en vroegen;
- mijn hart dat voor het bloed Uws harten 't lemmer slijpt.
[p. 152]
[BM13]
- o Vruchten-leêge schaal, o flanken rijk aan reuken
- die heel den zomer draagt maar niet verzaden zult:
- nóg komt een kopp'ge bij uw noodende ijlte beuken
- met hoornen hoofd en dom geduld.
-
- 5
- Ik ben 't gekorven hout waaraan geen trossen hangen,
- tot lucht verijld het hars dat uit de wonden droop.
- o Vruchtenlooze geur, wordt menschelijk verlangen
- ooit goddelijke hoop?
[p. 153]
[BM14]
- Ik weet: ik berg iemand in mijne woon.
- Neen: er verbergt zich iemand in mijn woon.
- Waar? Hoe? Er schuilt iemand in mijne woon.
-
- Mijn huis - gij kent het, - is van glas, en staat
- 5
- open altijd voor zon, in allen wind.
- Zóo kon hij binnen dringen. Doch: wanneer?
- Waarom? Daar is iemand in mijne woon.
-
- Hoe komt het dat ik nimmer hem en zie?
- Mijn glazen huis is rond en zonder hoek,
- 10
- doorschijnend als een spheer is van krystal,
- en glansloos als een zeep-bel die vervloog,
- en als een mugge die verdween geluidloos.
- En 'k zie hem niet. Maar weet: hij is op éen
- der stippen van de spheer; misschien op àl
- 15
- de stippen van de spheer, en te gelijk.
- De spheer is ijlt. Hij is 't besef der ijlt.
-
- Omdat ik hem niet zie, spreek ik van hem
- met niemand. Het is duidlijk mij, dat hij
- zich hier verbergen wil, en niet alleen
- 20
- voor mij bij wien hij inwoont, maar nog meer
- voor anderen.
-
- Voor mij spreekt het van-zelf, al weet ik niet
- waarom, dat hij zich goed verduiken wil.
- Het gunt de warmte waar 'k mij koestren zal
- 25
- in zijn bezit, zijn ijverig bezit,
- in angstig zijn bezit, zijn duidelijk
- en donker-diep bezit.
-
[p. 154]
-
- Want zie: hij is geworden mijne vreugd,
- maar ook mijn vrees: ik vràag zijne onbekendheid.
- 30
- - o Huis, mijn huis, ik voel in 't weeldrigst uur
- u vol van hem, gemeten aan zijn mond.
- Waarom dan zijt gij mij bij wijlen leêg,
- wepel van zijne dure aanwezigheid
- die onbevroed moet blijven?
- 35
- Ik weet dat nooit ik hem ontmoeten zal.
- Toch ben ik in een groot geheim verlicht
- van zijn breed, klaar, ontzaglijk aangezicht;
- al pleegt hij het te dragen in een mom
- van onverschill'ge luiheid, glad en stom,
- 40
- de dagen dat het nacht is over mij.
-
- - Ik weet (en 't is vertrouwd me en goed als God
- om denken,) dat ik spoedig sterven zal
- en dan zal dúrven sterven. Doch, ik vraag:
- zal hij alléen dan blijven in dit huis,
- 45
- mijn huis alleen met hém?
-
- Want hij en gaat niet meê met mij; ik weet
- dat hij niet meê gaat, en met even-diep begrip.
- Waarom dan ben 'k bewogen van 't gevoel,
- 't gevoel van een doorwaakten nacht, dat ik
- 50
- hem áltijd bij me hebben zal, en - hoop! -
- dat hij geheel zich mijner openbaart
- in de ure dat mijn twee gesloten oogen
- hem nooit meer zien en mogen?...
[p. 155]
[BM15]
- Er komt iemand bij mij, dien 'k nimmer zag,
- en uit-der-mate vriendlijk, die mij zegt:
- ‘Gij weet, ik berg iemand in mijne woon.
- Neen: er verbergt zich iemand in mijn woon.
- 5
- Ik zie hem niet, maar ben in hem begaan.
- Ik ken hem, en hij is mijn liefst bezit...’
- - Ik durf niet zeggen dat die vreemdling liegt.
- Ik durf niet zeggen dat zijn gast de mijne is. Ach!
- ik durf niet zeggen dat hij niet bestaat, misschien.
-
- 10
- Want hij bestaat in mij.
[p. 156]
[BM16]
- Het is of alles nog gebeuren,
- of alles nog beginnen moet.
- Ik zie mijn oogen sterren beuren.
- De nacht verjongt mijn bloed.
- 5
- - Ik heb de taeflen der geschenken
- gekeerd, en van het laatste maal
- wat dankend leven kon gedenken.
- Toen zou de nieuwe nacht me wenken,
- verganende avond-straal.
-
- 10
- Ik zag mijn witte leden strekken
- ter koetse der ontwoelde kilt.
- De ontvangnis kwam mijn huivren dekken:
- ik had het niet gewild.
- - Ik had mijn laatste waan doorschoten:
- 15
- een vogelken van glazen goud
- aan schervelen uiteen-gespoten;
- en 't heeft mij naauwelijks verdroten,
- al werd ik ijl en oud.
-
- Doch, toen de nacht mij zou vermanen
- 20
- en de eisch van 't harde en strakke bed,
- toen heeft hij plotse bibber-tranen
- in zonnen omgezet.
- Ik lig op 't ijs der schouder-platen
- en scheuten der doorrilde kuit;
- 25
- maar, o mijn God, ik ben verlaten
- van bod en zoen, van zucht en bate,
- schepel van nieuwen buit.
-
- Het is of alles is vervallen,
- aan geur en klank vergangenis;
- 30
- maar 'k voel door mijne slapen schallen
- uw scheur, ontvangenis.
- Ik voel een pijn mijn lijf verstrammen,
- maar tot gewicht van klompen klaart;
- en mijne kaken zijn de kammen
- 35
- die mijn verhemelschte oogen dammen
- tegen den vloed der aard.
-
[p. 157]
-
- Het is of alles zal beginnen
- nu 'k blijde in ruimte en duur vervliet;
- mijn mond is open om te winnen
- 40
- ontstentenis van 't lied.
- Breede overvloed van wijze waetren,
- o mate van den wildsten wind,
- o vuur dat ronkt om niet te schaetren,
- o gonzende aarde, ik zaêm uw klaetren
- 45
- in mijne stilt.
[p. 158]
[BM17]
- Aarde, over-oude, ik ben van u gescheiden.
- De oog-appel van den nacht doordraait mijn hoofd;
- de geur verwaait der overkaauwde weiden;
- de tand verleerde 't raspen van het ooft.
-
- 5
- Diep onder mij verveegt de reep der wegen;
- geen fluistrend haspelen van huivrend graan
- en wuift den smaak van wassend brood me tegen;
- de blik der dieren is mijn blik vergaan.
-
- Doch, zal de alleene hemel mij bekijken:
- 10
- de holle spiegel van zijn glanzend oog
- en kan úw wijde beeltenis ontwijken
- die de einder eindloos naar zijn curve boog.
-
- Ik kan niet openen, ik kan niet luiken
- het wètend zien van mijn gekeerd gezicht:
- 15
- 't uitspansel wordt het dal waar menschen duiken
- en elke ster een aarzlend menschen-licht.
-
- En hoe 'k belandde in streken zonder paden;
- waar 'k wade, naakt, in meren zonder strand:
- mijn wanen, aarde, dragen úw gewaden,
- 20
- mijn ziel is blijde of droef van úw verstand,
-
- bepèrkte! - En toch, en mocht ik niet verlaten
- een warr'ge wil die weigert en verlangt?
- De honig bloedt vergeefs aan alle raten;
- de vrucht is beursch die naar mijn lippe langt.
-
- 25
- o Zieke herder, zoude ik niet verzaken
- schapen der liefde en honden van den trots?
- Ik ben de zatte, en mijn gewilde wake
- is talmend wachten op den gallem Gods;
-
- maar, oude Moeder, 'k zoude u niet vergeten.
- 30
- Gij waart geboort waar ik me-zelf uit baar;
- gij waart de diepe schoot van 't rijzend weten;
- gij waart het beuren van mijn hoofd-gebaar.
-
[p. 159]
-
- Van u gelijk de zee van u gescheiden,
- ben 'k ebbe-en-vloed die door uw adem streeft,
- 35
- maar 'k weet hoe 't geurend glanzen der getijden
- over 't gelaat van tij, van wijke leeft.
-
- Gewielde en will'ge wentling der seizoenen,
- ijs-zwaart der peer als zonne-dans van 't kaf;
- mijne aarde, wisslend teeken van verzoenen
- 40
- die waart het Paradijs en wordt het graf:
-
- gij wordt het graf den dankb'ren derver, die men
- zal bergen, onbewogen, in uw schoot,
- om dáar voor aarde en hemel weêr te ontkiemen
- tot dubbel leve', o brooze, o vruchtb're Dood.
[p. 160]
[BM18]
- Nog vóor de glans van een dagen
- beglijdt en wascht mijn gezicht,
- voel 'k over de waetren geslagen
- schamp-schichtige scheuten van licht.
-
- 5
- Aan den broozen boog van de bronnen,
- op de koele kaalt van het wad,
- schiet een klaarte, uit diepten geronnen,
- in schervelen opengespat.
-
- Nog komt geen morgen verbleeken
- 10
- de wake der ochtend-beê:
- reeds blanken de bibbrende kreken
- en het logge ontwaken der zee.
-
- Nóg kroest geen kreevlen de zwaarte
- der woelige hemel-vacht:
- 15
- reeds welft het water een klaarte
- den navel uit van den nacht.
-
- - Gestegen, ben ik gebleven
- de bezwaarde van goud en lood.
- Is vloeiën dan 't eenige leven?
- 20
- Is al 't gedeegne de dood?
-
- o Wateren zonder gedenken,
- o wateren zonder waan
- die de steêgste korsten zult drenken
- tot ze zelf in waetren vergaan;
-
- 25
- o waetren waar alle verstarren
- in eigen vernietigen zakt,
- tot de ziekte van willen en marren
- in effen lichten vervlakt;
-
- verzijpe, o waetren, de schorre:
- 30
- zij bevestigt het teeken der baar,
- en gij laat geen gelaat verdorren
- of het blijft van uw weemlen klaar,
-
[p. 161]
-
- gelaten, o duizend gelaten,
- tot hetzelfde Gelaat gewijd
- 35
- omdat ge, woest of gelaten,
- de dracht van het Eene zijt...
-
- - Want, zee die uw zang uit het zaemlen
- van huivrende beken won;
- en meren die blinkt van den schaemlen
- 40
- en duisteren blik eener bron;
-
- geheele water der nachten
- aan dit neigende grasje verdicht;
- en moerassen die ligt te wachten
- op zijgen in dieper licht,
-
- 45
- o zwijgende waetren der poelen
- die, gezogen ten donkersten boôm,
- zich rijzend gaan rijpen voelen
- in de aderen van den boom;
-
- - - want: geen wateren zullen sterven
- 50
- dan in 't barsten, bral, van een bot.
- En zoo zal ik het leven niet derven
- dan als roze in de ooge van God.
[p. 162]
[BM19]
- Thans gaan de wateren den hemel kleeden
- in 't peerlen-vonkig waezmen van haar klaart.
- Ik lig. De dag en ik zijn vaal. Mijn leden
- zijn log en strak, maar wriemelend doorreden
- 5
- van jong de vuren der ontwakende aard.
-
- Nog rilt geen zucht door ijle hemel-pijpen.
- Vlakke effenheid bereikt vlakke effenheid
- in de onbewogen ijlte van den tijd.
- Maar roerend voel ik rommelen en rijpen
- 10
- 't geronk der aard dat door mijn schonken rijdt.
-
- Mijn nachtelijke wangen gaan bekoelen:
- mijn rug verrijkt de holte van een spond',
- en 'k lig als zonk ik, zompig, om te voelen
- een naauwe warmte om mijn gedaante zoelen
- 15
- als aangezogen door een liefde-mond.
-
- Gezegen in uw weeke en woelige armen,
- Vuur, voel 'k in mij de ziekte van uw zoen.
- Mijn aangezicht gaat zich aan 't Licht verarmen;
- maar ùwe wanden gaan mijn wanden warmen
- 20
- die mijne wakende oogen lachen doen.
-
- - Ik weet: ik zal geen menschen meer ontmoeten
- aan 't zilt of zacht getuur van blik in blik;
- ik kneus het lijf des doods bij mijne voeten,
- en 'k zal het lokkend leven niet meer groeten
- 25
- bij greet'ge vraag of 't danken van een snik.
-
- Geen beelden meer die vangen en verteêren:
- o schonkige aard die worstelt, zwaar van goud;
- Sireen'ge wateren die blinkt van zout;...
- - ùw gloed om de assche-zelve te verteeren,
- 30
- Vuur, machtig Vuur dat me in Uwe armen houdt;
-
[p. 163]
-
- zélf vuur, als vuur zich naar 't heelal te welven;
- tot daad geboren uit de laatste pijn,
- zwellen in tongen die mijn woorden zijn;
- neen: als het vuur verzaken aan zich-zelven
- 35
- om zich in louter klaarte te bevrij'n;
-
- en om de klaarte-zélve te verzaken,
- niet als wie klaart tot duisternis ontgint
- en te verliezen wat hij vurig wint;
- neen: aldoor sterven om aldoor te ontwaken
- 40
- in Wat niet eindigt daar Het niet begint.
[p. 164]
[BM20]
- Me-zelf voorbij; me-zelven tegen...
- Hoe zijn me wonderbaar de wegen
- die 'k nimmer en betrad, en kén.
- Wie richt de teen die gaat; wie gaat er
- 5
- de baan die 'k van geen teen en schen?...
- - Mijn bloed is dunner dan het water,
- en 'k weet niet of ik ben, en 'k bén.
-
- Wie heeft den droom der kranke sponde
- geslaakt, en aan hem-zelf ontbonden?
- 10
- - Een blik is, die mijn blik ontsloot,
- en de gezondheid van mijne oogen
- ziet weêr de wereld blank en bloot:
- wij zijn aan God nog niet bedrogen;
- wij zijn der Liefde nog niet dood...
-
- 15
- - - o, 't Oude reiken en bezwijken!
- Nooit zou de vlerk haar vlucht verrijken
- en de éen'ge loomheid was haar loon.
- Gij zoudt u-zelven 't leven leeren,
- geduldig-ziek en vlijtig-schoon.
- 20
- En gij zoudt gaan. Maar gij zoudt keeren,
- en vondt geen vriend en vondt geen woon.
-
- Toen zoudt gij vriendschap dank betalen
- met wrok; gij zoudt een woonste halen
- waar nooit een huis van handel gonst.
- 25
- En te uwen rugge zouden branden,
- tot merk van nooit-gebluschte bronst,
- deze aard, dit vuur; en uwe handen
- zijn aller wateren verslonsd.
-
- Gij waart verzopen en ontbonden;
- 30
- gij waart de buik der doode honden
- die lucht uit moer en modder hescht.
- Van aarde en hemel gloed en gallem,
- hebt ge u te zeer aan waan gelescht:
- het lemmer brak in uwen pallem;
- 35
- ge omsluit nog altijd het gevest.
-
[p. 165]
-
- En 't wijze meer zou u niet loonen,
- waar zelfs geen wuiv'ge wieren wonen
- of 't ruischen van een luistrend lisch.
- Gij zoudt uw eigen beeld ontberen
- 40
- in de ijl-gekeerde beeltenis,
- en dat ge alléen waart zoude U leeren
- hoe de eenzaamheid geen weelde en is.
-
- Want geen ontstentenis zal baten
- die de eigen-liefde niet kan laten
- 45
- in de eêlste vuren van 't bezit.
- Wát winst, dat, bloem der elementen,
- ge als 't bloed aan Godes lippe zit,
- waar ge in uw dicht-gesloten tente
- niet dan om de eigenste armoê bidt?...
-
- 50
- - - Maar Licht, o Licht! Ik ben geheven
- waar nimmer-meer nog beelden leven.
- Ik ben het zekerst zijn ontgaan,
- daar alle winst is bij verliezen
- en elk verlies verzaêmd ontvaên.
- 55
- 't Vergloeid krystal is vloeiënd vriezen,
- en elke dwaal-spoor is de baan
-
- me-zelf voorbij, me-zelven tegen...
- Hoe zijn me wonderbaar de wegen
- die 'k nimmer en betrad, en kén.
- 60
- Wie richt de teen die gaat; wie gaat er
- de baan die 'k van geen teen en schen?
- Ik ben in de ijlte de ijlt die 'k, later
- en later, niet en ben, en ben.
-
- Zoo zeg 'k adieu: ik ben geboren
- 65
- in 't onverdeelbaar Niet van 't gloren.
- Een blik is, die mijn blik verwijdt,
- en de gezondheid van mijn ooren
- is der vervoldste stilt' gewijd.
- Wij hebben God nog niet verloren.
- 70
- Wij zijn alleen ons eigen kwijt.
|