[p. 167]
III De voedster
[p. 169]
1
[p. 170]
[BM21]
- Geur van het reeuwsche beest; geur van de beursche vrucht;
- geur van de zee; geur van eene aarde zonder lucht;
- - ik ben de late; ik ben de slechte; ik ben de dwaze;
- ik ben de zieke hoop waarop geen hoop zal azen.
-
- 5
- Ik ben de laatste peer in de ijlte van den boom.
- Ik ben alléen ter killen herfst, en ik ben
lóom.
- Ik ben geboden nood; ik ben vergeten have;
- ik ben de zwaarste en rijpste en zal geen kele laven.
[p. 171]
[BM22]
- Gebogen, ach, gelijk de nacht gebogen,
- dees rijpe borst die klopt van harte-bloed.
- Traag gaat een wereld blanken in mijne oogen
- dien 'k niet en voed.
-
- 5
- Een zee van kindren blankt in mijne blikken
- die 'k, vol van melk der zorge, nimmer zoog.
- 'k Ben liefde alleen aan diep-gesmoorde snikken
- en hunker-oog.
[p. 172]
[BM23]
- Ik ben geen wakkre lente of een gezwollen zomer;
- 'k ben later dan de herfst die huiverend verzijpt;
- ik ken 't gewrocht niet van den buik die, loom en loomer,
- bij harde stampen voor een helder baren rijpt.
-
- 5
- Geen kinder-mondje lacht bij 't spelen van mijne
oogen,
- en 'k sluit mijne oogen op den dankb'ren avond-brand.
- Maar 'k heb een hart dat blankt om weigerend meêdoogen
- en lang-verzaakte logen
- van zoenen op mijn wang en rozen in mijn hand.
[p. 173]
2
[p. 174]
[BM24]
- Ik ben de hazel-noot. - Een bleeke, weeke made
- bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.
- Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.
- En 'k word een leêgt', die klaagt noch vraagt.
-
- 5
- 'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade.
- Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring,
- van eene domme, duldelooze, ondankb're made.
- Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade:
- hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.
[p. 175]
[BM25]
- 'k Heb mij verlaten aan de druif en aan de roos;
- 'k heb me aan mijn fierste bloed, 'k heb me aan mijn ziel
verlaten;
- en - ben 'k de wepele? Alle gave is eigen bate
- waar alle liefde is bateloos.
-
- 5
- Ben 'k de vergeten leêge en dien geen loon zal
wachten?
- - Ik vol het uur met geur, ik vol het hart met wijn;
- en, zal 'k voortaan alleen de laatste naakte zijn:
- mijn naaktheid wordt de klaart der nachten.
[p. 176]
[BM26]
- 'k Verzoek de zee, 'k verzoek geen aarde en hare vruchten
- dan als het donker zwerk vol donderend geruchten.
- 'k Verzoek geen ongeziene ruimte, noch den tijd
- dan, verre en vroom, gelijk een vrage in eeuwigheid.
-
- 5
- Maar 'k weet: ik schater aan de zee; ik ben de zegen
- der plassende akkers aan den daver van den regen.
- 'k Ben naauwelijks de blik die wemelt en die gaat;
- maar ziet: ik draag den droom van allen op 't gelaat.
[p. 177]
3
[p. 178]
[BM27]
- Neen: 'k ben (waar 't rijpend ijs de waetren heeft gezogen)
- die teekent aan de ruit een rijken winter-tuil,
- en 's avonds, als het huis van maan-licht is bewogen,
- in de' ongeziensten hoek en 't veiligst duister schuil.
-
- 5
- Het koolken van mijn haard gaat rooden aan de ramen;
- een roze ontwaakt ten bleeken ruiker van de ruit;
- en kinderen, verdoold, gaan zich om 't huis verzaêmen,
- en in hun oog is daar een roos die zich ontsluit.
-
- Zal ik ze nooden? 't Brood is zuur, de melk geronnen.
- 10
- - o God, mijn God, is alle minnen onbegonnen?...
- - Ik voel dat ze verkleumd voor mijne deure staan.
- Ik open, traag. Ze zijn al lange heen-gegaan.
[p. 179]
[BM28]
- De keuken is geboend nog vóor ik binnen-treed.
- Het huis is nat als van de blijheid mijner tranen.
- De ramen vloeiën in de zon. Van mijne wanen
- gewasschen, vreugd!, sta 'k in de klaarte van wie
wéet.
-
- 5
- Ik weet: mijn glanzend huis, gij zijt uit mij geboren;
- 'k ontvange wat ik ben; 'k ontwake in wat ik wek;
- en waar 'k, verbazens-rijk, de zéekre taeflen dek
- met druiven van den wijn en koeken van het koren:
- zij zúllen komen, waar 'k me-zelf aan geef verloren,
- 10
- maar ze me als wijn, maar ze me als 't eigen brood
behooren,
- o blinde kinder-mond, o wijde vogel-bek.
[p. 180]
[BM29]
- Geven, geven! Alle vrachten
- rijzen in het hoogste want,
- en de leêgte legt een zachten
- weemoed in de moede hand.
-
- 5
- Geven, géven! Laat de huizen,
- sluit de ramen, dek den haard:
- de open heemlen zijn de sluizen
- voor uw ongeduld'gen vaart.
-
- 'k Ben geleêgd; ik ben verleden;
- 10
- 'k wórde dood: ik heb gevoed.
- Al wat komt is mijn verleden,
- waar 't gewerd uit mijne bede en
- lacht uit mijn vergeten bloed.
|