[p. 181]
[BM30] De blind-gewordene
- In naam van Vader en van Zoon,
- in naam des heil'gen Geestes, amen.
- - Ik ben de moeder van een woon
- die blinkt aan duizend ramen.
- 5
- 'k Lig, eeuwig-zwanger, in een kraam
- dat van geen avond of geen morgen,
- dat, hel van hoop noch zwart van zorgen,
- niet is te noemen met een naam,
- of 't zou, bezet en onbezeten,
- 10
- Licht-zelven moeten heeten.
-
- 'k Ben blind, en 'k heb den dag beschaamd.
- Ontkenning, ik, van alle duister,
- heb 'k alle vraag en vrees omraamd
- met laaië van mijn luister.
- 15
- Ik ben het vlak van elken muur
- die, waar de dag blijft onbegonnen,
- die, waar geen schemeringen ronnen
- ter talm'ge waak van 't avond-uur,
- bestendig van mijn blanke wake
- 20
- een steeds-gelijke bake.
-
- En 'k ben de aanhoudende geboort
- - o tuimel-vlucht van sneeuwen vlindren -,
- 'k ben, alle dage' en nachten voort,
- de nieuwe klaart van kindren.
- 25
- Hun weemling is mijn rijk bestaan.
- De glanzen van mijn buik, ontsloten,
- zijn, klachteloos en onverdroten,
- herhaalde vorm van mijn vergaan,
- maar zonder dat ik mijnen lijve
- 30
- óneischend zoude blijven.
-
[p. 182]
-
- Zoo word 'k beluik van, eindlijk, Nul;
- 'k word, in aanhoudendheid herboren,
- 't abstracte zaad waar 'k al het koren
- in zijn beteeknis hul.
- 35
- 'k Ben, alle ruimten afgewezen,
- 'k ben, buiten klem en kleur van tijd,
- in 't een'ge en wezenlooze wezen,
- teeken der menigvuldigheid.
- Zoo, blinde, ben 'k, zal zijn geweest, en
- 40
- word luister eeuw'ger feeste.
-
- - Maar neen: 'k ben de eindlijk-leêge korf
- die, aller vruchten dóor-gedragen,
- voor de eigen ijlt den geur verworf
- gehéel van boome' en hagen.
- 45
- 'k Ben de gekéerde korf, die zwoel
- van 't wandlen der gezwollen bijen,
- aan rijke raten 't broed gedijen
- en rijpend leven zoemen voel.
- Zoo zal ik in mijn schoot niet gaêren
- 50
- dan wat daar andren baren.
-
- Ik ben de glans niet van de zaal
- waar 'k elke rib tot kaars zou rechten
- en, zelve afzijdig, zelve vaal,
- de klaarten zou beslechten.
- 55
- Maar 'k ben ontvangst van elken blik
- die, zal mijn blik hem niet verrijken,
- uit mij de duisternis doet wijken,
- 'dat ik mijn nieuwe licht beschikk'
- naar de orde die, van mijne bede,
- 60
- verzekere ieders vrede.
-
[p. 183]
-
- Mijn vrede; úw vreê... - Maar is mijn licht,
- de wolke van mijn nacht doorzonken,
- is ooit der maan van mijn gezicht
- een andre maan ontblonken,
- 65
- o Vijver? Ben ik eerder niet
- de vijver die zijn schielijk leven
- der schicht'ge spoele voelt doorweven
- die de àndre mane door me schiet?
- Ben ik een vreê; ben ik uw vrede?:
- 70
- gij deelt me úw mane mede.
-
- Zoo ben 'k aanhoudend elker borg
- waar 'k ben, aanhoudend, weder-borge.
- En is uw zorge mijne zorg,
- saêm zijn wij vreugd van morgen.
- 75
- Omdat ik blind ben, mag uw zoen
- mij binden met het onbekende;
- kan mijne lippe, wáar 'k me wende,
- om aarde en hemel rijklijk vloên;
- en kan mijn oog, mijne arreme ooge
- 80
- zijn algemeenheid togen.
-
- - Maar weet het: 'k heb het duur gekocht.
- Van elk genieten heerlijk jonger,
- had ik 't onreikbare verzocht
- tot dorst en honger.
- 85
- In graagte of gruwel van den tijd,
- met heel den glans van al mijne oogen,
- zoude ik den felsten stamp gedoogen,
- waar hij tot trots me hadd' gewijd.
- Ik zág toen. En 'k zag blank me: teeken
- 90
- dat niets mijn wil kon breken.
-
[p. 184]
-
- Maar, zuur van 't denke', ozoon der daad,
- dra zoudt gij branden in mijn wonden.
- Ik heb gestaan als wie daar staat
- aan zijnen paal gebonden.
- 95
- Ik ben die mijne leden rek
- (ik wás; maar ben want ik wil blijven),
- waar pikt te zijnen lieven lijve
- een hemelsch-blijde vogel-bek,
- en ook, aan lever en aan liesen,
- 100
- meer-menschelijke spiesen.
-
- Mijn hart, het werd een vat vol stroop
- waar vliege' als zonden kwamen zitten:
- gesloten vaas, waar in de hitte
- insekten-wriemel kroop.
- 105
- Mijn hoofd, het werd geheim festijn
- voor ongekende en geer'ge gasten
- die, ziek van ate of zat van vasten,
- die, zwoel van derve' of zuur van wijn,
- lang moe maar maatloos-mild, bewezen
- 110
- de onwaardigheid, te wezen.
-
- Toen zou 'k me zoeken in me-zelf.
- Ik heb mij in me-zelf gevangen.
- Mijn voet vond steeds herhaald gewelf
- voor 't luistren naar mijn gangen.
- 115
- Ik daalde. Aan elken kelder zong
- het tij me toe van wachtend water,
- en - géen begeerte, en zelfs geen schater
- die rillend reed door mijne tong.
- Me-zelf ter zij ten zelf-oorbore:
- 120
- zelfs Gode ging 'k te lore...
-
[p. 185]
-
- - - Maar néen: God is een koene knecht.
- Ik zou me deelen noch beheeren;
- Hij zou mij keeren uit 't gevecht:
- Hij zou mijne oogen teren.
- 125
- Hij zou mij geven de' éenen nacht,
- blind!, 'dat geen nacht ik zou verzoeken;
- 'dat ik geen slechten dag nog zoeke
- waar slechts de dood nog loerend wacht.
- Hij zou mij halen uit de holen
- 130
- waar zelfs het vinde' is dolen.
-
- Hij heeft me, blijde, recht en net,
- tot frisch een heldren disch gekoren.
- Mijn oog, het heeft zich opgezet
- om nieuwigheid te hooren.
- 135
- En met de vreugde van een wees
- heb 'k weêr de zuiverheid gegeten.
- Een engel zong, een ster verrees,
- en 'k was 't onmiddellijk vergeten.
- Heb 'k ooit geleden? 'k ben verlost:
- 140
- ik ben in nieuwigheid gedost.
-
- Uit liefde-gons, uit zorg-geruisch,
- uit alle zielen om mij samen,
- werd ik de moeder van een huis
- dat blinkt uit duizend ramen.
- 145
- Ik ben die deel, en niet en deel
- dan wat 'k van allen heb ontvangen,
- ik die der dieven van 't verlangen
- de duurste en ruimste buiten heel.
- Komt allen naêr, die hebt gegeven:
- 150
- ik borg uw diepste leven...
-
[p. 186]
-
- - - Uit Uwen wille, Vader, Zoon,
- en, heil'ge Geest, in Uwe hoede:
- onder het goud van mijne kroon
- druip 'k van den rijksten bloede.
- 155
- Gij hebt gebeurd mijn zéekre plaats:
- mijn voet op de ijdelheid der schriften;
- geheel-gewasschen van de driften
- de gladde glanzen mijns gelaats;
- en mijn gedicht dat, zonder einde,
- 160
- gedicht dat, zónder einde...
- ... ...
|