[p. 187]

Appendix



[p. 189]

[A1] Mijne vrouw en mijn kind

 o Gij die, sterkrer liefde omgord,
 u troostend naast me zet,
 nu 't dagelijksch gedicht me wordt
 weêr dagelijksch gebed;
  
5
 nu dat een heetre kracht me brandt,
 en dat mijn vroomre geest,
 van schelle beelden overmand,
 voor eigen weelde vreest;
  
 waar 'k vóor een zelf-geschapen God
10
 beducht mijne oogen sluit,
 en wring te bersten in mijn strot
 een al te vol geluid;
  
 - gij, die mijn vreugde en mijne vrees
 om deze lente weet,
15
 o mijne vrouw, o schoone wees
 van al mijn liefde en leed;
  
 o vrouw, die naast mij neêre u zet,
 voor dezen harts-tocht báng,
 waar ik bedwinge tot gebed
20
 de bronst van dezen zang,
  
 gij die me van uw blikken troost
 waar mijne lippe lacht,
 en uit uw keel de zuchten loost,
 die 'k in míjn kele smacht;
  
25
 - o vrouw, o vrouw, o goede vrouw
 die weet hoezeer ik lijd,
 en dat ik in mijn ziele rouw
 om wat mijn lijf verblijdt;
  
 gij, die, van sterkre liefde omgord,
30
 u troostend naast me zet,
 nu 't dagelijksch gedicht me wordt
 weêr dagelijksch gebed:
  


[p. 190]

 
 ontvang, van wie niet vloeken mag,
 en onder vloeken gaat,
35
 - ontvang, van wie u lijden zag,
 den dank, vrouw, en den smaad.


[p. 191]

[A2]

 Gij zijt de goede wakers die
 mijne oogen open houdt,
 dat ik uw eigen wereld zie
 van schemer, en van goud.
  
5
 Gezegend weze uw vrome zorg
 die door uw wensch me leidt
 en door uw liefde: stille borg
 dat ik úw leven lijd.
  
 Gezegend, vrouwe, en gij, mijn kind
10
 die nieuw geluk me wijst...
 - Ik staar mijn tranende oogen blind
 naar waar úw lente rijst.


[p. 192]

[A3]

 Zingen, hoe de donkre wereld
 zijne ronde reize gaat;
 zingen 'lijk de merel merelt
 'lijk den nachtegaal, die slaat;
  
5
 zingen, blind, 'lijk vóor alle eeuwen
 't laaien van 't onnoozel licht;
 zinge' als zon en maan, flambeeuwen
 aan het duisterst aangezicht;
  
 zingen: vreugde en smart, gesmeten,
10
 al wat gloeit en al wat rijt,
 aan de gapend-geer'ge bete
 van den hongerenden Tijd...


[p. 193]

[A4]
Aan een jong dichter.

 Treed in. Gij die mijn hoop en mijne deernis zijt,
 die van mijn onmacht meent úw ijvren waan te loonen:
 treed in. Ons staat een schaarsch en vriendlijk maal bereid.
 Gij zult van avond met mij wonen.
  
5
 Neem plaats. Het is het uur dat zoete ruste wast.
 Proef, hoe u te eigen mond de woorden zoeter smaken.
 Zie hoe de moede heerd een stillere assche tast:
 thans geene vlamme meer, die blake;
  
 maar aan ons voorhoofd de veredelende glans,
10
 o vriend, die zelfs ons blikken dooft, tenzij het streelen
 ten klaardren tuin ze keert der bloemen, in den krans
 der teeder-lichtende priëelen.
  
 Want weet: geen schoon gebaar dat hier niet dralen blijft;
 geen vrouwen-aêm, of die dees strakke koon bleef kozen.
15
 Zie hoe ter ruite schraaft en traag heur curve schrijft
 een groote roode liefde-roze...
  
 En toch... o Gij, die mijne hoop en deernis zijt,
 gij die tot eendren waan en onmacht zijt gekoren:
 wees' eeuwig u gespaard de wreede zekerheid
20
 van zúlk een vrede, - uit leed geboren...


[p. 194]

[A5]

 o Trouwe vriend der oude dagen
 die me in uw armen hebt gedragen
 zoo vaak, en op mijn mond de vragen
 met uwe dichte zoenen sloot;
5
 die, om mijn zieke hoofd gebogen,
 in 't spijtig staren van mijne oogen
 de deernis van uw mededoogen
 liet dalen: schoone, bleeke Dood.
  
 o Broeder die, - toen brooze weelden
10
 me omstraalden, en mijn wangen streelden
 een stond, en vloden, - dúur'ge beelden
 als zustren aan mijn zijde liet;
 zij zwegen, maar haar streelend nijgen
 liet vrede om mijn mistroosten zijgen;
15
 haar aêm was rustig, en haar zwijgen
 was schooner dan een liefde-lied...


[p. 195]

[A6]

 Zal ik rusten?...
               - o Bewúste
 die te zéker heil verstiet,
 maar door de eêlste en nieuwste lusten
5
 de oudste liefde doemen ziet;
  
 droeve en klare,
               die 't verzwaren
 van 't verleden in u draagt,
 maar inéens opnieuw moogt staren
10
 in het schoonste dat ge ooit zaagt;
  
 ongenoode
               die, ten doode
 moede, nauw te leven dierft,
 en den Dood beminde, en noode
15
 smartlijk leefde, en toch niet stierft,
  
 niet te sterven
               dorst, maar derven
 bleef 't onmiddellijke brood
 dat ten blijden loon verwerven
20
 wie u niet beminnen, Dood:
  
 zal het wezen
               dat, ontrezen
 ongenotene geneucht,
 mijn gebaren zonder vreeze
25
 teeknen gaan aan eeuw'ge vreugd?
  
 Zal het komen?...
               - mijne droomen
 volgen de oude Schuite na
 waarop, dood, de Dichter 't loome
30
 laatste water over-wâ,
  


[p. 196]

 
 tot hij naedre
               waar vergaedren
 die hij 't innigst heeft bemind
 in het diepst der kloppende aedren:
35
 hij, hun vader en hun kind;
  
 waar hij hoore
               bij de choren
 van een rijk dat rijker zij,
 onder schoonste jeugd gekoren,
40
 breedneksch dansend, dij aan dij;
  
 waar de maagden
               nooit en waagden
 langen lonk of laag gebaar,
 schuin en schoon, dan waar het traag de
45
 zuivre ziele ontloken waar';
  
 waar hij wone,
               Hij, de schoone,
 die de krone van zijn lied
 aan den gloed van elke kone,
50
 aan elk voorhoofd zinken liet...
  
 En... Zal 'k... Wanen!
               Door de tranen
 van deze' al te schoonen droom
 zie 'k u, beelden, trage tanen
55
 'lijk een veegen morgen-doom.
  
 Oude liefde,
               die me hief de
 bittre diepten uit, o Dood,
 weder ben ik de gegriefde
60
 die ge een ijdle hope boodt.
  


[p. 197]

 
 Nimmer ruste
               den bewuste,
 die te zéker heil verstiet,
 maar door de eêlste en nieuwste lusten
65
 áldoor de eeuw'ge liefde ziet...
  
 Droeve en klare,
               die 't verzwaren
 van 't verleden in u draagt:
 nimmer eindloos mogen staren
70
 in het schoonste dat ge zaagt...


[p. 198]

[A7]

 'k Hadde u gewijd mijne allerschoonste logen;
 'k hadde u mijn fijnste' en eêlsten schijn gewijd;
 en, meer dan gij, misschien, van schroom bewogen,
 o gij die duister en die zuiver zijt,
5
 hadde in het aarzlen van uw mededoogen
 de vrede van mijn zieke ziel gewogen,
 en 't weiflen van mijn teederheid.
  
 De grijze wanen die mijn hoofd bewonen,
 de draal'ge vreugden van een beter jaar,
10
 en o, mijn hope, welk'ge roze-krone
 waarvan 'k de dalend-trage blaêren gaêr:
 'k hadde u vertrouwd die schoone bleeke zonen,
 - vervreemde kindren die mijn liefde loonen
 met keerend oog en weer-gebaar.
  
15
 'k Hadde u gewijd de duister-rijke schrijnen
 van oude weelden die 't verleden heelt,
 en onder 't kleed van driften en van pijnen
 gelijk een stervens-moeden vogel streelt.
 Zoo streelt, o kind, van wuiv'ge nevel-lijnen
20
 die 't bruinend dal met zilvren kleed omdeinen,
 de Herfst zijn eigen weedom-beeld.
  
 'k Hadde u gewijd... Maar neen, o neen: vergéten
 is eenig heul voor hen, die de avond zien
 hun schaduw vóor hun starende oogen meten
25
 en de ijdle mate van hun wezen biên...
 Wat bate, van zich vreemd bemind te weten?
 Ik ken mijn leed in zijne volle breedte:
 geen zon en breekt zijn dicht stramien.
  
 Hij die beminde, en eigen min zag tanen;
30
 hij die zelfs smart niets dan begoochlen weet;
 hij die, de wil'ge meester van zijn wanen,
 zijne eigen trots-gestalte aan stukken smeet:
 hem leidt geen nuk naar nieuwe liefde-lanen,
 waar dorre blaêren aan zijn voeten manen
35
 dat iedre stap een droom vertreedt...
  


[p. 199]

 
 Ga heen dan, kind, ga heen, en wát gebeure,
 en loos geen zucht, en laat geen traan om mij;
 o kinder-min, o roos, vergane geuren
 die 'k in vergeten boek te drogen lei...
40
 - En, leidde 't leven u langs de oude deure:
 en sta, mijn kind, waar smeekende oogen treuren;
 sluit de ooge' en ga hun blik voorbij.


[p. 200]

[A8]

 Oud hart, dat niet bemind en heeft
 dan als een bedelaar, die géeft
 om eigen armoe te vergeten:
 hoe hebt ge, strammer te elken dag,
5
 maar vromer uwe glimme-lach,
 uw trage levens-straat gesleten!
  
 Elke ure, meerdre deuren toe,
 elke avond pijnelijker moe,
 en elke nacht wat langre wake;
10
 wat ijlre honger in uw borst
 bij iedren morgen, en voor uw dorst
 het zout der trane langs uw kake...
  
 Maar elke vogel at uw brood
 die, kloeg geen enkele u zijn nood,
15
 't genoot tot op de laatste korste;
 en gij, die geen belooning zocht,
 waart, als wie niet begrijpen mocht
 de min, die klopt in menschen-borsten;
  
 oud hart, dat niet bemind en heeft
20
 dan als een bedelaar, die geeft
 om eigen armoe te vergeten;
 en voelt, ter laatste rust gestrekt,
 waar geene hoop uw bed meer dekt,
 vergeéfs uw levens-straat gesleten...


[p. 201]

[A9]

 Beschouw dit grauwend aangezicht. Gij zult er vinden
 de dorre voren die er 's levens kouter sneed:
 de lach van hem die lijden wilde, en níet en leed;
 de grijns van wie niet minnen wou, en ímmer minde.
  
5
 Aan iedren mond-hoek starde in schamperheid zijn kreet;
 roerloos als poele' is 't oog; en 't voorhoofd, klaar, toont in de
 kalme effenheid die elk begeeren weet te binden,
 hoe elke zoen er liet de sporen van een beet.
  
 Beschouw; - en sluit uw oog daarna. Maar laat er zwellen
10
 de meêlij-tranen die ter dichte wimpren wellen;
 en bid; en zeg: ‘deze is gekoren en gedoemd;
 want hem die dús het lijdens-teeken werd beschoren,
 is onder dezen die, voor de eeuwigheid geboren,
 de doolaards zijn, die men gevallen eng'len noemt.’


[p. 202]

[A10]

 Ter loome zee met slappe zeilen
 onder eenzelfde lamme zon,
 en steeds het onveranderd-ijle
 aan elken nieuwen horizon;
  
5
 aldóor de dagen áldoor varen
 een onverschill'gen avond toe,
 en eindeloos het loom verzwaren
 der lamme leden, hooploos-moe;
  
 en nimmer, nimmer slapen mogen,
10
 maar steeds naar horizonnen spiên
 met starre en pijnlijk-sperrende oogen
 die zelfs den zwarten nacht niet zien...


[p. 203]

[A11]

 De tuinen galmen in de walmen van den herfst...
  
 - o Gij, die 't Leven aan uw lippen hebt geperst
 zóó, dat uw rijpe mond van de eigen tanden bloedde:
 thans is de tijd voorbij der godlijk-schoone woeden
5
 die woelden door uw leên bij 't worstlen, dag aan dag,
 met al de vreugden die een mensch belijden mag,
 met al de rijke koortsen die een mensch mag lijden...
  
 - Thans gaat gij door den tuin. De Stilte is aan uw zijde.
 Bezie ze niet: zij is noch goed, noch schoon vandaag...
10
 - De dag is doof; het uur is gouden-mat, en vaag;
 de tijd is luistrend...
  
               En het wordt, of 't oude lijden,
 of 't kloppen van uw hart zich plots uit u gaat breiden,
 gaat maatlijk wegen in die doofheid, wís en tráag,
15
 en, schriklijk ijl in 't lange en banglijk-durend talmen,
 gaat wanken door 't gedein der herfstelijke walmen...
  
 - De tuinen liggen doof, die van uw harte galmen.


[p. 204]

[A12]

 Vermits géen dag me ooit wekt en nog deze oogen open'
 voor de veroovring van een nieuwen vreugde-buit;
 vermits dit streng gelaat, van avond-vaalt' beslopen,
 slechts in zich-zelven nog het beeld ziet van zijn hope,
5
 en - dit gelaat zijne oogen sluit;
  
 vermits ik van mijn bedel-tocht slechts meê zou krijgen
 de ijlte in dit voorhoofd, en de koorts in deze hand;
 vermits ik weêr in éenzaamheid ben aangeland,
 sluit ik mijn hart, sluit ik de ramen op het dreigen
10
 van winter-koude en zomer-brand.
  
 En zie: tháns is de dag mij schóon; mij, koelen smader,
 wiens eigen leven eindlijk buiten 't Leven staat,
 thans is me weêr de herfst een vrede-plegend vader,
 en weêr een vader-zoen mijn bloed dat zoelt ten ader
15
 die maatlijk aan mijn slapen slaat.
  
 Want de akkers zijn verwijd, waar 't deinen van géen koren
 de zekerheid van onbewogen einders breekt.
 Niet langer twijfelt 't brein; en heeft de hand verloren
 de klamme vreugde om eene vrucht, ten dag geboren:
20
 ik heb een mond, die wísheid spreekt.
  
 De wagens zijn gelost van de oogsten. Zie, 't en wegen
 geen schoven, dan alleen de veil'ge schuren borgt;
 de schoonste zonne is véeg die vaagt de gele wegen,
 maar 'k heb genoeg in 't bijten van haar brand gelegen,
25
 dat zij voor 't winter-dulden zorgt.
  
 De beesten zijn gestald; de driften zijn geweken;
 en iedre peer is zwaar gelijk een ernst in mij.
 Geen morren nog, dat meer dan zélf-verzaken teeken':
 mijn dagen zijn een zee waar stil ter branding breken
30
 na de eendere ebbe een zelfde tij.
  


[p. 205]

 
 En 'k worde, waar geen oog in 't mijne een twijfel rade,
 en zonder éen gebaar dat tot geen ruste dwinge',
 bij glim-lach van mijn kind, bij vrage mijner gade,
 den droeven schoone, die uit de eêlste herfst-cieraden
35
 zich-zelven weeft vereeuwiging.
  
 Zoo ruste ik dan, de hand ter zoele vacht der haren,
 en rood gelijk een bloem mijn mond die wéet en zwíjgt...
 - Wat rijst gij dan aan mij? Ik zal niet áan u staren,
 ijdele Erinnring, gij die van 't gevecht der jaren
40
 nóg in den woel'gen boezem hijgt.
  
 Want 'k heb mij in mijn wil als in een keurs geregen;
 en zoo de stalen band door 't weeke vleesch me snijdt:
 weet dat ik-zelf de wond' steeds weder open-rijt,
 daar 'k in héur diept' bewaar, door de eigen spot gedegen,
45
 de weelde van mijn zékerheid.


[p. 206]

[A13]

 Laat uw trage wake duren
 tot de haarden zijn gebluscht:
 slechts naast goed-gedoofde vuren
 slaapt men vroom in veil'ge rust.
  
5
 Vreest gij, dat ge bij 't ontwaken
 licht van koude rillen zult:
 voed de vlamme in u der bake,
 niet te dooven, van 't gedùld.


[p. 207]

[A14]

 Ik weet dat ik mijn dood bereid, wanneer ik wil
 dat ik van schoonheid slechts, als eenig heul, zal leven.
 Maar, waar gij mij dit heul één enklen stond kunt geven,
 doe dat ik sterve, o Dood, en mijn begeeren stil.
  
5
 Ik weet dat ik niet scheppen zal, dan door 't bereiken
 der vrijheid die mijn ziel heur aardsche grenze' ontknecht.
 Gedoog dan, God, dat ik mijn scheppings-daad beslecht
 door met mijn bloed de schaal des lijdens te verrijken.
  
 - Doch eischt gij, Dood, die weet wat mij te wachten staat,
10
 dat ik mijn leve' in leelijkheid en leêgheid slijte;
 - groeft gij, mijn God, opdat 'k me-zelf mijne onmacht wijte,
 dees bittre plooien, strak en stroef, in mijn gelaat:
  
 o laat dan toe, gij Dood, dat ik mijn hunkren loone,
 mijn schoonheids-hunkren met de speren van mijn spot;
15
 verknecht mijn rooden scheppings-drang; maar geef, o God,
 dat ik mijn knechtschap in mijn woede-woorden hone.


[p. 208]

[A15]

 Want neen: geen spijt'ge doem om wat het heiligst is:
 de woel'ge vlam der daad; de kilte van 't begeeren.
 Slechts op gekènde spijs kan deugdelijk men teren;
 men smaakt geen schoonheid dan in de eigen droefenis.
  
5
 Hoor hoe van elk geluid wel tien geluide' ontwaken;
 weet hoe ge van één woord een weelde wekken kunt.
 Vergeet uwe armoe; neen: denk dat ze u werd gegund,
 uwe armoede, als een kruik waarin ge uw dorst moogt smaken.
  
 Want hoe gij wenschen moogt u-zelf te ontsnappen, om
10
 in ondoorgrondb'ren waan een wereld te bevatten:
 gij kent de werklijkheid onopgediepter schatten
 aan 't schaemle schoon allèen van 't innigst heiligdom.
  
 - Wil dan berusten in uw kleinheid; wil gedenken
 dat gij geen weten dan uw kleinheid zijt bestemd;
15
 en dàn misschien, wanneer ge uw needrigheid omklemt
 met de échtste liefde, Dood en God u zullen wenken.


[p. 209]

[A16]

 Ik ben het eeuwig bed; het eeuwig-leêge
 waar smart in zakt die weêr in vreugde ontwaakt;
 waar dronken drift, waar weelde en weemoed wegen;
 waar woede als wil zijn moede sluiers slaakt.
  
5
 Gij komt, gedachte, o zoon der zwaarste zorgen,
 en zoekt in mij een hopelooze rust;
 maar rijz' de dag: gij rijst te milden morgen,
 en reeds heeft zoel uw mond de zon gekust.
  
 Herberg van spijt en troost, waar hope diende
10
 en treurnis als een trouwe lampe wenkt;
 weldra vergeten van de vroomste vrienden,
 en die geen vrees, genézen, nog gedenkt...
  
 o Spijtig hart en stadig-ónbeloonde
 dat nimmer dúrend leed of liefde omsloot,
15
 - gij waart het bed waar woelig leven woonde:
 nooit wordt gij 't graf van duurzaam-zoeten dood.


[p. 210]

[A17]

 Eenvoudige arbeid, als een brood dat geurt en blankt...
  
 - Gij, die, waar ge om het vroomst geluk geen god en dankt,
 verlatenheid betaalt met een te late boete:
 het schoone koren aart onnoozel aan uw voeten;
5
 er is een paard dat neit, maar trekt; er is een os
 die trekt; van duizend nijvre vooglen ruischt het bosch;
 en als gij, straks, vol wrok en opgekropt negeeren,
 maar nóg te trotsch voor de eedle biecht, naar huis zult keeren:
 zie, daar staat uwe vrouwe in zorge en derenis
10
 om uw vreemd leed, dat door geen min te weren is,
 gij, bittre, die u-zelven bant uit de eigen vrede...
  
 - Weêr is een dag van vrome weelde wrang verleden.
 Het schoone koren aarde onnoozel; ieder deed
 in onbewuste vreugd zijn doening, waar ge schreedt.
15
 Maar gij, die lijdt en rouwt om ál te zeker weten;
 gij, die in luidste vreugd geen lijden kunt vergeten
 en in het lijden éerst een schampre vreugd belijdt:
 gij walgt voor de eêlen troost van schaemlen arrebeid,
 te trotsch nóg in het leed der machtelooze boete...
  
20
 - En de ándren oogsten 't graan dat aart voor úwe voeten.


[p. 211]

[A18]

 Wij, de Armen die den Geest verzaakten,
 gekoornen tot de zaligheid:
 we ontdekte' in ons het leed, dat waakte
 om een verloren weelde-tijd.
  
5
 Wij de Eedlen, die de weelde wonnen
 van schittrend-naakt Onnoozel-zijn:
 wij hebben niets in ons ontgonnen
 dan - blinkend git - een zwarten schijn.
  
 Wij, niets dan Goeden, gulle en bloode
10
 onnoozlaars met de warmste hand:
 de dorre handen van de dooden
 zijn rijker van een rijpren brand.
  
 - Wij de Armen, de Eedlen en de Goeden,
 wij, liefde- en levens-zwaar den schoot,
15
 - ons kindren leerden ons bevroeden:
 wij baren nooit dan vreeze en dood.


[p. 212]

[A19]

 Gij zijt altijd de Naakte en de Verzaakte;
 gij zijt, die spijt bewoont en vreeze wenkt,
 o gij die klaar me waakte alvóór 'k ontwaakte
 en wier gedaant mijn donkre droom gedenkt.
  
5
 Waar is de huik, wàar zijn de wollen kleêren,
 die u verduiken vóór ik u begeer?,
 - gij, trouwe dienst-maagd des geniep'gen heeren;
 ik, wrokk'ge meester die uw kuischheid weer.
  
 Want gij zult nooit van mij de schennis weten
10
 die u verheffe tot gesmade vrouw.
 Mijn leven is tot op den draad gesleten;
 úw lijf te rijzend voor te jongen rouw.
  
 Ga heen dan, gij de schoone en noô-getrooste,
 gij zondares met de' àl te reinen blik.
15
 - o Smadelijke bronst om uwe brooste -:
 bewaar uw zorg den ongeboren krooste
 die 'k nimmer zie gedijen, ik.


[p. 213]

[A20]

 Gij draagt het gladde mom der dood;
 uw oog is groot van lijden;
 het naaste naken van den nood
 heeft uwen mond gescheiden.
  
5
 Reeds lijkt het, of het laatste woord
 uw lippen gaat verpaarsen.
 Gij spert uw vingeren, doorgloord
 van eeuwig licht, als kaarsen.
  
 Uw glimlach voert het bijster beeld
10
 der eeuw'ge ontvangenisse.
 Het lam des offers is gekeeld,
 o gij, zijn blanke nisse.
  
 Gansch uw gedaante staat verklaard;
 uw gang is eêl en zedig;
15
 gij zijt gezuiverd, of gij waart
 van zekerheên volledig.
  
 En, waar mijn eigen leên en brein
 van levens-koortse dorden,
 is 't, of mijn weiger medelij'n
20
 mag eindlijk liefde worden.


[p. 214]

[A21]
Carpe diem. Horatius

 'k Zwelg in versterven, ik die van het heetst begeeren
 eens was de norsche en donker-vurige heraut.
 De zwepe van mijn drift werd weelde van negeeren,
 en 'k heb mijn nieuwe leên uit blinkende ijlt gebouwd.
  
5
 'k Smeedde de zeis der oogste' opdat ze mij doorrete;
 en, rot het ongeschuurde graan: ik sta gesteld
 als wie geen voedsel kent dan ijzren bete aan bete,
 en 't hoofd om doornen-wil met roode roze' omknelt.
  
 Mijn Heer en zwarte God, het gaat tusschen ons beiden.
10
 'k Heb te Uwer eere met ontberen mij omgord.
 Gedoog mijn diensten, God, of vrees mijn medelijden
 dat met zijn pijlen uit de hemelen U stort.


[p. 215]

[A22]

 Gij, die geen Vader wezen zult
 dan door bekentnis onzer schuld;
 Gij, die erkent Uw zonen
 aan de' aêm van hun neêrslachtigheid,
5
 of 'dat ze, daar Ge aandachtig zijt,
 U vloekend durven honen;
  
 Gij, die de Zoon niet wezen kunt
 dan waar Ge U menschlijk lijden gunt
 en 't arme, laffe smalen
10
 om wie Uw moeder is geweest;
 Gij, die ten hemel niet en reest
 dan door ter hel te dalen;
  
 Gij, die als Geest U toonen moogt
 alleen, wanneer het beest gedoogt
15
 dat Gij het zult bewerken
 in hoofd en nieren, en wanneer
 Ge van het smartelijkste zeer
 zijn loochnen gaat versterken;
  
 - o Vader, die 'k vergeefs verzoek:
20
 ik hoon niet, waar 'k me-zelf vervloek;
 o Zoon: 'k gedenk mijn moeder
 alsof ik-zelf heur had gebaard;
 o Heil'ge Geest, ik ben de haard
 dien 'k met mijn eigen voeder.


[p. 216]

[A23]

 Zóó, als aan 't stellig stooten van 't getouw
 dat, hoekig, kraakt van vlijt en glanst van trouw,
 een wever waakt en volt den dag met werken,
 waar, over 't maatlijk stompen van 't getouw,
5
 de brug der zon bindt vroege aan late zwerken;
 - hij zwoegt; hij heeft een vrouw, en wicht bij wicht;
 maar niet voor hen alleen is 't noeste zwoegen:
 zijn doek vast aan den boom, en kaatst een licht
 nog langer dan de zon op zijn gezicht,
10
 en - 't ware hem genoeg voor zijn genoegen;
  
 zóo heb ik dag aan dag mijn taak gewrocht,
 niet 'lijk ik wou, helaas, maar 'lijk ik mocht;
 en iedre nacht werd warrem in mijn handen
 na 't paarsen van de laatst-verlichte locht
15
 over den damp der omgedolven landen.
 Doch niet om plicht, om vrouwe niet of kind;
 niet om het loon van 't dagelijksche lijden,
 te lang gelijk een slechten drank bemind;
 niet om wat trouw die 't oog met tranen blindt
20
 of om wat twijfel bij te vlug verblijden;
  
 zelfs niet om uwe gave, o vroom verhaal
 dat, zuster van mijn zorge, te elken maal
 naast haar ontwaakt en lacht den morgen tegen;
 niet om 't gedicht waar 'k traag in adem-haal
25
 wen de avond de' armsten dag wijdt tot een zegen;
 niet om het werk alleen, in leed gebaard,
 noch om het lied dat alle leed zou tarten:
 om U, om U, mijn onbegrepen klaart
 die, dooven ook de kolen van den haard,
30
 ontluikt op hoop en sluit op troost mijn harte.
  


[p. 217]

 
 Om U, die van dit mistig aangezicht
 de tin tot Uw gelijknis hebt belicht;
 die deze schouderen, met dood beladen
 en loochening, gerecht hebt en gelicht
35
 op de kristallen zuilen der genade;
 om U 't standvastig waken van 't gebouw
 dat niet vergeefs van arrebeid zou ronken,
 waar wind van ijlheid niet door zingen zou,
 doch steeds, bij heil van kinderen en vrouw,
40
 drempel en raam van zole en ooge blonken.
  
 Om U. - En gij, die 'k in één liefde omvaêm,
 gij, heil'ge glans van drempel en van raam,
 niet vrouw en kroost alléén, maar pijne en zorge
 die 'k, dankend om mijn plecht'gen schroom, verzaêm
45
 iederen nacht voor daad en zang van morgen:
 bemint mij voort, gij die mijn norschheid temt;
 die, waar de zolder woog van heimlijke aren,
 waart, die den wreeden vlegel hebt omklemd,
 daartoe door onbevroede wet bestemd,
50
 'dat ik voor God ontkeeste, o zwengelaren.


[p. 218]

[A24]

 Ik doe mijn maal van zuivel, brood en noten.
 Helaas, van deze strenge schamelheid
 zijt gij niet meer de blijde disch-genoote,
 gij die niet meer mijn rust'ge zuster zijt.
  
5
 Wij hebben saêm de vrome vreê bezeten,
 betrouwend, ik, op al 't ervaren leed;
 gij, mijne woeste driften ongeweten
 in de effen plooien van uw wollen kleed.
  
 Maar toen, bij zon en wind, de tijd genaakte
10
 dat, traag gerijpt tot een doorrilde vrouw,
 ge in 't eigen oog tot schrik en hoop ontwaakte',
 ontwaakte in mij de hitte van den rouw.
  
 - Ik doe mijn maal van zuivel, brood en noten,
 en in mijn lip bijt de assche der begeert, -
15
 o verre, o vreemde, o pijnlijke genoote
 die deze disch ontbeert.


[p. 219]

[A25]

 Gij moogt niet heen: nóg ben 'k geheel van u bevaên.
 Uw ongebonden knie en uw gebonden lippe
 hebben mijn arrem hart met bitterheid begaan.
  
 Met bitterheid. Geen woord en zal uw mond ontglippen;
5
 maar gapend-donker gilt 't verschiet van uwen schoot
 met de onafwendbaarheid van kolken en van klippen.
  
 En gij zult gaan, omdat vergééfs ge uw schoonheid boodt,
 die nimmer hebt gedurfd me uw schoonheid aan te bieden:
 gij, van begeerte bleek, o gij van schaamte rood;
  
10
 - waar dit mijn hard gelaat, gebeiteld tot gebieden,
 maar norsch ombonden met het masker van den dood,
 weet dat geen argelooze liefde zal geschieden
  
 hèm, die geboden liefde als een verbod ontvlood.


[p. 220]

[A26]

 Gij die ik deelzaam in mijne eeuwigheid,
 o gij die 'k deelzaam maak in mijn verderven:
 ik zal wel buiten ruste moeten sterven,
 waar gij de zweepe van mijn leven zijt.
  
5
 Ik ben het peil-lood, aan me-zelf gebonden;
 gij maakt me pijl die ge in de sterren schiet;
 wat ik u, bitter van mijne onmacht, bied,
 hebt gij allang in eigen vreugd gevonden,
  
 o schoone en krachtige! Ik, alle ijlt gewijd,
10
 gedoemd me-zelf de oneindigheid te schenken:
 ik ben de slaaf van uw verbeide wenken,
 gij die me beidt, mijn kind, gij die me beidt.