Register van beginregels en titelsTitels van gedichten zijn cursief gezet Gij die mijn kommer-ziekte in deemoed tegen-lacht [MM7] 17 Gij die u, stérker liefde omgord [MM6] 16 Gij draagt het gladde mom der dood [A20] 213 Gij hebt te zeer van blijde logen [MM9] 20 Gij menschen, die misschien me in laetren tijd gedenkt [MM30] 51 Gij moogt niet heen: nóg ben 'k geheel van u bevaên [A25] 219 Gij rijst aan mij gelijk een vlindering van bloemen [GZ31] 100 Gij spreekt geen woord, o vrouw, maar weent aan mijne zijde [MM10] 21 Gij zult mij allen, allen kennen [MM21] 36 Gij zijt altijd de Naakte en de Verzaakte [A19] 212 Gij zijt de goede wakers die [A2] 191 Gij zijt de hond niet aan de deur van uw geluk [GZ17] 80 Gij zijt een bloem, - en 'k ben alléen met u [GZ38] 109 H Handen, die van goeden wil [GZ27] 94 Harde modder, guur krystal [GZ5] 64 Heb ik genoeg u lief-gehad, doorschijnend glas? [GZ39] 110 Het huis is rondom mij vol sletten en soldaten [GZ28] 95 Het huis is vol van u. De stilte weegt, verzwaard [MM25] 44 Het is of alles nog gebeuren [BM16] 156 Het menschelijk brood [MB] 1 Het nacht-uur waakt; en 'k waak. - Wat zijt ge diep en schoon [MM26] 45 I Ik ben de hazel-noot. - Een bleeke, weeke made [BM24] 174 Ik ben geen wakkre lente of een gezwollen zomer [BM23] 172 Ik ben het eeuwig bed; het eeuwig-leêge [A16] 209 Ik ben met u alleen, o Venus, felle star [MM16] 30 Ik ben 't geduld der brooze en lustelooze menschen [BM6] 138 Ik ben u moe. Gij hebt mijn traagste hoop vermoeid [MM8] 19 Ik doe mijn maal van zuivel, brood en noten [A24] 218 Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden [GZ8] 67 Ik heb dit hooger oord gekozen tot mijn woon [BM12] 150 Ik heb mijn zuiver huis gevuld [GZ7] 66 Ik heb u niet gekend dan in dees nieuwe vreeze [MM23] 41 Ik kom alleen, bij nacht, in deze zee-stad aan [GZ12] 74 Ik open me als een oog, den nacht verloren [BM9] 141 Ik vraag den vrede niet: ik vraag alleen de rust [MM22] 37 Ik weet dat ik mijn dood bereid, wanneer ik wil [A14] 207 Ik weet: ik berg iemand in mijne woon [BM14] 153 Ik wete dat ge ontwaken zult, dewijl ik wake [MM4] 14 Ik zet mij naast mijn naakte zuster [GZ10] 69 In naam van Vader en van Zoon [BM30] 181 K 'k Ben hier geweest, 'k ben daar geweest [GZ23] 90 'k Hadde u gewijd mijne allerschoonste logen [A7] 198 'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend [GZ2] 61 'k Heb mij verlaten aan de druif en aan de roos [BM25] 175 'k Heb noodloos door den boôm geboord [GZ16] 78 Kind met het bleek gelaat, dat van uw wijde blikken [MM5] 15 'k Verzoek de zee, 'k verzoek geen aarde en hare vruchten [BM26] 176 'k Zit met mijn lamme beenen [GZ26] 93 'k Zwelg in versterven, ik die van het heetst begeeren [A21] 214 L Laat uw trage wake duren [A13] 206 M Me-zelf voorbij; me-zelven tegen [BM20] 164 Mijne vrouw en mijn kind [A1] 189 Mijn God, gij ziet de zee die wemelt in mijne oogen [BM7] 139 N Naar Oost-land willen wij varen [BM5] 135 Neen: 'k ben (waar 't rijpend ijs de waetren heeft gezogen) [BM27] 178 Nimmer zult ge 't licht beletten [GZ19] 82 Nog vóor de glans van een dagen [BM18] 160 O o Blik vol dood en sterren [GZ11] 70 o Gevangen geest, getogen [MM28] 47 o Gij die, sterkrer liefde omgord [A1] 189 o 'k Weet dat ik, onttogen aan 't orkaan [GZ15] 77 o Trouwe vriend der oude dagen [A5] 194 Oud hart, dat niet bemind en heeft [A8] 200 Over de zee hangt matelijk te tampen [GZ13] 75 o Vruchten-leêge schaal, o flanken rijk aan reuken [BM13] 152 o Ziek, onzeker en onzuiver [MM18] 32 S Schaduw in den schaduw zijn [GZ21] 86 Sluit uwe oogen op het licht [GZ33] 102 Stilte is de stelligheid die nooit begeeft [GZ30] 99 T Ter loome zee met slappe zeilen [A10] 202 Thans gaan de wateren den hemel kleeden [BM19] 162 Thans is het al voorbij: de sluiers zijn gezonken [MM11] 22 Treed in. Gij die mijn hoop en mijne deernis zijt [A4] 193 Trots, die mijn harte hardde, als ijzer [MM20] 35 U Uitvaart van den bedelaar [GZ45] 117 Uren van harde macht, waar 'k in de zwartste nachten [MM19] 33 Uw aangezicht is bleek 'lijk 't mijne wordt. - Terwijl [MM24] 43 Uw eenzaamheid? Gij zijt als die wolvin [GZ18] 81 V Van alle reis terug nog vóor de reis begonnen [MM17] 31 Vermits géen dag me ooit wekt en nog deze oogen open' [A12] 204 Vervarelijk festijn voor onverzaedlijk dorsten [MM1] 11 W Waar me uw hulp genaakte, en lachte [GZ34] 103 Waarom verwijt ge mij de paden te verlaten [GZ36] 105 Wanneer, geteekend met de onloochenbaarste merken [MB] 1 Wanneer ik sterven zal (o glimlach om de vreeze [MM29] 48 Want neen: geen spijt'ge doem om wat het heiligst is [A15] 208 Wat weet gij van kwetsuren [GZ25] 92 Weêr gaat het veege licht der asters bloeien [MM13] 26 Weêr nadert de avond want ik bad [BM1] 123 Weêr staat mijn venster open op den nacht [MM14] 27 Wielwaal, die van rijpe kersen [GZ42] 113 Wie mij wat bloemen biedt, en 't zoete weren [GZ41] 112 Wij, de Armen die den Geest verzaakten [A18] 211 Wij heffen in dees heil'ge vonte [GZ1] 55 Wij zijn nog niet genezen van onze oogen [GZ22] 89 Z Zal ik rusten? [A6] 195 Zie, ik ben niet, dan uit Uw hand geboren [GZ40] 111 Zingen, hoe de donkre wereld [A3] 192 Zóó, als aan 't stellig stooten van 't getouw [A23] 216 Zou'n wij geen glaasken mogen drinken? [BM3] 133 Zij ligt te bedde 'lijk ik lig te bedde [MM3] 13 |