[p. 225]

Inhoud


  Het menschelijk brood [MB]   1
   
  DE MODDEREN MAN   7
  Omnis quippe caro corruperat viam suam   8
   
I Vervarelijk festijn voor onverzaedlijk dorsten [MM1]   11
  De dag is moede en stil, en de uren gaan verbleeken [MM2]   12
  Zij ligt te bedde 'lijk ik lig te bedde [MM3]   13
  Ik wete dat ge ontwaken zult, dewijl ik wake [MM4]   14
  Kind met het bleek gelaat, dat van uw wijde blikken [MM5]   15
  Gij die u, stérker liefde omgord [MM6]   16
  Gij die mijn kommer-ziekte in deemoed tegen-lacht [MM7]   17
  Ik ben u moe. Gij hebt mijn traagste hoop vermoeid [MM8]   19
  Gij hebt te zeer van blijde logen [MM9]   20
  Gij spreekt geen woord, o vrouw, maar weent aan mijne zijde [MM10]   21
  Thans is het al voorbij: de sluiers zijn gezonken [MM11]   22
   
II Gij die 'lijk een verwijt gaat wegen in mijn zwijgen [MM12]   25
  Weêr gaat het veege licht der asters bloeien [MM13]   26
  Weêr staat mijn venster open op den nacht [MM14]   27
  Dit wordt geen lent'. Geen dag en zal de smoore' ontrijzen [MM15]   28
  Ik ben met u alleen, o Venus, felle star [MM16]   30
  Van alle reis terug nog vóor de reis begonnen [MM17]   31
  o Ziek, onzeker en onzuiver [MM18]   32
  Uren van harde macht, waar 'k in de zwartste nachten [MM19]   33
  Trots, die mijn harte hardde, als ijzer [MM20]   35
  Gij zult mij allen, allen kennen [MM21]   36
  Ik vraag den vrede niet: ik vraag alleen de rust [MM22]   37
   
III Gedachtenis aan eene jonge Dichteres [MM23]   41
   
  Op den dood van Jean Moréas   43
  I Uw aangezicht is bleek 'lijk 't mijne wordt. - Terwijl [MM24]   43
  II Het huis is vol van u. De stilte weegt, verzwaard [MM25]   44
  III Het nacht-uur waakt; en 'k waak. - Wat zijt ge diep en schoon [MM26]   45
  IV Gij brandt mijne oogen toe, gij brandt mijne oogen open [MM27]   46
  V o Gevangen geest, getogen [MM28]   47
   
  Wanneer ik sterven zal (o glimlach om de vreeze [MM29]   48
  Gij menschen, die misschien me in laetren tijd gedenkt [MM30]   51

 



[p. 226]


  GOD AAN ZEE   53
   
  Doop van den bedelaar [GZ1]   55
   
I DE HEETE ASCH   59
  'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend [GZ2]   61
  De nacht, de zwoele nacht heeft me als een wijn bevangen [GZ3]   62
  Gelijk een hond die drentlend draalt en druilt [GZ4]   63
  Harde modder, guur krystal [GZ5]   64
  Een vrucht, die valt [GZ6]   65
  Ik heb mijn zuiver huis gevuld [GZ7]   66
  Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden [GZ8]   67
  Diep aan uw hart, diep in uw haar te zullen slapen [GZ9]   68
  Ik zet mij naast mijn naakte zuster [GZ10]   69
  o Blik vol dood en sterren [GZ11]   70
   
II DE SCHURFTIGE DANSER   71
   
1 Ik kom alleen, bij nacht, in deze zee-stad aan [GZ12]   74
  Over de zee hangt matelijk te tampen [GZ13]   75
  De zee wacht. Maar ik doe mijn deure dicht [GZ14]   76
  o 'k Weet dat ik, onttogen aan 't orkaan [GZ15]   77
  'k Heb noodloos door den boôm geboord [GZ16]   78
   
2 Gij zijt de hond niet aan de deur van uw geluk [GZ17]   80
  Uw eenzaamheid? Gij zijt als die wolvin [GZ18]   81
  Nimmer zult ge 't licht beletten [GZ19]   82
  En hoor uw hart: hoort gij uw hart niet slaan? [GZ20]   83
   
3 Schaduw in den schaduw zijn [GZ21]   86
   
III VERZOEKING VAN GOD   87
   
  Wij zijn nog niet genezen van onze oogen [GZ22]   89
  'k Ben hier geweest, 'k ben daar geweest [GZ23]   90
  Eens groeit een boom uit mij, en 'k weet denwelke [GZ24]   91
  Wat weet gij van kwetsuren [GZ25]   92
  'k Zit met mijn lamme beenen [GZ26]   93
  Handen, die van goeden wil [GZ27]   94
  Het huis is rondom mij vol sletten en soldaten [GZ28]   95
  Gelijk het gonzend bliksmen van motoren [GZ29]   96
   
IV GEBOORTE VAN DEN HONIG   97
   
  Stilte is de stelligheid die nooit begeeft [GZ30]   99
  Gij rijst aan mij gelijk een vlindering van bloemen [GZ31]   100
  Die mijn linker-hand omvingert [GZ32]   101
  Sluit uwe oogen op het licht [GZ33]   102
  Waar me uw hulp genaakte, en lachte [GZ34]   103
  Groeien uit het brassend weven [GZ35]   104

 



[p. 227]


  Waarom verwijt ge mij de paden te verlaten [GZ36]   105
  Er is geen tijd. Wat gistren was [GZ37]   106
   
V GOD AAN ZEE   107
   
  Gij zijt een bloem, - en 'k ben alléen met u [GZ38]   109
  Heb ik genoeg u lief-gehad, doorschijnend glas? [GZ39]   110
  Zie, ik ben niet, dan uit Uw hand geboren [GZ40]   111
  Wie mij wat bloemen biedt, en 't zoete weren [GZ41]   112
  Wielwaal, die van rijpe kersen [GZ42]   113
  Er is geen smart te groot voor ons [GZ43]   114
  De dag schuift vóor den Dag gelijk een lucht vol rozen [GZ44]   115
   
  Uitvaart van den bedelaar [GZ45]   117
   
  HET BERG-MEER   121
   
  De blind-geborene [BM1]   123
   
I DE MODDER-HAVEN   129
   
1 De koffen aangebleekt van ongebluschte lucht [BM2]   132
  Zou'n wij geen glaasken mogen drinken? [BM3]   133
  De meiskens uit de taveernen [BM4]   134
  Naar Oost-land willen wij varen [BM5]   135
   
2 Ik ben 't geduld der brooze en lustelooze menschen [BM6]   138
  Mijn God, gij ziet de zee die wemelt in mijne oogen [BM7]   139
  Een zeil, een zeil! Zie 'k daar geen zeil, gespannen [BM8]   140
  Ik open me als een oog, den nacht verloren [BM9]   141
   
3 De treinen blazen de aard het zuigen toe der zeeën [BM10]   144
   
II HET BERG-MEER   147
   
  De zon ligt in mijn linker-hand [BM11]   149
  Ik heb dit hooger oord gekozen tot mijn woon [BM12]   150
  o Vruchten-leêge schaal, o flanken rijk aan reuken [BM13]   152
  Ik weet: ik berg iemand in mijne woon [BM14]   153
  Er komt iemand bij mij, dien 'k nimmer zag [BM15]   155
  Het is of alles nog gebeuren [BM16]   156
  Aarde, over-oude, ik ben van u gescheiden [BM17]   158
  Nog vóor de glans van een dagen [BM18]   160
  Thans gaan de wateren den hemel kleeden [BM19]   162
  Me-zelf voorbij; me-zelven tegen [BM20]   164
   
III DE VOEDSTER   167
   
1 Geur van het reeuwsche beest; geur van de beursche vrucht [BM21]   170
  Gebogen, ach, gelijk de nacht gebogen [BM22]   171
  Ik ben geen wakkre lente of een gezwollen zomer [BM23]   172
   

 



[p. 228]


2 Ik ben de hazel-noot. - Een bleeke, weeke made [BM24]   174
  'k Heb mij verlaten aan de druif en aan de roos [BM25]   175
  'k Verzoek de zee, 'k verzoek geen aarde en hare vruchten [BM26]   176
   
3 Neen: 'k ben (waar 't rijpend ijs de waetren heeft gezogen) [BM27]   178
  De keuken is geboend nog vóor ik binnen-treed [BM28]   179
  Geven, geven! Alle vrachten [BM29]   180
   
  De blind-gewordene [BM30]   181
   
  APPENDIX   187
   
  Mijne vrouw en mijn kind [A1]   189
  Gij zijt de goede wakers die [A2]   191
  Zingen, hoe de donkre wereld [A3]   192
  Treed in. Gij die mijn hoop en mijne deernis zijt [A4]   193
  o Trouwe vriend der oude dagen [A5]   194
  Zal ik rusten? [A6]   195
  'k Hadde u gewijd mijne allerschoonste logen [A7]   198
  Oud hart, dat niet bemind en heeft [A8]   200
  Beschouw dit grauwend aangezicht. Gij zult er vinden [A9]   201
  Ter loome zee met slappe zeilen [A10]   202
  De tuinen galmen in de walmen van den herfst [A11]   203
  Vermits géen dag me ooit wekt en nog deze oogen open' [A12]   204
  Laat uw trage wake duren [A13]   206
  Ik weet dat ik mijn dood bereid, wanneer ik wil [A14]   207
  Want neen: geen spijt'ge doem om wat het heiligst is [A15]   208
  Ik ben het eeuwig bed; het eeuwig-leêge [A16]   209
  Eenvoudige arbeid, als een brood dat geurt en blankt [A17]   210
  Wij, de Armen die den Geest verzaakten [A18]   211
  Gij zijt altijd de Naakte en de Verzaakte [A19]   212
  Gij draagt het gladde mom der dood [A20]   213
  'k Zwelg in versterven, ik die van het heetst begeeren [A21]   214
  Gij, die geen Vader wezen zult [A22]   215
  Zóó, als aan 't stellig stooten van 't getouw [A23]   216
  Ik doe mijn maal van zuivel, brood en noten [A24]   218
  Gij moogt niet heen: nóg ben 'k geheel van u bevaên [A25]   219
  Gij die ik deelzaam in mijne eeuwigheid [A26]   220
   
  Register van beginregels en titels   221
   
  Inhoud   225