Den 24sten Maart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de gecommitteerden van Z.D.H. den Prins van Oranje gelastten hem, bij besloten missive van den 27sten Maart, krachtens de hun verleende authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven, om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen, - dit alles echter ‘behoudens kwaliteit en gages.’ De vergaderingen van het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.
Den 11den April werd het besluit der HH. Commissarissen den volke bekend gemaakt en dien zelfden dag gaf Mauricius
het bestuur aan von Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben veroorzaakt.(†)
Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware, zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15den Mei uit de kolonie per het schip de ‘Jufvrouw Johanna’, kapitein Schouten. Gedurende negen jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren, die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.
Den 13den April 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen, door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.
De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,(§) zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan, en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van de hun toegekende magt gebruik gemaakt
en: ‘alsoo voor deese reise, sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert de privilegien vrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie competeerenden tot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem Carl Strübe, en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het officie Fiscaal openviel,(*) hadden zij aan Mr. Samuel Paulus Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen.(†)
Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste tegenwerping.
Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen te kennen, dat hunne Commissie, ‘om onderzoek naar de onlusten en oneenigheden in deze colonie te doen’, in zooverre was afgeloopen, dat de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne zending te doen en ZDH. tevens over te leveren ‘eenige poincten van redres’ hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat over een en ander door ZDH., ‘na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon worden gedisponeert’; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius, behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde rust en vrede in de
kolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.
Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op den heer Mauricius.
Den volgenden dag den 14den April werd de heer Baron von Spörche plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd, de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en 's avonds was er assemblée bij Mevrouw Du Voisin.
Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten, want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer gehaalte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten; de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen; een der voornaamste ambten ‘het Fiscalaat was provisioneel aan een hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen; de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden, die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en invloed werden hem toegekend;(*) de eisch van den heer Godefroy om vergoeding voor de geexecuteerde slaven van wijlen den heer Thoma, van wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht en twintig geexecuteerde slaven eene som van ƒ5600.- zijnde de
helft der gepriseerde waarde à ƒ400.-; de heer H.N. van de Schepper(*) die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergenis had gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie te verlaten;(†) het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den jongen Pichot - welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen heftigheid werd aangedaan - werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.
Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert de komst van H.H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan wel uit vijandschap tegen Mauricius. - Wij zien hem ook, in het korte tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke pogingen echter meeerendeels vruchteloos bleven.
Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten in de divisien opgerigt - doch het een zoo wel als het andere bleef zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan - geene boschtogten, geene militaire posten - geene wreede strafoefeningen vermogten dit te beletten - daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling der slaven, steeds bleef voortduren.
Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden die tusschen de Portugeesch-Joodsche natie
heerschte te stillen, gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne politieke uitzetting aangedrongen - en nu was Carilho niet slechts op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd, maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde, veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen. - De natie schaarde zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit; van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd, waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden(*); door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho, welke laatste zeer ondersteund werd door een rijken Israeliet te Amsterdam, den heer Soasso.(§)
Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak de eene verordening de andere wedersprak.(†) Over de benoeming der Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden dier Commissie kwamen eindelooze ver-
schillen waardoor de herziening en regeling vertraagd werden.(*)
De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als: twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen.(†) In de vergadering van den 14den September 1751 berigtte de Gouverneur dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurige discussien daaromtrent, werd den 20sten September besloten, dat voortaan weder, even als te voren, een separate boekhouder en kassier zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven, terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte o.a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld(§) die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten over het beheer der weeskamer herhaald.
Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten van het zenden der H.H. Commissarissen en der troepen te bestrijden; dit alles
geschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.
Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten ingekomen over de exorbitante rekeningen der Practizijns. - Door het Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden gekort - doch zij waren hiermede niet te vreden en leverden een protest in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3den September 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd.(*) Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen, eindelijk werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik geschikt en geregeld.(§)
Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend;(†) verscheidene planters zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond gehoor; von Spörche deelde den 15den November 1751 in eene buitengewone vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar,(**) waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was, om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde.(§§)
In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze geldleening gebruik wenschte te maken, een eerste hypotheek moesten geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden verstrekt dan 5/8 der waarde van het te verhypothekeren goed, en om de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan te beletten, moest de schatting derzelve door beëdigde priseurs, door het Hof benoemd, geschieden.
Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk perceel bevond in overweging genomen; - zoo kwam hierbij niet slechts in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond, de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden (de marrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was, werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden, om nadere authorisatie hiertoe.
Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen, schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een waarbij dezelve wordt verminderd:
‘de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan en conditien van crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren heer W.G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom van de Effecten van de hierna te noemen personen hadden
naauwkeurig geexamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt, overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en de geexamineert de kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de suyker-plantagie overbrugge, gelegen in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior; is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van ƒ45,000 Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder penningen in der tijd noodig hebbende de 5/8 niet executerende, deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot extract worden gegeven’, - ‘verder gezien de kaart en warrand, de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van de hout- en suyker-plantagie osembo, geleegen in de rivier Parra, aankoomende voor 11/16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter van Middeland toe te staan eene somma van ƒ20,000 Hollands by provisie op gem. plantagie te kuunen opneemen, in plaats van desselfs volle 5/8, die hij ingevolge het plaan en conditien van crediet van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma, eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den Hove van Civiele Justitie te passeeren ten
faveure van den Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de 5/8 toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland extract worden gegeven.
Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde men de alzoo verkregen gelden werkelijk tot uitbreiding der cultuur aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling van het aldus verkregen geld heeft gemaakt.(*)
Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren - wij kunnen niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes aardschen levens afriep.
Den 28sten Augustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde, overleed hij reeds den 7den September des namiddags ten half vier ure.
De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand gestelde geheime missive ter tafel;
deze werd door den secretaris geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren der Societeit te zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur, de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt, terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur door Crommelin alreeds te doen vervaardigen - maar de openlijke bekendmaking er van uit te stellen tot den 11den derzelfde maand ten einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit werd onmiddellijk voldaan en den 8sten September had de begrafenis met groote pracht plaats.(*) Den volgenden dag was er weder vergadering en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11den September de heer Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen publiceren, maakten de Raden bezwaren - en werd deze zaak uitgesteld.
Waren deze hezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden? - Noch het een noch het andere - maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde, en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegen voor zich zelven het Interims-bestuuur te eischen; de Cabale
die vreesde dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden stellen en hun de handen ruim laten.
Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van den 13den September 1752 eene missive van den heer Verschuer ter tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, het provisionele Gouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden, zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op den 13den September kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden, dat daar de Societeit over het Interims-bestuur beschikte, zonder hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden houden - en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze handelwijze streed met vorige usantien en met het 21ste artikel van het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de door de societeit aangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om te trachten deze zaak in der minne te schikken.
Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op, die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend maken, dat hij het
interims-bestuur had aanvaard; - doch Verschuer gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15den September zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest, komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.
De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden houden, doch hunne ware gezindheid bleek o.a. uit de hevigheid, waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.
Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het volgende: de resolutie der Societeit had betrekking op de vervulling van het interimsbestuur bij het overlijden van Mauritius; nu echter bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was, terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche opgedragen - en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel bestuur bestaan en hij Verschuer, als in rang op von Spörche volgende, was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.
Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had hij de vergaderingen niet door Verschuer maar
door Crommelin laten convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken ‘gebesoigneerd.’(*)
Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander in - doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje, daar hij als Commandeur geen zitting wilde nemen in vergaderingen, die hij onwettig achtte.
Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van het gebeurde aan de Directeuren der Societeit.
De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van Policie en Criminele Justitie en de andere Collegien hielden hunne gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe opgerigt - doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die, om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms na een korten tijd weder opgeheven; den 16edn Januarij 1753 had er een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria plaats. Deze aanval kostte den Societeits-Directeur Brendel het leven; hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst. - Eerst na een hevig gevecht trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.
Den 31sten Januarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante èn van de Directeuren der Societeit; de usurpatie van het bewind door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig bevel om zich te vergenoegen
met het commandement der troepen en den Commandeur Crommelin over te laten al 't geen het Gouvernement ad Interim buitendien was concernerende.’ Het gedrag van Crommelin werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof toegezwaaid. - De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd, begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van het Hof en, na hun in de vergadering van den 2den Februarij 1753 den inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.
De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen dat: ‘sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer (Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren.’(*) Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan: - ‘wat een elendig excuus! - en te gelijk wat een perfidie! - doch waar zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in 't hoofd gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden.’ De heer Strübe, die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den beginne van oordeel was geweest, dat de orders der Societeit moesten worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur van Verschuer had geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne erkennen. Verschuer toonde
zich geneigd om met Crommelin de handen in één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie - en uit zijne verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef.(*)
De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was zeer voor de tijdsomstandigheden gepast. - Die tekst was Zacharias 8, vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; ‘doch’ schrijft Crommelin met zekere bitterheid, ‘hij had er het volgende vers wel bij mogen nemen.’(†) Dat de invloed der Cabale nog verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen zeer goed opmerken: de schippers o.a., die wel bij de proclamatie van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin; slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, ‘dat wie het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy meer van hen zou ontvangen.’(§)
Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in de publicatie;(**) Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1sten Maart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in - en eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen pennestrijd te willen ophouden.
Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin en de beide hoven, en dit voornamelijk over de al
of niet geldigheid der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegat, bleven zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen,(*) maar maakten het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.
Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd de vergadering den 10den April 1735 door Crommelin geschorst.(†) Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof van Policie, den 25sten April, voor: om, totdat HH. M. hierop nader zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden, de stremming der Justitie te voorkomen.(§)
Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o.a. in de kerkekas een tekort van ruim ƒ1800, hetwelk ontstaan was door het slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester;(**) de kas der Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen provisie erlangen; daarbij
werden zij vaak in netelige gevallen gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22sten Mei 1753(*) de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne bediening te blijven waarnemen.(†) De kas tegen de wegloopers was mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd- en Lastgelden te mogen verhalen.(§) Behalve de reeds genoemde moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten;(**) doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd, zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; de Luthersche predikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in - daar hij zulks beschouwde ‘als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de puinhopen der Gereformeerde op te rigten’. Na langdurige discussien(††) werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt;(§§) in de vergadering van het Conventus Deputatorum werd een
brief van de Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof, hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren, zooals het Hof dit kwalificeerde, ‘op ongefundeerde klagten en onware voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname vervat.’ De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke klagten niet hadden gedaan - maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd, dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende caracteristieke verklaring bijvoegde: ‘dat nooyt dergelyke klagten alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz.’
Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden: hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde, nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, ‘die zeer wel naar den zin waren van het beschaafste gedeelte der natie, doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten op te stooken.’(*) Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;(§) de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen;(†) doch nu beging hun aanhang allerlei insolentien tegen den Gouverneur en vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlof
vroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd, terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt te buiten ging.(*)
De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen, maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat, ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden klagen uit vrees voor erger.(§)
Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den anderen kant zijne trouw aan de Societeit door Directeuren erkend en ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o.a. op bevel van Directeuren den 4den Julij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn gehouden gedrag tijdens Verschuer niet voldoende werd gevonden, en werd de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal aangesteld.(†) Den 11den Julij kwam de tijding in Suriname aan, dat Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies, door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal, bij resolutie van
den 13den Mei 1753, werd vrijgesproken van alle tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis wegens laster te vervolgen.(*) Deze tijding verwekte groote neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een steun tegen de Societeit en de Gouverneurs bij H.H.M. en den prins te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen verijdeld en hunne kracht was gebroken.(†)
Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29sten October ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard, en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H.M. de prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit kennis gaf, namelijk: ‘dat H.K.H. uit consideratie van de disputen en differentien tusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden, deze laatsten allen ontsloeg, behoudens eer en waar-
digheid.’ Toen de heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij, ‘dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H.M. behaagd had haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad.’ Na eenige wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe, raadsleden en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke verkondigd;(*) den 2den November 1753 had de installatie der nieuwe raden plaats;(†) 's avonds werd tot viering van den verjaardag der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuis geillumineerd, aan de aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl de bedienden der Societeit en andere personen uit den burgerstand op een feestelijken maaltijd werden onthaald.
Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin meldt daarvan in zijn dagboek van den 8sten Februarij 1754: ‘Bij gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, 't welk overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele maanden.’ Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de beruchte ‘Verzoekpoincten van Redres’(§) besloten was als wet worden aangemerkt;(**) en volgens de
aanschrijving van de Directeuren der societeit moest al hetgeen ‘in het politieke’ was geschied tijdens de usurpatie van het bewind door Verschuer voor ‘Nul en krachteloos en van onwaarde worden verklaard en weder voor zooveel des noodig op nieuw in deliberatie worden gebragt.’
Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na het overlijden van Prins Willem den 4de de regeling der zaken in Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren der Societeit, in overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen, werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst der Societeit over te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten.(*)
Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld noodig geweest, en niet slechts uit de extraordinaire kas daarvoor bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting alzoo onvermijdelijk werd geacht.
Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel, dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan de Societeit en H.H.M. en de Prinses Gouvernante
naar Nederland gezonden werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het hier volgen:
Het nieuwe Hoofdgeld à ƒ1 de persoon, kinderen 10 stuivers, terwijl Militairen van deze belasting werden vrijgesteld, werd
| gerekend op te brengen | ƒ30,000 à ƒ35,000. |
| 1 procent op de productie | ƒ30,000 à ƒ35,000. |
| Hiertoe werden de producten geschat als volgt: 1 okshoofd suiker à ƒ30.- 1 pond koffij à ƒ- 6 stuivers. 1 gallon melassie à ƒ- 6 stuivers. 1 pul dram inhoudende 3 gallons à ƒ- 5 stuivers. 1 pond Caçao à ƒ- 15 stuivers. 1 pond katoen à ƒ- 5 stuivers. |
|
| 3 procent van de houtwaren | ƒ1,500 à ƒ1,500. |
| 3 procent van de inkomsten van winkeliers, herbergiers, ambtenaars en | ƒ10,000 à ƒ12,000. |
| 3 procent van de door de schippers en andere groote negotianten in het klein verkocht wordende goederen voor memorie. | |
| _______ | |
| Zoodat deze belasting volgens calcula zou opbrengen | ƒ71,500 à ƒ83,500. |
In Junij 1754 kwam er aanschrijving van HH. Directeuren der Societeit waarbij Mr. G. Curtius weder in zijn ambt als Raad-Fiscaal werd hersteld; Jan Nepveu als Tweede Fiscaal en en als Fiscaal bij den krijgsraad benoemd en tevens kennis werd gegeven, dat de Colonel der ruiterij, Pieter Albert van der Meer, vroeger Majoor in het regiment van den Paltsgraaf van Birkenfels tot Gouverneur-Generaal van Suriname aangesteld, in het laatst van Mei 1754 naar de kolonie zou vertrekken. Bij deze kennisgeving werd Crommelin op vleijende wijze dank gezegd voor zijne vele trouwe diensten der Societeit bewezen en ontving hij als belooning eene verhooging van zijn tractament met ƒ1600 's jaars(*).
Den 21sten October 1754 landde de nieuwe Gouverneur-Generaal P.A.v.d. Meer en werd met de gewone plegtigheden ontvangen. Bij den gelukwensch, door Crommelin den nieuwen Gouverneur toegebragt, gaf Crommelin een overzigt van de moeijelijke omstandigheden waarin hij verkeerd had door de gedurige verschillen met de leden der beide hoven, de usurpatie van het bewind door Verschuer en de hachelijke tweedragt die de kolonie verscheurde - doch hij erkende dat er eene groote verbetering was gekomen sedert de door de Princes Gouvernante gemaakte schikking, waarbij nieuwe Raden waren aangesteld en zelfs getuigde hij, dat er thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in de beide hoven maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschten.(*)
Van der Meer, die den 22sten October het bewind aanvaardde, trachtte naar zijn beste weten met alle kracht het welzijn der kolonie te bevorderen.
Reeds eenige dagen vóór zijne komst was het gerucht verbreid, dat de Spanjaarden aan de Orinoco vijandige bedoelingen tegen de Hollandsche kolonien in den zin hadden. De Gouverneurs van Berbice en Essequebo berigtten zulks aan den Gouverneur; andere tijdingen schenen dit gerucht te bevestigen: men sprak er van, dat de Spanjaarden met vijf of zes oorlogschepen op weg waren om Curaçao te overrompelen; men had een vreemd zeil gezien van een schip, dat drie dagen lang op de hoogte van Suriname kruiste. Van der Meer achtte zich verpligt maatregelen van voorzorg te nemen, doch nu kwamen ook weder spoedig de oude kwestien voor den
dag: het Hof maakte bezwaar over de kosten en vermeende, dat deze volgens het 27ste art. van het octrooi alléén door de Societiet gedragen moesten worden; de schippers betoonden zich ongezind om, ter beveiliging van de kolonie, van legplaats te veranderen en het was zeker eene groote uitkomst toen het eindelijk bleek, dat de geruchten valsch waren geweest, de vrees alzoo ongegrond was en men alzoo de verdere maatregelen kon staken.(*)-(†)
De nieuwe belasting in Januarij 1754 voorgesteld, bleek nog niet voldoende te zijn, daar er o.a. nog ƒ90,000 moest worden betaald aan achterstallen wegens de kosten van het zenden van Commissarissen enz.; men besloot deze alzoo tot het dubbele van het primitief bedrag te verhoogen;(§) de uitvaardiging dezer belasting geschiedde echter eerst in Augustus 1756.(**)
In December 1755 werd ook eindelijk aan de herhaalde aanvraag van de opzigters der gemeene weide gehoor gegeven en de houders
| voor ieder pleizierpaard | ƒ5 |
| voor chais met 2 wielen | ƒ5 |
| voor rijtuig met 4 wielen | ƒ10 |
jaarlijksche contributie opgelegd.(††)
Tijdens het bestuur van van der Meer werd ook op het voorstel van Crommelin, die reeds vóór de komst van van der Meer hier op aangedrongen had, gevolg gegeven aan het plan der HH. Directeuren, om eene nieuwe kolonisatie aan het Oranjepad bij Para te beproeven. Directeuren der Societeit stelden zich veel goeds hiervan voor en zij hadden dan ook de Prinses Gouvernante tot hun gevoelen overgehaald, zoodat H.K.H. dat plan sterk aanbeval.
De vroegere mislukkingen om alzoo eene voormuur tegen de wegloopers op te rigten en die wij op bladz. 112 enz. vermeld hebben, hadden tot het doen eener nieuwe proefneming niet afgeschrikt. Men zou, nu geleerd door vroegere teleurstellingen, betere maatregelen van voorzorg nemen. In Augustus 1754 had men een getal van 80 slaven, waaronder 30 vrouwen, gekocht en liet dezen onder opzigt van twee blanken kostgronden aanleggen.(*) In December 1754 werden door van der Meer, in overleg met het Hof van Policie, nadere bepalingen vastgesteld voor diegenen, die zich op het Oranjepad wilden vestigen. Hun zou hoornvee en eenige levensmiddelen en andere benoodigdheden worden verstrekt, en zouden geschikte woningen voor hen gemaakt worden; zij zouden de noodige slaven erlangen enz., enz., daarentegen moesten zij zich verbinden 10 jaren achtereen op het Oranjepad te blijven wonen. Eerder vertrekkende, verloren zij de hun toegekende voorregten en zouden tot terugbetaling van het reeds genotene kunnen genoopt worden. Een Duitscher, baron von Bulouw, werd als burgemeester benoemd, met de bepaling dat hij met twee schepenen, uit het midden der zich aldaar vestigende volkplanters te kiezen, een soort van bestuur zou uitmaken. Aan Bulouw, die tevens als secretaris fungeren moest, werd hiervoor eene som van ƒ150 in het jaar toegekend terwijl hij tevens voor iedere persoon, die hij tot nederzetting aldaar zou overhalen, eene gratificatie zou ontvangen.(†)
Die nederzetting scheen in het eerst wel te slagen; de toe-
gekende voordeelen hadden verscheidene personen uitgelokt, zich aldaar te vestigen. Dat dit getal schielijk toegenomen was, blijkt o.a. uit de rapporten, door Commissarissen uit het Hof van Policie, na hun bezoek aldaar, uitgebragt. Zij toch stelden voor: om in plaats van twee - vier schepenen te benoemen en, door eene behoorlijke instructie der regtsmagt van burgemeester en schepenen, te bepalen, om een chirurgijn, een predikant en een schoolmeester aan te stellen, eene soort van weeskamer en een vendukantoor op te rigten, enz., enz., en zij getuigden tevens dat rust, vrede en eensgezindheid onder de kolonisten heerschten.(*)
Waren die eerste berigten gunstig, zij werden helaas spoedig door slechte vervangen. De vrede, rust en eensgezindheid duurde slechts kort. Weldra kwamen er klagten der kolonisten over den burgemeester Bulouw en diens aanmatiging, dan eens over de schepenen en over den chirurgijn, dan weder van deze authoriteiten over de burgers; de slaven werden soms deerlijk mishandeld en sommigen liepen weg en waren niet gemakkelijk te achterhalen.
De notulen van dien tijd zijn met de discussien over de kolonisatie van het Oranjepad opgevuld. Van tijd tot tijd werden de ergste onruststoorders veroordeeld om eene maand of 14 dagen in ‘de ketting’ aan het pad te werken of lijfstraffen te ondergaan, doch het baatte niet; evenmin hielp de maatregel om Burgermeester Bulow tegen wien de klagten vermenigvuldigden in Januarij 1756 af te zetten en eene andere regering aan te stellen. Eindelijk zag men het in: het terrein met hooge onvruchtbare zandbergen en dalen, die bij regentijd in kleine meeren werden herschapen, was ongeschikt; het hout voor de op te rigten woningen moest van elders komen en zelfs bij de verstrekking van de, volgens het project tien jaren lang aan te voeren, levensmiddelen, moesten de bewoners zich kommerlijk behelpen. En hoe moest het later gaan, indien die toevoer ophield? reeds nu heerschte onder hen vele
ziekten, die hen den arbeid onmogelijk maakten, - ‘Het etablissement voldoet niet, het geeft geen nut tegen de wegloopers en veroorzaakt harddrukkende en ruïneuse lasten voor de kolonie’, was de gedurig herhaalde klagt in de vergaderingen van het Hof. Noode ging men er toe over om aan de aanvraag voor meerdere slaven te voldoen. Aan het verzoek om een predikant en een schoolmeester werd bijna niet gedacht en spoedig besloot men der Societeit de opheffing dier kolonisatie te verzoeken.(*)
Gedurende het bewind van van der Meer werden ook groote togten tegen de wegloopers voorgesteld en ondernomen, doch meestal zonder goed gevolg, en het denkbeeld van een met hen te beproeven vrede begon reeds meer bijval te erlangen dan dat het ten tijde van Mauricius door hem voorgesteld verwierf.
Van der Meer wenschte zoo veel mogelijk orde in de onderscheidene collegien en instellingen te bevorderen; zulks was echter steeds in Suriname eene moeijelijke taak. Zeer beklaagde zich de Gouverneur in zijn dagboek o.a. over de slechte en nonchalante wijze waarop de Commissarissen van kleine zaken vergaderden en de zaken behandelden. Op zekeren tijd lagen er sedert 14 dagen op het kantoor van den secretaris 55 sententien om executie, waaraan de teekening ontbrak en op dat van den exploiteur 41 stuks.(†)
De zaken der weeskamer waren en bleven ook zeer verward. De weesmeesters klaagden gedurig over insultes hun door belanghebbenden aangedaan, doch het bleek duidelijk, dat de aanleiding hiertoe niet ontbrak, daar zij weldra om hunne slordige administratie ontslagen werden en toen niet in staat waren om behoorlijk rekening en verantwoording te doen en daarom op het fort Zeelandia een geruimen tijd in arrest werden gezet. Provisioneel werden toen door van der Meer twee andere weesmeesters aangesteld en een plan tot het op-
rigten eener nieuwe Weeskamer aan Directeuren der Societeit medegedeeld, waartoe dan ook, doch eerst na den dood van van der Meer, besloten werd.(*)
Van der Meer wenschte ook aan het meermalen herhaald verzoek van de Classis van Amsterdam, om toch eindelijk een begin te maken met de verkondiging van het Evangelie aan Heidenschen slaven, te voldoen; tot aanmoediging hiervan deelde hij, in de vergadering van het Hof den 18den December 1755, de wijze mede, hoe daaromtrent in de Oost werd gehandeld. Ernstig en gemoedelijk drong hij der vergadering deze zaak ter overweging aan, doch zijn voorstel werd zeer koel ontvangen en onder den indruk daarover schreef hij in zijn dagboek: ‘ik moet tot mijn leedwezen zeggen, dat de Coloniers niet zeer religieus zijn,’(†) welke getuigenis zeer overeenstemt met dat hetwelk eenigen tijd later door het Conventus Deputatorum werd afgelegd en als volgt luidt: ‘Het moet Gode geklaagt zijn, dat de godsdienst hier te lande in plaats van eenigzints herstelt te worden jaarlijks meer en meer vervalt.’ Er was eene groote overredingskracht noodig om die mannen, welke gewillig premiën van ƒ50 en ƒ100 voor het dooden van een weggeloopen neger uitloofden, te bewegen eene som van ƒ200 à ƒ300 af te staan ter bezoldiging van een onderwijzer voor ‘de Heidensche en Mulatten kinderen.’ Hiertoe werd echter na vele discussien besloten, doch nu duurde het nog een geruimen tijd eer de geschikte persoon gevonden was, en toen hij eindelijk gevonden werd, laadde men zoo veel werk op zijne schouders door hem tevens als ondermeester op de gewone school aan te stellen, dat de ‘Heidensche en Mulatten kinderen’ weinige vruchten van dat onderwijs konden plukken. De predikanten spraken, wanneer zij in het Conventus Deputatorum waren gezeten, meermalen over deze zaak, maar veel meer dan er over te spreken deden zij niet; slechts bij uitzondering slechts een enkele keer vindt men iets van hunne
pogingen om den Heidenen het Evangelie te verkondigen vermeld. De onwil der meesters en het gebrek aan geld werden steeds als de voornaamste hinderpalen voorgegeven. In Holland, - zoo liep het gerucht -, waren erfmakingen ter bevordering van die prediking gedaan. Men besloot toen, om Ds. Veyra, die in 1755 eene reis naar Nederland zou doen, te magtigen aldaar een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Bij diens terugkomst deelde hij mede: ‘dat zekere de la Mourche voor dat doel “eene beurs” van ƒ17,000 aan de Waalsche kerk had gelegateerd, doch dat het niet gemakkelijk was die beurs los te krijgen.’ De eerwaarde heeren predikanten van Suriname beraadslaagden hierover en de algemeene opinie was, om die zaak levendig te houden, ‘omdat er mogelijk in het toekomende andere middelen zig konden opdoen als omdat men zou kunnen beproeven, of men niet uyt die beurzen iets tot augmentatie der predikanten-tractement hier te lande zou kunnen bekoomen.’(*). De predikanten, die in nuttelooze beraadslagingen den kostbaren tijd verspilden, in plaats van met de vrome Hernhutters de handen in een te slaan, om het rijk des Heeren uit te breiden, sloegen dezen met een argwanend oog gade. De vrome Hernhutters verkondigden met ijver en getrouwheid het Evangelie der genade aan de oude inboorlingen des lands, de Indianen, en de Heer zegende dien arbeid der liefde. De predikanten spraken op minachtenden toon over de bekeering van Indianen ‘die zoo ver weg woonden.’ Zij begroetten de vrome Hernhutters niet als mede-arbeiders in den wijngaard des Heeren; - integendeel, telkens leest men in de Acta van het Conventus, wanneer over dezen gesproken werd: ‘Men blijft hier tegen wakende’ - of - ‘zoo die menschen (de Hernhutters) zich mogten verstouten om iemand van de Gereformeerde Religie te verleiden zal men hierover aan het Hof klagen.’(§)
Van der Meer had met vele moeijelijkheden te kampen en
hieronder waren de gedurige verschillen tusschen de onderderscheidene authoriteiten niet de minste. Dan, kort duurde die strijd; zijne krachten namen af; het voeren van de teugels des bewinds werd hem eene zware taak, en weldra riep de Heer hem van het tooneel dezes levens af: den 16den Augustus 1756 presideerde hij voor het laatst de vergadering van het Hof van Policie, en reeds 8 dagen later, den 24sten Augustus 1756, blies hij den laatsten adem uit.
Daar de Commandeur Crommelin in de maand Maart uit de kolonie was vertrokken om eene reis naar het vaderland te doen, liet de Raad Fiskaal Mr. G. Curtius de leden van het Hof bijeen roepen en deelde in die buitengewone vergadering het overlijden van Van der Meer mede; eene geheime missive van HH. Directeuren, die eerst na het overlijden van Van der Meer mogt worden bekend gemaakt, werd voorgelezen, en uit derzelver inhoud bleek, dat HH. Directeuren, bij absentie van Crommelin, den tweeden raad Fiscaal Jan Nepveu het Interims bestuur opdroegen, en, wat wel als eene bijzonderheid mag worden vermeld, de Raden van Policie namen hierin volkomen genoegen. Nepveu won hun advies in en nog in dezelfde vergadering werd de publicatie vervaardigd bij welke Nepveu zijn optrede als interims Gouverneur der burgerij bekend maakte. De geest van oppositie tegen Nepveu die voor weinige jaren zoo hevig was, scheen geweken te zijn.
Slechts een korten tijd duurde dit Interims bestuur. - De definitieve uitvaardiging der verhoogde belasting, waartoe reeds onder Van der Meer in het vorige jaar besloten was, vond nu plaats.(*) De boete op het bedanken voor de betrekking van Raad van Policie werd van ƒ3000 tot ƒ6000 gebragt(§); de Burgerwacht, die, in plaats van volgens het doel harer instelling, ongeregeldheid te voorkomen en tegen te gaan, integendeel tot vermeerdering daarvan bijdroeg, werd afgeschaft(†); de hevige twisten onder de bewoners van het Oranjepad werden door
krachtige maatregelen voor een oogenblik bedwongen, doch berstten daarna des te heviger uit(*); een groote togt tegen de wegloopers werd ondernomen, doch bleef zonder goed gevolg. Ziedaar de voornaamste bijzonderheden tijdens het korte Interims bestuur van Nepveu voorgevallen.
Den 27sten December 1756 gaf Nepveu het Hof kennis, dat de heer Crommelin was geretourneerd en dat, volgens de acte van HH. Directeuren, het Interims bewind op hem moest overgaan, doch de leden van het Hof verklaarden hiertoe niet gezind te zijn; onder allerlei voorwendsels zochten zij de regtmatigheid hiervan te betwisten, en ofschoon Nepveu bepaald op de uitvoering van het bevel der societeit aandrong, bleven de Raden van Policie weigeren om ter vergadering te verschijnen, tenzij zij door Nepveu geconvoceerd werden. Eerst den 23sten Januarij 1757 gingen zij, na verscheidene conferentien, er toe over om Crommelin als Interims Gouverneur te erkennen, en den 7den Februarij 1757 presideerde hij als zoodanig de vergadering van het Hof van Policie(§). Den volgenden dag hield Crommelin eene rede waarbij hij den wensch der Directeuren naar eene goede verstandhouding tusschen hem en het Hof, naar onderlinge harmonie, vrede en vriendschap te kennen gaf. Hierop antwoordden de Raden, dat dit mede hun wensch was en dat zij genegen waren den Interims Gouverneur te respecteren - maar dat zij dan verwachtten ‘dat ook hun karakter voortaan door hem zou worden gemaintineerd.’(†) Crommelin was niet zeer bemind; zijne gehechtheid aan de Societeit, die hem dan ook ruimschoots met geld en eere beloonde, deed hem te veel in tegenspraak met de kolonisten komen.
Spoedig vorderden belangrijke zaken de geheele aandacht. De opstand der slaven in de Tempatie-kreek, op bldz. 151-53 vermeld, bragt de kolonie in rep en roer, en de
maatregelen om dezen opstand te stuiten, eischten zooveel overleg dat de andere kwestien daardoor voor een oogenblik op den achtergrond geschoven werden(*). Aan de onderscheidene collegien en ook aan bijzondere personen werd de vraag voorgelegd, hoe men het best tegen de steeds in aantal toenemende wegloopers zou handelen. Verschillende antwoorden kwamen hierop in; de voornaamste inhoud daarvan kwam hierop neder:
De meesten waren voor strenge vervolging door militairen en burgers, verhooging der premies voor het vangen en dooden van weggeloopen slaven, zoo mogelijk vernietiging van het ‘gespuis’ - (officiele term), waartoe men volgens sommigen ook met goed gevolg een vrij corps van slaven kon oprigten, welken men daartoe de vrijheid schenken en in den wapenhandel oefenen moest; anderen stelden voor om te beproeven met een gedeelte der wegloopers vrede te sluiten; weder anderen wilden Fransche emigranten uitnoodigen om zich in Suriname, tegen genot van eenige voordeelen, op die punten te vestigen, waar zij als voorposten tegen de wegloopers nuttig konden zijn. - Heerschte over het een en ander verschil van gevoelen, in één punt waren allen het eens, namelijk: dat men de kosten zoo weinig mogelijk op de kolonisten moest brengen(§). Van tijd tot tijd zijn deze maatregelen beproefd, slechts die van de vestiging van Fransche Emigranten is wegens de vele moeijelijkheden daaraan verbonden, achterwege gebleven.
Den 15den September 1757 ontving Crommelin het berigt zijner definitieve aanstelling als Gouverneur, terwijl Nepveu, wiens verdiensten door de Societeit zeer op prijs werden gesteld, tot ontvanger der Hoofdgelden werd benoemd(†).
Niet slechts de Societeit, maar ook de heeren Deutz en Comp., de groote geldschieters, vereerden Nepveu met hun vertrouwen.
Genoemd kantoor droeg hem en zekeren heer G. Kaeks op, om zijne belangen in de kolonie te vertegenwoordi-
gen(*); en indien de een of andere planter zijne verhypothekeerde plantaadje of een gedeelte derzelve wilde verkoopen en daartoe magtiging van het Hof verzocht, werd eerst het oordeel van de heeren Nepveu en Kaeks, als gemagtigden van de heeren Deutz en Comp., ingewonnen.
In 1758 circuleerde in de kolonie een zeker geschrift, hetwelk men voorgaf eene copij te zijn eener op 30 April 1757 opgemaakte rekening-courant van hetgeen de planters aan het kantoor van Deutz schuldig waren. Volgens dit geschrift bedroeg het saldo daarvan de aanzienlijke som van ƒ4,628,365.12; de namen van vele der aanzienlijkste ingezetenen en voornamelijk van een groot aantal joden kwamen daarop voor. De gemagtigden der heeren Deutz beklaagden zich bij het Hof over deze handeling, waardoor verscheidene personen meer of minder gecompromitteerd werden, en noemden ‘deze notitie erronneus, valsch en gesupposeert.’ Crommelin zond eene onderschepte copij daarna naar de Directeuren der Societeit(§).
Niettegenstaande de reeds op bldz. 233-36 vermelde voorzorgen ter verzekering van de regten der geldschieters genomen, kwamen er spoedig klagten van het kantoor J.F. Marselis, opvolger van Deutz, over gepleegde kunstenarijen in het priseren der plantaadjes, welke kunstenarijen bij verkoop van verhypothekeerde plantaadjes aan het licht kwamen.(†) Ter voorkoming hiervan, werd door het hof den 8 Feb. 1764 besloten om: ‘de instructie der priseurs te scherpen en vooral de hand te houden aan de bepaling, dat het Hof iedere taxatie naauwkeurig zoude nagaan, van welk besluit den Directeuren der Societeit berigt werd gegeven, met het verzoek om naar hun vermogen het wankelend crediet der kolonie te schragen.(**) Doch dit crediet was zoo zeer geknakt, dat men
te Amsterdam huiverig werd om gelden op Surinaamsche plantaadjes te leenen. Eerst na vele vruchtelooze pogingen bij verscheidene kooplieden, gelukte het eindelijk den heer van de Poll over te halen, om nog een millioen gulden à 6 pCt. op Surinaamsche plantaadjes voor te schieten.(*)
Behalve het vaststellen van den interest op 6 pCt. 's jaars, hield dit project de voorwaarde in, dat het door den heer Harmen van de Poll verstrekte geld 10 jaren lang zou vaststaan, doch dat in de volgende 10 jaren telken jare 10 pCt moest worden afgelost. De interesten en aflossingen moesten in producten geschieden; de geldopnemer verbond zich ook om alle producten zijner plantaadje te consigneren aan het kantoor der geldschieters - welke van hunne zijde aan de aanvrage om levensmiddelen en provisien moesten voldoen. De makelaars zouden 2 ½ pCt courtageloon genieten. Na eenige wijzigingen werd dit project goedgekeurd.(§)
Enkelen in Suriname zochten van het gebrek aan geld, dat aldaar zoo dikwijls voorkwam, partij te trekken door gelden tegen zeer hooge interesten te leenen, (woeker te drijven). Reeds vroeger waren meermalen bepalingen hier tegen gemaakt, o.a. in den tijd van den Gouverneur Joan Raye, die een placaat uitvaardigde tegen het nemen van hooge interesten, toen door sommigen 30, 40, 50, ja meer dan 60 pCt interest gevorderd werd.(†) Het door gemelden Gouverneur Joan Raye uitgevaardigd placaat werd thans vernieuwd en geamplieerd. Het nemen van hooger interest dan 8 pCt 's jaars werd verboden op de boete van ƒ500 voor de eerste overtreding, en ƒ1000 voor de tweede, enz.(**)
Om in de schaarschte van contant geld te voorzien, werd
in het Hof voorgesteld om looden geld te laten vervaardigen, doch daar deze maatregel niet door de meerderheid goedgekeurd werd, trok men het voorstel weder in. Een ander voorstel om cartonnen of kaartengeld, met het kleine 's lands zegel voorzien, te doen maken, vond meerder bijval en weldra ging men hiertoe over. In de vergadering van het Hof van 19 Mei 1761 werd tot de eerste uitgifte van dit kaartengeld besloten, namelijk voor ƒ12,000 - Surin. - 4000 stuks à ƒ3.(*) Spoedig werd er meer van dit papieren geld, hetgeen in eene groote behoefte voorzag, gemaakt; reeds in hetzelfde jaar besloot men herhaaldelijk tot nieuwe uitgifte er van: volgens resolutie van
12 Sept. 1761 voor ƒ10,000 in kaarten van ƒ2 ½.
4 Oct. 1761 voor ƒ10,000 in kaarten van ƒ2 ½.
4 Dec. 1761 voor ƒ20,000 in kaarten van ƒ2 ½(§).
In Februarij 1762 werd door het Hof een verzoekschrift aan H.H.M. gerigt, om een in Suriname alleen gangbare geldmunt te mogen hebben. Ofschoon Directeuren der Societeit dit verzoek ondersteunden, wezen H.H.M. het echter van de hand. Men ging daarop voort met het maken van kaartengeld, in
October 1762 voor ƒ25,000 à ƒ2 ½.
9 Mei 1763 voor ƒ25,000 à ƒ2 ½.
20 Dec. 1763 voor ƒ120,000 à ƒ3.
In Februarij 1764 voor ƒ100,000, als: voor ƒ30,000 à ƒ1 en voor ƒ70,000 à ƒ10, in Aug. 1764 voor ƒ50,000 à ƒ10.
Een gedeelte van dit kaartengeld besloot men als eerste-hypotheek op huizen of andere vaste effecten uit te zetten voor den tijd van 3 jaren en tegen 8 pCt 's jaars. Hiervan werd spoedig gebruik gemaakt. Reeds den 6den December 1764 berigtte de ontvanger der Modique lasten, dat er voor ƒ83,113
van genoemd kaartengeld op hypotheek geplaatst was, en van 1762 tot 1767 ontving de koloniale kas als interest daarvan ƒ48,188,13,14 1/5. Men bezigde het ook om publieke kantoren in staat te stellen de vereischte betalingen te doen. Men maakte er voornamelijk gebruik van om de kas tegen de wegloopers bij te staan; het eerst in 1765 met eene som van ƒ100,000.(*)
Dit kaartengeld moest ieder in de kolonie in betaling ontvangen, doch de schippers konden het bij hun vertrek voor wissels op het kantoor der Modique lasten inruilen, waar men het tot betaling der bedienden gebruikte.
De Directeuren der Societeit vonden echter zwarigheid in die gestadige vermeerdering van het kaartengeld en schreven daarom Gouverneur en Raden, om de som van ƒ100.000 - die aan de kas tegen de wegloopers geleend was, in te trekken en dit kaartengeld te verbranden.(§)
Om eenigzins aan het gebrek aan contanten te gemoet te komen, zonden Directeuren, op verzoek van het Hof(†), van tijd tot tijd contant geld naar Suriname (in 1764 o.a. voor 16.400); doch zulks baatte niet: dit geld toch kwam naauwelijks in omloop of het verdween uit de kolonie door de betaling voor diverse goederen aan de schippers. Evenmin bragt de maatregel om ter faciliteering en aanmoediging tot aanvoer van contanten een agio of opgeld van 5 procent te stellen eenige gunstige verandering in den toestand van zaken.(**) Winkeliers en andere negotianten maakten daarop zelve kaartjes, een soort van bons, waarop zij naar willekeur sommen schreven. Het Hof wenschte wel dit onregelmatig betaal-middel door een verbod te doen ophouden; doch zij wezen op de moeijelijkheid om bij gemis hiervan met elkander af te rekenen. Toen Directeuren bleven aanhouden op de vernietiging van het kaar-
tengeld(*) gehoorzaamde men niet onmiddellijk, maar stelde de Societeit de voordeelen van het officiele kaartengeld voor oogen en vroeg haar verlof tot eene nieuwe uitgifte van ƒ350.000, die eindelijk toegestaan werd.
Toen Crommelin het bewind aan van der Meer overdroeg, had hij getuigd dat thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in de beide hoven, maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschte(§). Weldra echter kwamen moeijelijkheden dien vrede, die eendragt en die vriendschap verstoren. Steeds waren het dezelfde oorzaken, slechts eenigzins door omstandigheden gewijzigd, als: verschil tusschen de Societeit en de Raden van Policie over de kosten der verdediging tegen binnen- en buitenlandsche vijanden, over de begeving van ambten, over de rangregeling tusschen Raden van Policie en societeits-ambtenaren als fiscaal, secretaris enz., en over de grenzen der regtsmagt in het straffen der miltairen in Communis delictums.
De Gouverneurs, voorstaande de belangen der Societeit, die hen aanstelde en bezoldigde, kwamen daardoor ieder oogenblik in tegenspraak met de Raden van Policie, die van hunnen kant uitsluitend de belangen der ingezetenen op het oog hadden. Hoewel deze laatsten meermalen het regt aan hunne zijde hadden, zoo is het tevens niet te loochenen, dat zij - trotsche republiekeinen als zij waren, - vaak de geringste daad der Gouverneurs, waardoor zij vermeenden in hunne regten gekrenkt te worden, als despotismus uitkreten en daardoor dikwerf de uitvoering van een maatregel die in het algemeen belang was, belemmerden.
Crommelin met een driftig en oploopend gestel, miste de tact om, bij verschil van gevoelens, zijne tegenstanders op minzame wijze te overtuigen of hen ten minste niet te verbitteren. Zijne mannelijkheid en degelijkheid van karakter echter, die hem den sterksten tegenstand niet deed vreezen, waar hij vermeende tot zelfstandig handelen geroepen te zijn, stelden hem in staat maatregelen in het belang der kolonie ten uitvoer
te leggen, waarvoor Mauricius was teruggedeinsd. Soms evenwel dreef hij stijfhoofdig zaken door, waartegen de Raden zich met regt verzetteden.
Jegens de slavenbevolking was hij ‘on doit juger les esprits àpres leurs dates’ - niet kwalijk gezind en trachtte, doch vruchteloos, de verregaande mishandelingen dier armen tegen te gaan.
De aanleiding tot een hevigen strijd in het Hof kwam van van de zijden der Societeit. Crommelin deelde in de zitting van het Hof van 11 Februarij 1760 mede, dat Directeuren der Societeit, in overleg met eenige belanghebbenden in Surinaamsche plantaadjes, (Amsterdamsche kooplieden) het plan hadden gevormd om op nieuw 600 man troepen ter versterking der reeds bestaande krijgsmagt naar de kolonie te zenden. De Raden oordeelden dat, bij den gehoopten vrede met de boschnegers, waardoor minder zoogenaamde commandos noodig zouden zijn, volstrekt geen behoefte aan zulk eene versterking der krijgsmagt bestond en dat men alzoo de ingezetenen niet noodeloos met meerdere kosten moest bezwaren. Dit oordeel der Raden werd aan Directeuren bekend gemaakt; doch deze heeren verleenden hieraan weinig aandacht of wachtten het zelfs niet af, want reeds den 26sten Junij 1760 berigtte Crommelin dat het vroeger genoemde plan ten uitvoer zou worden gelegd en dat men reeds de approbatie van H.H.M. hierop had verkregen.
De Raden waren over deze handelwijze der Societeit verontwaardigd, niet slechts om reeds genoemde redenen, maar ook om de minachting, waarmede de Societeit hen, ‘die toch met den Gouverneur de wettige regering van Suriname uitmaakten’, behandelde. Zij rekenden zich verpligt om tegen alle infractie van het octrooi te waken en hier beging de Societeit eene nieuwe en alle vorige te boven gaande infractie. Artikel 27 sprak duidelijk: de onkosten der verdediging moesten door de Societeit gedragen worden. - Bij vroegere conventien waren hierin, doch echter immer na voorafgaand overleg, eenige wijzigingen gekomen, maar nu matigde zich de Societeit eene magt aan, die ter naauwernood bij een Despoot denkbaar was. In dit buitengewone geval verlangden de Raden, dat de inge-
zetenen werden opgeroepen om hun gevoelen er over te vernemen(*).
Crommelin verklaarde zich ten sterkste tegen eene oproeping der ingezetenen. Hij schetste met levendige kleuren de onrust en verwarring waartoe deze leiden kon; hij trachtte de Raden te doen inzien, dat het Hof niet geroepen was om te delibereren in hoeverre men zich aan de bevelen van den Souverein (H.H.M.) zou gedragen, maar slechts hoe die bevelen het best konden worden ten uitvoer gelegd; hij waarschuwde tegen de nadeelige gevolgen die uit dergelijke verschillen met den landsheer (de Societeit) konden ontsaan, en haalde tot bewijs daarvoor de vorige gebeurtenissen onder Mauricius aan. Hij wees ten slotte op den moeijelijken toestand waarin de kolonie kon geraken, indien eens onverhoopt de vrede met de boschnegers niet mogt tot stand komen. De Raden, op hunne beurt, antwoordden, dat zij in de door hen voorgestelde demonstratie geene oneerbiedigheid jegens den Souverein (H.H.M.) zagen, te meer daar zij vertrouwden, dat indien H.H.M. goed omtrent de zaken waren ingelicht, zij zich haasten zouden om dit onregtvaardig besluit in te trekken; de Raden wenschten mede gaarne met den landsheer (de Societeit) buiten verschil te blijven, maar waar deze het octrooi schond, konden zij, volgens eed en pligt, hierin niet stilzwijgend berusten; zij vonden geen vrijheid de ingezetenen met meerdere lasten te bezwaren, - en indien het der Societeit te zwaar viel, om, volgens het octrooi, zelve voor de verdediging der kolonie te zorgen, dan immers stond het haar vrij om het regt van eigendom derzelve aan den souverein (H.H.M.) over te dragen. Dit éénstemmig oordeel der Raden (slechts de Commandeur de Bauverser koos in dit verschil de zijde van den Gouverneur) werd in schrift gebragt en aan H.H.M. opgezonden(§).
In December 1760 bragt de Gouverneur deze zaak op nieuw ter sprake. Hij verdedigde de Societeit tegen den blaam, dat zij als in den blinde rondtastte en verklaarde, dat zij integen-
deel volgens bepaalde beginselen en met kennis van zaken handelde. Zij had, vervolgde Crommelin, tot grondslag genomen, de opbrengst van de kas tegen de wegloopers in 1757, wanneer deze ƒ205,974,18 bedroeg, en hieruit kon het onderhoud worden bekostigd; mogten die kosten onverhoopt meer beloopen, dan zou de Societeit misschien wel weder ¼ daarvan willen dragen; daarbij was de versterking der krijgsmagt in meer dan een opzigt nuttig. - Men zou toch daardoor in staat worden gesteld om hier en daar militaire posten op te rigten; de zekerheid en veiligheid der Kolonie zou toenemen, dan ook kon, zonder gevaar, de kolonisatie aan het Oranjepad, waartegen de Raden steeds zoo veel bezwaar hadden gehad en die ook zoo weinig aan het oogmerk voldeed,(*) geheel worden opgeheven; en daar de kosten voor die kolonisatie de eenige waren, die nog uit de Extra-ordinaire kas moesten worden betaald, zou die kas kunnen vervallen en het batig saldo er van in de kas tegen de wegloopers worden gestort.(§)
De Raden antwoordden, dat zij bij hunne ontevredenheid jegens de Societeit bleven volharden. Niettegenstaande hun herhaald protest, had zij toch de troepen gezonden en nog daarenboven bij de werving er van slecht toegezien, daar er verscheidene kinderen, Joden en oude lieden, tot de dienst onbekwaam onder waren. De opheffing der kolonisatie was geene gratie: de 10 jaren, waartoe men tot hulp en ondersteuning verbonden was, waren verstreken, men was verder tot niets verpligt; de opheffing der extra-ordinaire belasting was reeds
lang begeerd en toegezegd. De Raden hoopten nog op gunstige beschikking van H.H.M. Hunne aangevoerde bezwaren toch waren, naar hunne meening, zóó gegrond, dat, ‘hoe habile en subtiele pennen ook van de kant van Haar Edele Groot Achtbaare, als naar gewoonte, sullen geëmployeerd worden, de kragt der eenvoudige waarheid en gezonde reden, altoos zal door de nevelen van kunstige raisonnementen doorstralen:’(*) De heeren Raden werden echter in deze verwachting bedrogen. Den 14den Junij 1762 deelde Crommelin mede, dat H.H.M. bij hunne resolutie van 21 December 1759, betreffende de overeenkomst tusschen de Societeit en eenige voorname geinteresseerden, bleven persisteren. Daar de Raden voorzagen dat verdere tegenstand nutteloos zou zijn, verklaarden zij na eenig beraad, den 14den Julij 1762, dat zij aan de orders van H.H.M. zouden gehoorzamen.(§)
Nog onder den indruk dier onaangename stemming door het hier boven verhaalde veroorzaakt, rezen er nieuwe geschillen tusschen de Societeit en de Raden, en zulks nu over het tractement der predikanten. Daar het, gelijk wij vroeger reeds aanmerkten, moeijelijk was, om ‘geschikte sujetten’ voor dat ambt in de Kolonie te verkrijgen, was er besloten, dat de predikant, die door Directeuren der Societeit geëngageerd werd om naar Suriname te gaan, voor reiskosten enz. een don gratuit van ƒ600 zou ontvangen en in de Kolonie, behalve zijn tractement, vrije woning en twee slaven te zijner dienste.
De Raden die bezuiniging wenschten, rekenden zich over deze kosten bezwaard, en verzochten Directeuren bij missive het don gratuit in te trekken(†). Het antwoord dat zij daarop ontvingen was scherp en bevatte o.a. de volgende zinsnede: ‘dat bij haar minder ijver en genegenheyt tot opbouwing van Gods kerke en verbreidinge van de leere der zaligheyt werd bespeurt dan bij haar voorzaaten die van tijd tot tijd de predicanten tractement zoo hebben vermeerderd(**).’ Vooral deze
zinsnede gaf aanstoot. Toen Crommelin later (9 Feb. 1764) de belangen der predikanten wilde voorstaan, en daartoe sprak hoe dezen, indien men het hun vroeger toegestane thans bleef weigeren, moeijelijk op fatsoenlijke wijze in Suriname leven konden enz. gaf de verontwaardiging der raden zich lucht in de hevigste bewoordingen. ‘Godt de Heere’; zoo spraken zij: ‘geeft toch in zijn goedertierenheyt mannen nae zijn hart, die geen Mercenaires zijn, Herders, die haare schaapen hoeden, als van outs den apostel Paulus, die het werk zyner handen voegte by den heyligen dienst, dat andere mede dede, schoon dat hier niet wert gerequireert; van hetgeen een predikant hier krijgt als hij niet brassen wil, en veel wijn gebruyken, kan hij zeer wel leven, met de kinderen die Godt hem geeft, die haar zegen meede brengen. De Raaden zijn 't niet eens met Sijn WelEd. Gestrenge dat alles veel kostbaarder is geworden, als voorheen, en de gulhartigheyt zoo niet meer bij de gemeente zou zijn, als voor deesen; het is wel waar, dat lekkernyen, fyne wynen, en al was het maar gemeene rooyen, dat het gebruyk daervan kostbaar is, maar dat zyn zaaken die predikanten in profusie niet behoeven te gebruiken.’ - ‘Zoo de Dominees het hier dan zoo slegt hebben, wat zal men seggen van officieren, jaa Lieut. Colonels, die noch alles en alles gerekent, het inkoomen van een leeraar niet hebben, en evens met veel éclat moeten leven? - Is 't dan maar om het hebben te doen, en zyn de predikanten dan alleen nooijt te vergenoegen?’ Omtrent den aandrang der Societeit hiertoe merkten de Raden aan: ‘De milddadigheden zijn faciel wanneer men er niets toe contribueert, Haar Edel Groot Achtbaare hebben het maar voor 't zeggen, maar uyt de cassa van de ingeseetenen moeten de betalingen koomen.’
Dat deze weigering van het don gratuit en de heftige taal daarover door de Raden gevoerd, eigenlijk meer voortsproot uit wrevel jegens de Societeit dan uit onwil jegens de predikanten, blijkt o.a. daaruit, dat kort hierna meermalen, bij resolutie, een douceur aan predikanten werd toegekend door het Hof zelf of wel door de ingezetenen op voorgang van Gouverneur en Raden, zooals wij in het Journaal van Crommelin
lezen: ‘Vermits de Fransche Dominé Sugnens het op bededag zoo wel ingericht hadde, heeft de heer Gouverneur en Raden van Policie hem een present van ƒ500 geschonken(*)’.
‘5 November 1766. De heeren Raaden en de meeste ingezetenen zeer voldaan zijnde geweest over de predecatien door Ds. Rogère, Sügnens en den Luyterse Ds. Zegerquist op gepasseerde Beededag, den 29sten October, hebben dezelve Raaden en vele andere voorname ingezetenen een beurs van ƒ2100: = bij malkanderen verzamelt, en aan ieder der drie predikanten Ds. Rogère, Sügnens en Zegerquist een present van ƒ700 = gedaan(§).’
‘4 Februarij 1767. In de vergadering van het Hof werd besloten om daar er eene vacature te Paramaribo bestond en de predik-dienst aldaar van tijd tot tijd door Ds. Johanson, wiens standplaats aan de Commewijne was, werd waargenomen dezen voor elke predikdienst ƒ40,- toe te leggen(†).’
‘9 December 1767. Bij het voortduren der vacature zoo gegeschiedt de dienst alleen door den eenigen Nederduitschen en den Franschen predikant waarom het Hof hun als douceur of nieuwjaarsgift ieder ƒ600,- toekent(**).’
‘Ds. Sugnens werd den 11den Aug. 1768 door het Hof voor de getrouwe waarneming der predikdienst ƒ600,- toegelegd.’
En daar er toch moeijelijk predikanten voor Suriname waren te vinden, werd in 1767 hun tractement verhoogd (voor de stad) op ƒ2200,- zonder vrije woning, en voor de distrikten ƒ1700,- met vrije woning. Het weduwen pensioen bedroeg ƒ500,-(§§).
De heerschzucht van sommige, en het losbandig gedrag van enkele predikanten gaven meermalen ergernis. Gedurig ontstonden er geschillen. Crommelin klaagt in zijn dagboek hierover verscheidene keeren en de notulen en de acta Conventum maken er dikwijls melding van. De Hervormde predi-
kanten beklaagden zich ook nog al eens over de Lutherschen, die zij van aanmatiging en zucht om de predominante kerk te overvleugelen beschuldigden. Deze laatsten beweerden daarentegen immer dat zij niet buiten en boven hun privilegien gingen. Het doopen van kinderen van ‘nonconformisten’, het oprigten eener Luthersche school, het doen van collecte tot onderhoud van kerk en armen, waren de voornaamste zaken waarover de verschillen liepen. Crommelin trachtte zoo veel mogelijk vrede en eendragt onder hen te herstellen en vond in deze bij de Raden ondersteuning(*).
Het schoolbezoek werd door predikanten en anderen daartoe door den kerkeraad gecommitteerden vrij getrouw waargenomen. Zelden leest men in de verslagen daaromtrent gunstige getuigenis over de Hollandsche school, daarentegen was men doorgaans over den Franschen en ook over den Mulatten onderwijzen wel te vreden. De kerkeraad stelde in Augustus 1767 voor om tot aanmoediging der schooljeugd eene prijsuitdeeling te houden. In 1768 had deze voor het eerst plaats en werd sedert meermalen herhaald.(§)
Met medewerking der classis van Amsterdam werd op verzoek van het Conventus Deputatorum eene overeenkomst aangegaan met het Aalmoezeniershuis te Amsterdam om, tegen eene tegemoetkoming van ƒ100 's jaars, jongens uit het Diakoniehuis van Paramaribo op te nemen en aan deze jongens in genoemd Aalmoezeniershuis eene goede christelijke opvoeding te doen geven, een ambacht te laten leeren en hen later, zoo
zij daartoe genegen waren, naar Suriname terug te zenden. Jongens boven de zeven jaren konden worden opgenomen(*). Van dezen waarlijk goeden maatregel werd veel gebruik gemaakt.
De stad Paramaribo werd van tijd tot tijd verfraaid en uitgelegd, en niettegenstaande de vermeerdering der woningen stegen de huishuren, daar de aanzienlijke inwoners hoe langer zoo meer de stad tot hunne vaste woonplaats verkozen en ook andere oorzaken bragten daartoe het hunne bij. De Portugesche Joden, wier bezittingen in plantaadjes verminderden, vestigden zich ook meer in Paramaribo, terwijl de Savane minder gezocht werd. Door de aankomst van vele Hoogduitsche Joden werd het kroost van Israël in Suriname zeer vermenigvuldigd. Deze beide gemeenten leefden echter van elkander gescheiden en wij vinden zelfs melding gemaakt, dat men kerkelijke straf uitoefende jegens hen, die eene andere Synagoge dan die van hunne eigene gemeente bezochten. Door sommige leden van het Hof werd een plan ontworpen en hetzelve ter goedkeuring naar de Societeit verzonden, om de Joden een afzonderlijk kwartier aan te wijzen - een zoogenaamde Joden wijk; directeuren verklaarden zich hier niet bepaald tegen, maar verlangden echter, dat men de aan de Joden verleende privilegien eerbiedigde - en er hadden verder wel discussien over plaats, doch het plan kwam niet tot uitvoering(§).
Bruggen, aanlegplaatsen voor de schepen, afzonderlijke plaatsen voor het houden van markten werden verbeterd en hun aantal vermeerderd.
De toren van het raadhuis, tevens de Hervormde kerk, werd in 1768 van een klok voorzien, die met het stellen ƒ2000 kostte en te gelijker tijd werd een klokkenist tegen eene jaarwedde van ƒ500 aangesteld(†).
In 1758-60 werd een zeer doelmatig, ruim, luchtig militair hospitaal gebouwd, dat in eene groote behoefte voorzag.
Een geschikt gebouw waarin besmettelijke zieken, als door Jaas, Boassie enz. aangetastten, afgescheiden van anderen, konden worden verpleegd, ontbrak echter. Wel werden van tijd tot tijd voorstellen daaromtrent gedaan, doch de schraalheid der kas hield de uitvoering daarvan tegen(*).
In 1764 heerschte de kinderpokken in eene hevige mate onder de slaven, vele stierven en de lijken werden zoo slecht begraven, dat het Hof zich, ter voorkoming van verdere uitbreiding dier vreesselijke ziekte, genoodzaakt zag een besluit uit te vaardigen waarbij deze zorgelooze handelwijze streng verboden werd. Het besloot toen ook een houten gebouw ter verpleging der besmettelijke zieken op de Savane buiten Paramaribo te laten maken, en de chirurgijns op poene van ƒ100 te verbieden dergelijke lijders bij hunne meesters of in hunne huizen te helpen(§). Het blijkt echter uit verscheiden feiten, dat deze heilzame verordeningen slecht of in het geheel niet opgevolgd werden.
In den nacht tusschen den 18den en 19den April 1763 barstte er in Parimaribo een hevige brand uit en dreigde de grootendeels uit houten huizen bestaande stad met eene geduchte verwoesting. Het gevaar werd gelukkig nog afgewend. Het elders mede wel meer aangewende middel om eenige digt bij de hand staande huizen te laten omverhalen, werd ook hier met goed gevolg aangewend. De eigenaars dier woningen stelden een eisch tot schadevergoeding in en hieraan werd in zooverre voldaan, dat zij een renteloos voorschot van ƒ19,500 tot herstelling en opbouw derzelve ontvingen(†).
Op nieuw ondervond men het gemis van brandspuiten(**) en ofschoon bij een nieuw brand-reglement bepaald werd, dat in cas van brand ieder ingezeten eene gewone glazen spuit en
eene tobbe met water ter beschikking moest stellen,(*) begreep men toch, dat dit weinig baten zou en ontbood vier brandspuiten uit Nederland. In Augustus 1764 werden de twee eerste brandspuiten in Paramaribo aangebragt(§), zij voldeden vrij goed en werden sedert meermalen gebruikt(†).
Om aan het gebrek aan drinkbaar water, dat zich, bij groote droogte, sterk deed gevoelen, te gemoet te komen en ter voorzorg bij het mogelijk ontstaan van brand, werden te Paramaribo in 1764 en eenige volgende jaren, openbare putten gemaakt(**). Bij het delven van eene dier putten op de hoek van de Heeren- en Kerkhofstraten, werd op eene diepte van circa 12 voet, eene ader ontdekt, die zeer veel ‘stofgoud’ scheen uit te leveren. Crommelin liet dit nader door docter Moesner onderzoeken, doch daar men er verder geen gewag van gemaakt vindt, veronderstellen wij, dat de resultaten van het onderzoek weinig bevredigende uitkomsten hebben opgeleverd(§§).
Door de groote droogte ontstonden somwijlen boschbranden, voornamelijk in October en November 1767, welke in hevigheid die van 1746 evenaardden(††).
Een, voor Suriname zeer ongewoon, natuurverschijnsel verschrikte de inwoners van Paramaribo in den vroegen morgen van den 21sten October 1766, namelijk eene aardbeving, die wij in het dagboek van Crommelin aldus beschreven vinden: ‘Heden morgen, circa 5 uuren, begon men hier swaar onderaarts gedruys te hooren, dat eenige minuten lang vermeerderde en toen met eene groote aardbeeving eyndigde. Alles met elkanderen duurden 15 à 16 minuten, ingevolge nauwkeurige observatie van den premier luitenant Dirks, die juyst bij desselfs sieke kind op sat, de gebouwen door geheel Paramaribo kraakten, en men meende telken oogenblikken, dat deselve instorten sou-
den, want deuren en vensters oopenden en slooten sig weederom, het water in de putten, vaaten en tobbens kabbelde als baaren in de zee; aan 't Gouvernement heeft het geevel-eynde aan de oostkant, synde een steene muur, een groote scheur gekreegen en ook het Commandement 5 à 6 scheuren; de sieken in 't Hospitaal syn alle daaruyt gevlugt; alle de slingerhorologies hebben stil gestaan 20 minuten over 5 uuren, dog aan de scheepen en op 't waater is de schudding niet soo sterk als aan de wal geweest, hebbende alleenig eenige beweegingen aan de hangmatten kunnen bespeuren; zijn Excellentie is meede blootsvoets uyt 't Gouvernement gevlugt, met groot gevaar dat telken oogenblikke vreesden hetselve instorten soude, want alle de gebouwen en selfs de aarde beweegde zig als golven in de zee: dog God dank het is tot nog toe by die schrik gebleeven en met geen verdere ongelukken verseld, ten minste zooveel men kennisse daarvan heeft, except dat den persoon van Daniel Forques, geweezene adsist. van 't comptoir van de modique lasten, door schrik van de verdieping van een huys door 't venster op de grond is gesprongen en sig deerlyk beseert, soodat daardoor dan 't bloedspuyen is geraakt; beneevens nog op eenige andere plaatsen eenig porcelyn en glaasen gebrooken. Geen mensch weet sig te herinneren, dat ooyt of ooyt soo lange hier Europeërs syn geweest zulk eene swaare aardbeevinge als deese hier is gevoeld geworden.’
In de vergadering van het Hof op dien zelfden dag, werd op voorstel van Crommelin tegen den 29sten October een danken bededag uitgeschreven, om den Heere God voor de genadige bewaring te danken.
Eenige dagen later herhaalden zich die schuddingen, gelijk in het dagboek gemeld wordt, als:
25 October, 1766. Gepasseerde nagt, circa een uuren, heeft men al weederom eenige schuddingen gevoeld, synde egter niet zoo sterk als de voorgaande geweest.
27 October, 1766. Gepasseerde nagt ter twaalf en heeden morgen circa half seeven uuren, bij stil en helder weeder, onderaarts gedruys gehoord, vergezelt met eenige schuddingen, die egter iets sterker zijn geweest als de laatste, synde de schockingen ook op 't waater bespeurt geworden.’
In Januarij van het volgende jaar, had weder eene aardbeving plaats, waarvan is aangeteekend:
‘18 Januarij 1767. Gepasseerde nagt, circa half twee uuren, heeft men weederom een onderaarts gedruys gehoort, 't welk tot ruym vier uuren heeft geduurd, zynde ook eenige ingeseetenen deezer colonie in de verbeelding geweest een weinig beweging te hebben gevoelt.
Ook heeft sijn Excellentie tijding ontfangen, als dat de scheepen, welke laatst in zee gestooken hebben, na een verblijf van 24 uuren weederom syn binnen geloopen weegens swaar onweer en contrarie winden.’
Strijd tegen Buitenlandsche vijanden was er, tijdens het bestuur van Crommelin, niet te voeren. Bij den oorlog, die in 1760 tusschen Frankrijk en Engeland uitbrak, bleef Nederland onzijdig(*). Evenwel had de kolonie zeer veel overlast van de Fransche kapers, die aan den mond der Suriname kruisten en jagt op de Engelsche schepen maakten, wier lading als paarden, muilezels, hoornvee en proviand voor Suriname bestemd was. Hierdoor ontstond schaarschte aan proviand, doch voornamelijk aan paarden en deze waren tot het in beweging brengen der suikermolens onontbeerlijk(§).
Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.
De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand der
Engelschen was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der aan elkander grenzende kolonien Cayenne en Suriname. Het wantrouwen der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen was, ‘want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was, dat zy slaaven waaren.’ Zij werden dan ook terug gegeven(*).
Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven, dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders de eenige mijlen oostelijken gelegen rivier de Sinemary. Beiden voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken dien strijd.
In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deelden
zij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, ‘hetwelk,’ volgens het oordeel dier heeren, het terrain van den Koning van Vrankrijk was,’ ‘en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake van dat volk’ (de boschnegers) ‘eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden.’ Om dit voorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord: - ‘hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven.’
Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten(*). Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteurs berigtte, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt(§)(†).
De in 's lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765 geinsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was(*). De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen(§).
De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.
Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369-517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.
De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor ƒ1200 Hol.(*)(§).
De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.
Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.
De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zij den tegenwoordigen heeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde pr