terug  begin  verder
[p. 359]

Derde tijdvak.
Zesde hoofdstuk.
Van den dood van Nepveu (1779) tot de overgave der kolonie aan de Engelschen (1804). Aanvaarding van het bestuur door B. Texier; toestand van Suriname tijdens den Engelschen Oorlog (1780-83); gebeurtenissen gedurende de regering der gouverneurs Wichers en Friderici; tusschen-bestuur onder het protectoraat van den koning van Engeland; korte regering van Beranger; invloed der revolutionaire begrippen in Nederland op den toestand in Suriname; letterkundige ontwikkeling in de kolonie, enz, enz.

Den 28sten Februarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof(*).

Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in

[p. 360]

1763, reeds gunstig onderscheiden(*). In 1764 tot 2den Raad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12den November van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming(†).

Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.

De strijd met de wegloopers heette geêindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied, - doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen vau Bonni tegen de veiligheid der kolonie.

Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o.a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Het

[p. 361]

corps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten(*). Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven(†).

De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten(§). De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug(**).

Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen(††). De Aucaners verklaarden: dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden(§§)’. De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, ‘alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen’, echter ‘onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken’. Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand(***).

‘Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen’, luidt eene merkwaardige spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolo-

[p. 362]

nisten. Die vrede tusschen de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: ‘God geve er zijnen zegen toe.’ Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!

De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en de posten kon men naauwelijks bezetten(*). De dienst der militairen werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt onttrokken. De desertien namen zeer toe.(†).

‘In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden; het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat de stinkvogels er niet op azen wilden.’ Deze ziekte (zij schijnt van eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder 't vee, maar ook onder de menschen: ‘dagelijks hoort men van sterfte, en in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder leggen.’(§) Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte, veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen stierven.(**)

Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig verwezentlijkt.

De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen tijd geduurd. Wel was onze republiek

[p. 363]

nop onzijdig gebleven, doch reeds onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche kapers gehad.

De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: ‘om in deze critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te ontblooten,’ wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden zij den steven en verlieten de kolonie.(*)

Na hun vertrek kruistten de Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de kust, en maakten jagt op de Amerikaansehe schepen, die met provisiën beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakten dan ook vele Amerikaansche schepen buit.(§)

In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk aan Blom (meel), zooals ‘zulks de oudste coloniërs niet heugden.’ ‘De menschen schreeuwen en lamerteeren om brood, dat er bijna niet te krijgen is, en 't weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk getal zich ook de officieren bevinden.’(†)

De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie roggebrooden uit de Societeits-bakkerij mogt werden verstrekt, tegen inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk toegestaan.

Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen, Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de negen stuivers de bos te bekomen.

[p. 364]

Texier schrijft: ‘het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood...!’ Zij wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te komen, 's wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.

Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisie zoudën binnenkomen(*). Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21sten Maart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden voor de kolonie.

Den 6den Maart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein A. de Broek, commandant van 's lands oorlogschip, die met drie op de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had den schipper Hermans bevolen, onmiddelijk naar Paramaribo terug te keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijke gebenrtenis te geven(§).

Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de geschiedenis van Nederland. Wij houden ons strerg aan de bepaling om slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minder onmiddelijk in betrokken werd.

[p. 365]

Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.

Na het vertrek der oorlogschepen, onder het bevel van de kapiteins Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met 's lands fregat, de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten tijd vertoefd.

Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea tegen vreemden overval te dekken(*). Dat verwachte schip, onder bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien(§). Met veel moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen(†); het kwam den 9den Mei voor Paramaribo ten anker(**); doch beide schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.

Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, ver-

[p. 366]

toefde slechts eenige dagen en zette koers naar Curacao(*), maar tot groote blijdschap van Texier kwamen den 4den Februarij 1781 twee oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven, kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het Hof van Policie.

Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging te nemen. Hij riep onmiddelijk het Hof bijeen; hield des morgens eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de officieren der krijgsmagt en der oorlogschepen.

Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven in arrest gebragt(§). Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast, naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar Paramaribo te zenden(†). Den volgenden dag werd er eene expresse over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den Gouverneur te waarschuwen. Onmiddelijk werd er ook een begin gemaakt, om het fort Nienw Amsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend, benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17

[p. 367]

Julij 1747, toegekend; hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche; allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man bezet(*).

Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan, om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te zijn(†).

Reeds den 9den Maart trokken de militairen uit het garnizoen te Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie sergeants, drie corporaals, drie tamboers en acht en dertig gemeenen (de kleermakers hieronder begrepen) over(§). Bij trommelslag werd bekend gemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden ƒ100. - handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen; Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins(**).

De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche en Saramacaansche boschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en veertig van hen werden op de redoute ge-

[p. 368]

plaatst(*). Texier hield zoo veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen, ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw nemen en de werklieden aansporen(§). Met vertrouwen schreef hij dan ook den 19den Maart in zijn dagboek: ‘Wij stellen ons (zoo veel het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden’(†).

Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon, den heer Smissaerd, waarin officieële mededeeling van het uitbreken des oorlogs werd gegeven.

Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar kon hij in ½ uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in ¾ uur naar Paramaribo komen(**); hij trachtte in alle takken van bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd inspectie op de schepen te nemen(§§). De ijver en zorg van Texier droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.

Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de ‘fatale tijding’, dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien Hollandsche schepen hadden buit gemaakt(††).

Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte, dat St. Eustatius door de Engelschen ver-

[p. 369]

overd was en, dat Curacao door hen werd bedreigd(*). Negentien Hollandsche matrozen, die uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd(§).

Een expresse uil de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan de Engelschen was overgegeven(†); eenige dagen later ontving men hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo(**).

In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te vormen(§§); een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden, die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden(††).

Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de Motkreek buit gemaakt(***); de communicatie en daardoor de toevoer van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een inval der vijanden

[p. 270]

verschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren, bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten, een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen(*).

In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanicakreek, digt bij Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd(§).

Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden, te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte, dat de mogelijke kans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien(†).

Na de overgave der naburige kolonien aan de Engelschen kwamen er gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen dienst bij den vijand wilden nemen. Som-

[p. 371]

migen ontvlugtten over land en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden den overlogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat zij ‘het getal eters’ te sterk vermeerderden en er nog steeds groote schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden provisioneel als soldaten geengageerd(*). Algemeen getuigden de uit Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot die kolonien gemakkelijk zou kuunen veroveren, doch over iets dergelijks behoefde men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging zorgen.(§)

De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen(†). In Julij was het werk, niette-

[p. 372]

genstaande de genoemde belemmeringen, zoo ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden(*).

In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis.(§) Texier hield er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o.a. de waag, die sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid.(†) Door een veertigtal negers deed hij ook zoo goed mogelijk de Societeits-kostgrond, Voorburg in order brengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war; er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een ‘miserablen toestand.’(**)

Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven.(§§) Nu bleek het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden, daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren.(††)

Ook andere artikelen werden schaarsch, o.a. het zoo onontbeerlijke zout. Texier had reeds vroeger voor de Societeit willen opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf bij verlof om 9 vaten zout te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden reeds ƒ75.(***)

Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam, genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De kwaliteit was vrij goed, doch de

[p. 373]

kosten liepen te hoog. De fabrikant, die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij werd gestaakt.(*)

Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici, die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement ƒ3000. - erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te handelen en op zijn tijd verhooging van rang.(§)

De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening, dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig, - doch droevig was het, dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging.(†)

De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had, indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele blanken zouden spoedig ‘ellendig gemassacreerd’ zijn geworden - maar

[p. 374]

bij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.

De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den 24sten December 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van Martinique, op den 25sten November St. Eustatius heroverd en aan de Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk, was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden, afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek van Rodneij nog niet betaald, doch later geincasseerd waren; de ingezetenen, die hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingen onmiddelijk restitutie, terwijl het overige voor de afwezige eigenaars bewaard bleef.(*) Ook Saba en Martin viel den Franschen in handen. Den 22sten Januarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede, dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen, omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan, om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz., enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary en Essequebo, niet noodig te

[p. 375]

hebben, doch wilde die van Berbice wel voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden, dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe, tot groote blijdschap van Texier.(*)

Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31sten Januarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren(§); doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6den Maart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven.(†)

[p. 376]

Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3den October 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt.(*) Den 28sten derzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30sten October arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere ‘zeer te pas komende goederen,’ dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd.(§)

De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede.(†) Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op de oorlogschepen was bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.

Den 3den April 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimen

[p. 377]

tijd, een Hollandsch schip ter anker voor Parrmaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geen depeches voor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en, hij gebrek aan geneesmiddeen ververschingen, de zieken van ‘miserie moeten vergaan.’(*) Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2den Mei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o.a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverse amunitie: o.a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o.a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie; gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W.I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende ƒ15 recognitie voor ieder slaaf.(§)

Eindelijk, den 10den Junij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque.(†)

[p. 378]

Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14den September 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken.(*)

Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W.I. zee met 9 linieschepen versterkt(§), zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.

Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger ‘exactelijk geobserveerd’ werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner bosch-

[p. 379]

negers, die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo ‘malcontent,’ dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon.(*) De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen)(§) was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline; er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer ‘arrogant;’ zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging.’(†) In overleg met de kapiteins der oorlogschepen werd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.

Den 26sten October 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door de oorlogschepen de Thetis en de Valk.(**) Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming der oorlogschepen beroofd zijn geweest, zoo niet 's lands oorlogschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4den October 1782 voor Paramaribo was gekomen.(§§) Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; bij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch over ceremoniëel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend ver-

[p. 380]

zoek van Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783.(*)

Van Raders verliet den 3den Maart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque:(§) doch de hulp der oorlogsvaartnigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandsch oorlogschip, (den 16den Februarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland.(†) Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21sten Augustus ontving Texier de officiele mededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs, der heer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon,(**) welke wapenstilstand weldra door vredes- preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd.(§§)

Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor de Societeit en voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg,

[p. 381]

was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst der Societeit en die der door HH. MM. gezonden oorlogschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.

Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche; vijanden ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.

Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten.(*) Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen; hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren.(§) Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, ‘om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren.’ De talrijkheid der tot de Christelijke relegie overgaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met de

[p. 382]

Raden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: ‘Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede.’(§)

Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, ‘de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar de Luthersche kerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren. Hij liet daarop den Lutherschen predikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag 's morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; 's middags in de Luthersche kerk, en 's avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:

In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, als recruten in Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zieh dan ook uitmuntend,

[p. 383]

waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot ‘encouragement’ eene gratificatie van ƒ400.(*)

 

Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heer raad Fiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor.(§)

De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.

De oprigting van het Collegium Medium, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6den December 1778 en den 18den Mei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijke discussien gevoerd; den 8sten Augustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21sten Februarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen en

[p. 384]

werd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld.(*)

Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor ‘alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie.’ Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren.(§)

De vele vermoeijenissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden(†); den 18den September 1783 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvan bij niet weder opstond; den 25sten September des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van 57 jaren, 1 maand en 7 dagen.

Voor zoo ver wij uit de officiele en andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels van het bet bewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.

Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen,

[p. 385]

die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch - als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd - drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.

Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.

Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims besfuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind(*).

Den volgenden dag, den 26sten September 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepven, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: ‘dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven.’

Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hof

[p. 386]

en den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins ‘ter consideratie der achting voor den overledene’ de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur(*).

De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid ‘te celebreren’ en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.

De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; ‘in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen,’ maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur.’

Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof - om het niet geheel ongestraft te laten - bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen(§).

Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken(†).

Mr. W.J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijne

[p. 387]

nieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.

Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefde om door onderling overleg met de ingezetenen gewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.

In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reisen verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij hun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen(*).

Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiele kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.

Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam;

[p. 388]

nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o.a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde:

In plaats van 1000 stuks obligatiën à ƒ250.- te verbranden, (waartoe men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen) ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes 6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën in te ruilen en eerst daarna te verbranden(*). Eenigzins gewijzigd is hieraan gevolg gegeven.

Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den 31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars 6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschie-

[p. 389]

ters slechts 4 procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering, zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.

Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en H.H.M. toegezonden(*).

In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens verwarring(§). Texier had wel getracht; zoo veel hem mogelijk was? ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens daarvan opgemaakte rekening bedroeg o.a. alleen: de huur voor slaven tot den arbeid aan 's lands werken voor de defensie der kolonie, de vergoeding der in 's lands dienst overledenen aan hunne meesters en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781-83 eene som van ƒ40,772.19(†).

Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijne

[p. 390]

poging, om de belangrijke vorderingen, die de societeit aan de koloniale kas had, te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.

Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg(*).

Den 21sten November 1783 echter bragt een Hollandsch fregat de officiële tijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen Staat en de Engelsche Kroon den 2den September 1783 te Parijs geteekend waren(§), en den 17 November 1784 ontving men de copie van het definitieve vredestractaat(†).

De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd, anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was, volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: ‘Zoo hebt gij blanken ook met ons gehandeld’(**); zoodat zij eenvoudig de wet der wedervergel-

[p. 391]

ding toepastten. Een gedeelte van het vrijcorps werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch ‘de vogels waren gevlogen.’ Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling van een emment hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig, doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.

In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden, in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije mulatten of negers te engageren tegen ƒ12.- maandelijksche soldij, het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien een handgeld zouden ontvangen(*). Ook namen eenige der Aucaansche negers dienst bij dit corps.

Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men hen goed verzorgde en billijke verzoeken

[p. 392]

toestond. Zoo werd ook van tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek meestal onder eenige restrictie toegestaan werd(*). Ook kochten zij soms bloedverwanten vrij(§) en sommigen verhieven zich tot den rang van welgezeten burgers.

De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door Nepveu opgerigt(†), voldeden minder goed en vond men hier dezelfde ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.

De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.

Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane; had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal en nabij hetzelve de zoogenaamde ‘huishondelijke woning’, die door Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd.(**).

Deze woning, ‘Gouverneurs lust’ geheeten, was met schoone tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen, bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden en had een aan-

[p. 393]

genaam voorkomen, dat echter getemperd werd indien men een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven, die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten, om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.

Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan gaven de directeuren het toch nog niet op.

In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder Matroos liet nieuwe proeven nemen en eenen ander werd in gereedheid gebragt, waarvan de onkosten ƒ1874.5 bedroegen(§); doch de nieuwe proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten, die naar Paramaribo terugkeerde.

Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder Matroos o.a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam 's avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke welvaart; men

[p. 394]

verdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs nog over. ‘Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,’ besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne toestemmen - maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden(*).

Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen, daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee muilezels en waarbij twee a drie slaven als voerlieden dienden, men meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur(§).

Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten omtrent verwikkelingen en mogelijke vredebreuk tusschen onzen staat en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid en maatregelen van voorzorg(†); maar milder begrippen omtrent den handel wonnen in Suriname veld, waarvan o.a. het volgende getuigt:

In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missive

[p. 395]

overgezonden van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1785, waarop door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd verzocht. Genoemde heer had aan de W.I. Societeit voorstellen tot een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie voor de planters en de Societeit zouden voortvloeijen, enz. Gouverneur en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven(*): de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.

Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive van HH. directeuren van den 17den December 1783, betreffende het permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van den 23sten April 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en gealtereerd worden(§). Gunstig werd hierover aan HH. directeuren geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel van de vele kwellendebanden te bevrijden, bleek uit verscheidene Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verbo-

[p. 396]

den goederen met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden: dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken, maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen hinderpalen in den weg te leggen(*).

Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling van het verzenden der brieven en depèches naar Berbice, Demerary en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig; soms werden brieven of depèches door de Indianen overgebragt; soms belasten zich de schippers, die van de eene naar de andere plaats voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald: dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen; behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit 's lands kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice naar Suriname ƒ30.- en voor de terugreis ƒ10. -(§).

Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen te leeren, tegen eene belooning van ƒ400.- 's jaars en voor ieder leerling daarenboven ½ riem papier, 1 ½ bottel inkt en 4 bos pennen(†).

De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat brengen en van een planken vloer voorzien(**). En niet slechts zorgde Beeldsnijder Matroos voor de

[p. 397]

intellectueële belangen der soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten(*). Wie echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde: hij was onbedreven in de ‘huishoudelijke zaken der natie’ en zijn spoedig aftreden ‘een geluk voor de natie’(§). Zij respecteerden en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden van Polieie moesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur(†). Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar zijnen wil leiden kon.

Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding dier benoeming was den 1sten December 1784 te Suriname aangekomen, en 21 dagen later, den 22sten December 1784, zeilde het Hollandsche fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer Wichers bevond, die den 24sten December het bestuur van Beeldsnijder Matroos overnam(**).

De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bij

[p. 398]

dergelijke gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de zaken had bestuurd(*).

De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend en daar hij in het moeijelijk ambt om: ‘het regt der hooge overheid alom waar te nemen’ zich veel achting had verworven, werd zijne terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal, over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den Surinaamschen dichter P.F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd, en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16den Maart 1785 aangeboden, wordt die komst genoemd: ‘een heilstraal die Suriname kwam beschijnen;’ de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.

Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke als religieuse toegeschreven.

Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ook

[p. 399]

zwakheden en gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.

Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen, waaruit wij kunnen putten, de acta's van het Conventus Deputatorum, werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd(*).

Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder eens eene klagt over de Hernhutters: ‘die menschen maatigen zich aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen; hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden.’ Aan HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken, opdat het Hof hiertegen waken kon(§).

Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden vindt men een berigt als wij lezen in de acta van het Conventas van 1788, ‘de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den Christe-

[p. 400]

lijken godsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst Messias’(*).

De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het kerkgebouw verviel en werd later gesloopt(§).

In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J.C. de Cros.

Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij 1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en Cottica sedert onvervuld bleef(†)).

Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek den 29sten Januarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1sten Februarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat: ‘hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest, dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept te worden’(**). Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig getuigenis: ‘Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een opregt Evangelie-dienaar

[p. 401]

konden worden toegelegd; zijn overlijden is een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn’(*).

Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen; terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in 1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde (Waalsche) gemeente geweest.

De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan en eene jaarlijksche subsidie van ƒ3000 verleend, die in 1789 tot ƒ5000 werd verhoogd(§).

Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden, vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het ophalen der gelden geschiedde met ‘verregaande negligentie’; het toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel verkwisting(†).

Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de notulen van het Hof vindt men o.a. in 1789 hernieuwde klagten dat de diaconiale kas ‘deerlijk in de war’ was(**).

 

De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.

[p. 402]

In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen eener jaarlijksche belasting van ƒ600, tot onderhoud van het hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741 begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz. 200). Sedert dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende; anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling, die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte te stichtten.

Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.

In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht, in Suriname en hield zijne intreerede den 28sten November 1784.

Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente, de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan, na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende vaartuigen werd beantwoord(*).

[p. 403]

De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster enz. moesten worden betaald en dat levens strekken moest voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van ƒ600.- aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land, groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt tot het aanleggen van eene koffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken; doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.

Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging daarvan, in 1758 eene som van ƒ8000.- op hypotheek te nemen bij den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter, en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van ƒ25,000.- en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer Broen competerende saldo was geklommen tot ƒ74,745.- Op verzoek van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage van 5/8 der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene waarde van ƒ149,900.- (de hypotheek bedroeg alzoo ƒ93,182.10).

Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J.G. Telbingen aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een voorschot van ƒ400.- te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie in kleine aandeelen van ƒ150.-, ƒ200.-, ƒ300.- en ƒ500.- à 4 prcoent

[p. 404]

's jaars daargesteld, waarin voor ƒ7000.- deelgenomen werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven voor de plantaadje(*).

Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.

Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André, schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den heer Broen, verliepen nog eenige jaren(†).

De drukkende belasting van 's jaarlijks ƒ600.- aan 's Rijks-Hospitaal uit te keeren was in 1768 voor eene som van ƒ8000.- afgekocht. Men was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den oud-ouderling J.G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op den dag der plaatsing werd ƒ700.- voor het onderhoud er van gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken; gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch gingen de finantiën achteruit.

[p. 405]

De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.

Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen (twee kerkmeesters o.a. lieten bij hun overlijden een duchtig deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten, wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen droevigen staat mede.

Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785, tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.

Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande, ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en daarop werd dit verzoek gewezen van de hand(*).

Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen; daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving bij HH.

[p. 406]

Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788 alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:

1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een voorgenomen adres aan HH. Directeuren der Societeit om ondersteuning;

2o. Eene driemaandelijksche toelage van ƒ1500.-, bij wijze van leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.

Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den 11den Augustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede, na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit van den 21sten derzelfde maand, gewezen van de hand.

Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de in- en opgezetenen gedaan(*).

 

De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den Gouverneur met het

[p. 407]

verzoek, om een door hen aangewezen stuk grond aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een ander geschikte grond geschonken en - men verwachtte veel goeds van de vestiging der Morarische broeders(*).

Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen opmerken(§).

 

De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.

Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der kolonie Suriname(†) gewend. Dezen zouden dit rekwest naar Suriname, om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen Het Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive, daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt: ‘In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan, echter onder de volgende restrictiën:

1o.dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn mag dan te Paramaribo;
[p. 408]
2o.hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een gewoon burgerhuis;
3o.slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de kolonie kunnen worden weggezonden;
4o.omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;
5o.hunne armen niet komen ten laste van den staat;
6o.geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;
7o.zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen, hunne kerk gesloten worde;
8o.zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland, omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.

Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten(*).

Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren; want toen dezen later het 6de artikel, waarbij verboden werd, dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden Gouverneur en Raden: ‘dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald, om-

[p. 409]

trent oft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis, die een zoodanige, veelligt uyt overtuiging zoude willen aanneemen.’

Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef en niet zou worden uitgebreid(*); gelijk dan ook dienovereenkomstig is geschied.

In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.

Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd, onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën, die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.

De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt(§).

Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed den 10den November 1787(†); doch reeds in het begin van 1788 kwam de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.

[p. 410]

Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering, zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 5 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg dragen(*).

 

Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden(§), zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen op kerkelijk gebied.

Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door H.H.M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren der societeit in 1754 bekrachigd(†). De behoefte naar veranderingen deed zich thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop sterk aan.

De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8sten Maart 1785, waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie werd besproken, besloot men deze over te laten ‘aan de zorgen en het bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover naar zijne wijsheid oordeelen mogt(**).’ Wichers ontving alzoo ‘de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen als hij tot reforme en redres onder de Portugeesche

[p. 411]

Joodsche natie, zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth' Usantiën, costumen als finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden’(§).

Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten dienste stond, achtte hij het noodig, ‘alvoorens eenige pogingen van reforme of redres te beramen,’ het getal der Regenten te vergrooten en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald, in hun ambt te doen continueren, ‘om daardoor met gestadigheid, zorg en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld plan van reforme uit te werken.’ Zeven Regenten werden toen voor drie en een half jaar aangesteld en onder dezen D.I.C. Nassy. Deze nieuwe Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den Gouverneur opgedragen, ‘de gemoederen der leden in het bijzonder voor te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en vervolgens goedgekeurd te worden.’ Dit geschiedde in gepaste orde en met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren zond, om door hen en H.H.M. te worden geapprobeerd(†).

Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd (zie bladz. 72) en den 12den October 1785 werd het eeuwfeest dier stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die de natie

[p. 412]

daaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd, als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van 1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken, vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken, enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte) het feest besloot(*).

Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz. 313, 14, 15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden, die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon; doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren deelgenooten van de kleine danspartijën en andere vreugdebedrijven door de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid, die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er werd gemaakt; dit alles te zamen maakte de Savane voor den tijd van vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder doodsch en treurig(§).

[p. 413]

Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden, bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën, die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten; grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.; en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen, welke goede opbrengsten gaven.

Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de behoeftigen.

De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in het geheel geen bedelaars onder hen op 's Heeren straten aantrof(*).

Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden, als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven; de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten, grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed(§).

[p. 414]

Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee plannen tot het houden van loterijën gevormd; eene van ƒ50,000.- en eene van ƒ30,000.-. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden, dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan, - ‘doch geene meer, voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben, als dit in Europa het geval was’(*). (Zonderlinge redenering.)

Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.

‘Misschien,’ redeneeren die schrijvers, ‘is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij 't best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele.’

Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat bij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; ‘zij zaten,’ voegde hij er bij, ‘aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid.’

Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een jood

[p. 415]

van groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, o