terug  begin  verder
[p. 705]

Vijfde tijdvak.
Derde hoofdstuk.
Van de optrede van R.F. Baron van Raders als Gouverneur van Suriname (1845) tot het tegenwoordig bestuur van R.F. van Lansberge 1861.

De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9den October 1845 te Suriname aan.

De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men vol-

[p. 706]

deed hieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten(*).

Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door 's Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.

Den 13den October 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over(†).

Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.

De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10den Mei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9den Junij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.

De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren te

[p. 707]

blijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.

In den morgen van den 21sten Junij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan(*).

Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.

Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.

Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10

[p. 708]

personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.

De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.

Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.

Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!

De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de Plantaadje Mijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15den October 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.

Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele ver-

[p. 709]

blijven, waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.

Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.

Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder ƒ700.- dus te zamen ƒ35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch - veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.

Van Raders die reeds op Curacao met ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.

Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.

Van Raders heeft o.a. getracht, om door het aankweeken

[p. 710]

van Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie ‘Eenige woorden ter aanprijzing van den Maïsbouw in de kolonie Suriname); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginse len rustten.

In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd(*).

Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.

Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.

Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en - zoo sprak men - met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.

In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord(†). Kleine stukken land

[p. 711]

rondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd(*); dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.

Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij latere kolonisatien, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.

Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.

Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en - om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen - leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: ‘Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?’ Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.

Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijn

[p. 712]

tuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.

Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd - en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.

In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:

‘Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname's burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.

In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de pleglige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op het

[p. 713]

veld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.

Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.

Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.

De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk.’

De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.

‘Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten.’

Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:

‘Leve de Baron van Raders!’ welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.

De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.

De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. 's Middags hadden volksvermaken plaats; 's avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.’

[p. 714]

Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.

De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welks boord ongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.

Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks ƒ80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister van Kolonien mede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van ƒ20,000. De Minister echter keurde het plan af en 25 December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.

Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde ƒ5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen ƒ7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburige kolonien Cayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften en officiele rapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen, - doch de Minister van Kolonien bleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort. De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.

Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som van

[p. 715]

ƒ31,800. - was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts ƒ19,100) en door het buitengewoon droog saisoen,(*) waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos(†).

Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen(§).

Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.

De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.

De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, die

[p. 716]

aldaar, op last van den Minister van Kolonien, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.

Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen(*).

De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch 's lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3 ⅓ okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren(†). De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders stelde

[p. 717]

grooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van ‘de voornaamste teekenen der slavernij;’ en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.

Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken; - ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden(*).

Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.

In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:

1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen: - beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.

2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.

[p. 718]

3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.

4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.

5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.

6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen. - De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nog niets gedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers ‘wijze en menschkundige bedoelingen;’ men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie - en toen bleef alles bij het oude.

Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelsche kolonien en Suriname. ‘De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië’, zoo schreef hij o.a. ‘is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijk-

[p. 719]

heid en kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden in West-Indie en Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden.’

Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, ‘handhaving der plantaadje policie’ te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken: hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.

Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.

Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H.G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H.T.W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voor

[p. 720]

Pfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als ‘een niet genoeg overdachten stap.’

Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken(*).

Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. ‘Al wat openbaar maakt is licht.’

Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan ƒ12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend,

[p. 721]

tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt(*). Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden(†).

Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan - en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784, - was toch ook dat van 1851: 1o te streng voor den slaaf; 2o. te toegevend voor mishandelingen; en 3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.

De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.

Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandsche muntspecien(§).

Vijftien duizend schatkistbilletten elk van ƒ100.- werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot(**). In September

[p. 722]

1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850(*). Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.

Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thaus opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.

Den 22sten Maart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft(†). Den 20sten April werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche(§). Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd(**) Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld(††).

Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eeniger-

[p. 723]

mate verlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voor plantaadje gebruik van daar verzonden.

 

Den 11den Mei 1849 werd het overlijden van Z.M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16den Maart, in het 57ste jaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z.K.H. den Prins vau Oranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt(*).

In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen(†). Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.

Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.

In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.

Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig een

[p. 724]

stad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.

Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p.m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.

De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.

Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.

[p. 725]

Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met de administrative bureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.

Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.

De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt, - die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was - voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.

Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.

Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de onderneming

[p. 726]

was aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6 ½ tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens 1/6 hebben genoten.

En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen(*).

In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o.a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o.a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip de Venezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.

Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P.R. Planteau beproefde om de

[p. 727]

overgebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.

Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen en inventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnen vier weken, bedoeld schip worden verkocht.

Vóór dit collegie hiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval - met afwijking van het bestaande reglement, - maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.

Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, die met het welzijn of het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: ‘vermits’ zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworene

[p. 728]

verpligting om den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eene ongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van ‘wege den Koning gegeven algemeene of bijzondere instructien of bevelen.’

Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen, om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, ‘dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten.’

Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, die met het welzijn der kolonie in geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q.q. voor Hart Lyon voor de som van ƒ5100.

Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister van Kolonien Pahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z.M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R.F. Baron van Raders eervol ontslagen werd(*)

[p. 729]

Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of - beter gezegd - aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.

Den 1sten Maart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a.i. aanvaardde.(*)

In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas ƒ190,000.- aan de reserve kas verschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen ƒ80,000.- ter beschikking; 's Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandsche muntspecien vervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemde natien opengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.

Van Raders vertoefde nog tot den 8sten April in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantal

[p. 730]

der vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z.M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal van Kwatta dankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.

Van Raders verliet den 8sten April Suriname, en keerde naar Nederland terug.

Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z.M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijke commissien, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.

De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14den Junij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam(*).

Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22sten Junij 1852 het bewind aanvaardde(†).

Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen, omtren handel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz. 722) met eenige, thans met vele bevriende natien tractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigjd werden;(§) de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering van baak, -

[p. 731]

los- en steigergeld(*); de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten(†); de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd(§).

De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voor West-Indie verbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de gelacirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in 's lands kassen konden worden gebezigd(**).

 

In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.

De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell ‘slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.’ In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reac-

[p. 732]

tionaire partij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.

Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oud regimie behoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld(*).

De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd(†); de premien vroeger gesteld(§) op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast(**) en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren van enkelde slaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven(††).

Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.

[p. 733]

De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet - zoo als Elias gewenscht had, - aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.

Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen het drie dubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.

 

Den 28sten November 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar 25 jarig bestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.

In eene sierlijke rede werd door den heer J.C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechts

[p. 734]

bij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van een weduwen en weezen fonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.

De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van ƒ100.- uit naam van Koningin Victoria uit Groot Brittanje toegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.

Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4den Julij 1854 haar 25jarig bestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van ƒ101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom ƒ80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uit intressen en vooral ook door subsidien van het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechls 62.

[p. 735]

De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd(*). Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.

De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt auf Alterstadt koeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot een gezamelijk bedrag van p.m. ƒ4000, dus p.m. ƒ800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging, 18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten(†).

Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts ver-

[p. 736]

keerd genomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.

In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.

Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeer interresante gebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje(*) heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.

Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij ƒ700.- ontving, had in die streek 10 akkers land, geheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.

Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.

De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, en

[p. 737]

ten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini, Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had,(*) en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het grootopperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.

Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als ‘Coprali’ (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een ‘Potti-bakkera’ (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.

Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer - echter toch meer - bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.

Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.

Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ont-

[p. 738]

stond om Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.

Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger eu Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.

In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.

De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.

Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun ƒ1.- per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.

Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemming

[p. 739]

tusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.

Den 23sten April 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.

Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.

De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven ƒ30,000; Kappler had ƒ7000 bijgedragen en in April 1855 was voor ƒ21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was; - slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid. - Op Montecattini's oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.

Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duter-

[p. 740]

hofen, J. Schunk, C.F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.

Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.

Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in het tijdschrijft van genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend(*).

 

Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en me lancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23sten Augustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z.M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde(†).

Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriende natien in Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoe

[p. 741]

het eerst eene overeenkomst aangegaan(*); Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met andere natien gesloten(†).

Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen(§). Waren - zoo als wij op bladz. 723 aanmerkten - in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot. - Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren. - Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cucao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaars

[p. 742]

traden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven, - en waarvan de administrateurs 10 procent genoten - daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden - in compagnie met de administrateuren, - daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunne slavenprovisien goedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al de in Suriname gevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht. - Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.

Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.

In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd(*); verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele en

[p. 743]

strafzaken bij het regtswezen gemaakt(*); de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen(†); terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden(§). Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd(**); de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld(††) en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.

 

De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname's uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.

In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwel

[p. 744]

was het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.

Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om doorhare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen(*).

 

In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en - bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot af-

[p. 745]

schaffing der slavernij in Suriname, dat - vrij algemeen afgekeurd - als zeer onpractisch werd beschouwd.

De toenmalige Minister van Kolonien, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.

Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld(*).

Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en - alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.

Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J.W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Pròcureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.

Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte sla-

[p. 746]

ven ter harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch - die hoop werd verijdeld.

In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven - en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijl officiële verslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.

Zoo sluimerde men eenigen tijd voort; - daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en - vergenoegden zich met de gedachte eenmaal toch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien - zoo redeneerden sommigen - men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z.M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen? - daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.

Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echter

[p. 747]

nog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.

 

Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.

Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, ƒ10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden(†).

Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eene

[p. 748]

behoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname's bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en - het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.

Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden; - had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten, - spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.

Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en - van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en - nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen, - nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen - en door hem te heerschen.

Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd; - men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveel

[p. 749]

mogelijk met de partij te identifieren en in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en - prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde; - zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.

Vooral verkreeg een gewezen Israeliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.

[p. 750]

Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.

Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o.a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.

Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan de Commenijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: ‘zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, het kostte wat het wil.’

Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o.a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.

Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt;

[p. 751]

doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.

Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.

De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen(*), met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.

De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening(†) opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch - gelijk meermalen - heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigranten

[p. 752]

zelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan(*).

Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.

In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.

Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o.a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat se-

[p. 753]

dert eenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van ligchamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan 's landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.

Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.

De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: ‘de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.’ In krijtende tegenspraak met dergelijke officiele berigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte in

[p. 754]

Suriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29sten December 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en - de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren, dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond(*). Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en - ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.

Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ook malversatien in publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.

Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene 's Lands-

[p. 755]

werken hadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder ann de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.

Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister van kolonien (Rochussen) niet kon vereenigen.

Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken. De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z.M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.

Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde(*), werden deze adressen door

[p. 756]

verscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.

Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11den dier maand het bestuur van Schimpf overnam(*).

Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.

Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en - ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.

Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.

 

Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.

[p. 757]

In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig 's volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.

Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30sten September 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indische kolonien, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang der kolonien, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman. Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indische kolonien, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H.M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van 's Konings nadere goedkeuring(*).

Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26sten April 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5den October 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten.

[p. 758]

Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z.M. ter bekrachtiging worden gezonden.

In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.

Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, door relatien met zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven(*). Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder het Caraibisch opperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.

Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over de

[p. 759]

Bonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.

Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.

In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen de provisionele Inspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: ‘dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die - èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners - vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernement slaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijne eigene slaven een begin moest maken.’ - Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: ‘dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;’ tevens de betuiging doende: ‘dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten om de blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegeven

[p. 760]

en hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen(*).’

Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.

Te negen ure des voormiddags van den 18den November (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.

De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E.J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.

Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het G