Wel de groot! brengt gij mij niet in gevaar om trotsch te worden? welk een prachtige oudheidkundige naam hebt gij mij daar gegeven! en waaraan ben ik dien verschuldigd? waar vindt gij die naauwe overeenkomst tusschen ons? wij verschillen immers in alles wat buiten pligt en deugd omgaat? en ook in deezen wijken wij, in de bespiegeling, geweldig van elkander! welk een onafmeetbaare afstand is er niet tusschen uwe talenten en oogmerken, en de mijnen! uw vlugt is zo hoog, dat ik met mijn dagelijks verstand u geduurig uit het oog verlies! geloof mij, ik heb zulk een bekrompen geest, dat ik veelal niet in staat ben zo maar tamelijk te gissen, wat gij mij toch wildet voorstellen: evenwel, ik ben uw oprechte vriend, dit is zeker, en ik neem derhalven een waar belang in alles wat uw duurzaam geluk betreft; maar ik ben met mijn eenvoudigen burgernaam zo wèl te vreden, dat ik die liefst zoude behouden, ook als gij mij schrijft.
Ik zal u met mijne gewoone oprechtheid antwoorden, schoon gij in de gedachte zult versterkt worden, dat ik zo veel van u in begrippen verschil als tusschen twee waare vrienden mogelijk zijn kan:
‘Dat het leezen de waare bezigheid der menschen is,’ is niets minder bij mij dan eene onbetwistbaare waarheid: de waare bezigheid der menschen moet bestaan in zig door een nuttig, werkzaam leven, gelukkig, en der maatschappije voordeelig te worden: het leezen is ook maar voor het zeer kleinste gedeelte eene uitspanning; en dit is goed, ja noodzaakelijk: hoe weinige menschen zijn in de omstandigheid om hunne uitspanning daarvan te kunnen maaken, om dat zij te bekrompen zijn opgevoed, en de weinige uuren die hen mogten overschieten van zwaaren of eenzelvigen arbeid, behoorden te besteden aan ligchaams oefeningen, die de gezondheid bevorderen en de krachten herstellen.
De Hemel plaatste mij, wel is waar, niet in die nuttige classe; doch ik heb echter zo weinig tijd voor mij zelven, dat, indien ik niet naarstig en geregeld leefde, ik weinig meer tijds zoude overhouden dan de daglooner: ik heb niet veel, maar ik heb met orde geleezen, en ik heb mij altoos toegelegd, om te denken bij het geen ik las: ik zoek altoos het bijzijn van lieden, wier gesprekken, leerzaam zijnde, allernuttigst zijn voor jongelingen, die smaak hebben in aangenaame kundigheden: gij leest naauwlijks eenige bladzijden, of gij kent het geheele boek; en ik ben zo dof, dat ik doorgaands het boek meer dan ééns geheel moet doorleezen, aleer ik er al het nut van trek, dat er in gelegen is: niettegenstaande ik vijf jaaren ouder ben dan gij, is er voor mij nog een onoverzienbaaren berg van kundigheden, en zo veel
nieuws, dat alles mijn aandacht prikkelt; maar voor u, voor u zegt gij is alles oud, alles is u bekend; niets voldoet u: bij voorbeeld, gij geeuwt bij nieuwmeijer; ik lees hem met genoegen! het is voor mij de historie der menschheid; daar zie ik de langzaame doch echter merkbaare vorderingen der reden; en voor mij is dit des een zeer leezenswaardig boek; al geloof ik voor mij, dat veele dingen gewaagd, en niets minder dan wèl bewezen zijn.
Uw sijstema van invallen is zo pik donker voor mij, dat ik mij daar niet over kan inlaaten: maar, gij Wijsgeeren, zijt een zeldzaam slag van wezens! tegenstrijdigheden bewijzen niets tegen de waarheid; onmagt en vrijheid, noodlot en hoogste regeering, hier stoort gij u niet aan, ja beweert, als uw voorganger, voltaire, het voor en tegen meermaals op eene en dezelfde bladzijde: gij erkent niet met mij en soortgelijke eenvoudige lieden, dat de grenspaal van het menschlijk verstand dáár staat, alwaar het geen voor ons tegenstrijdig schijnt niet kan opgelost worden; en dat tweemaal drie zo wel twintig als zes of vier zijn kan: ik beken dat indien men zig niet kreunt aan zulke kleinigheden, men met reuzenschreden in het rijk der verbeelding kan voordstappen.
Het is voor 't overige de waare kennis die ik heb aan mijne geringe begaafdheden, welken mij houdt daar ik mij bevind; maar ik ben wèl verzekerd dat ik die voor mij nuttig kan aanleggen, ook door te blijven in dat werk dat er voor mij te doen is: hier
zal ik even veilig zijn voor een zotten hoogmoed als voor eene grievende vernedering.
Uwe bekentenis dat gij verliefd zijt is meer onverwacht dan onnatuurlijk: ik dacht evenwel dat uwe weinige verkeering met de meisjens, en uwe diepe studiën, uw hart beter voor Cupido zouden beveiligd hebben: wie u aan haare zegekoets klonk, (om in uw' stijl te spreeken,) kan ik zelf niet gissen; besef alleenlijk dat gij nog wat jong zijt om aan trouwen te denken, en dat eene Amsteldamsche Sijlvia nog iets meer begeert dan een rijken voorraad van sijstemata van invallen, ja dat zelfs een handvol vliegen een schraal huwelijksgoed uitmaakt: over alles nader; doch niets meer over het inliggend geschrift, zo gij mij bemint.
Uw vaders ongenoegen is maar al te gegrond; de braave man heeft reden om geheel iet anders van zijn' zoon te verwachten, dan verzen en leerstelzels van invallen - vertrouw voor 't overige op uw' vriend
r. walter.