terug  begin  verder

Vijftiende brief.
Antwoord op den voorgaanden.

 
In de bladen van een roosjen,
 
Vindt gij, o mijn zoetste troosjen,
 
Kleine gift; waar' zij zo groot
 
Als de gunst, al te eng een doosjen
 
Waar' de gantsche wereldkloot.

Lees in de brieven van den beroemden hooft, de gelegenheid, Mijnheer, waarbij dit versjen gemaakt werd, en gun mij, dat ik, na ik uwe dissertatie geleezen heb, het dus navolg:

 
In dit kleine pilledoosjen,
 
Vindt gij aller meisjens troosjen,
[p. 105]origineel
 
Kleine gift, maar ruim zo groot
 
Als de gunst, want in dit doosjen
 
Is beslooten, meisjens troosjen,
 
Een gansch nieuwe wereldkloot.

Zie daar mijn antwoord op uw' brief: ik heb zo veel tijds besteed aan het opvangen deezer vliegen, dat mij geen oogenblik meer overschiet dan om u te wenschen, dat gij uw bestendig geluk lange in niets ergers moogt zoeken dan in uwe vliegenwereld: de Heer walter zal u deezen ter hand stellen, als komende van zijne vriendin

 

a. hofman.

terug  begin  verder