terug  begin  verder
[p. 199]origineel

Vijf- en- twintigste brief.
De Heer cornelis de groot, aan Juffrouw cornelia wildschut.

Beheerscheressche mijner ziel! koningin van mijnen wil! brandpunt mijner liefde! reflectiespiegel der schoonheid! beminnelijke sylvia! dus noem ik u, o naamgenoote van de moeder der Grachen, de edele cornelia, maar als ik aan u mijn verliefd hart in al zijnen gloed vertoon, moet ik een zachter naam aan u geeven en u aan mij voorstellen als eene Veldnimfe: is het vermetel dat ik mijne oogen tot u opheffe? de maatschappij twijfelt, het vooroordeel zegt ja: maar, maar mijne boezemvriendin! de reden in geener maniere.

Wat, mijne schoone! is er meer voor u te genieten in het oord des overvloeds? gij hebt u uit alle deszelfs stroomen verzadigd; er is des bij den rijkdom niets nieuws meer onder de zonne om u aantebieden: maar de liefde van een' man als ik ben zal u een genoegen verschaffen dat gij niet kent - ook niet bij naame; met en door mij zult gij in eene voor u nieuwe wereld overgebragt worden; ook tot uw' naam toe zal ik veranderen: en daar het gewest des vernufts veel onbegrensder is dan dat des rijkdoms, zult gij daar

[p. 200]origineel

in bewaard blijven voor die naare zelfverveeling die als een slang u den boezem doorknaagt.

Gij zult altoos meesteresse van uw lot blijven; ik zal mij nooit tot uwen tiran opheffen: op uw wenk vlieg ik overal op de vleugelen der huwelijksliefde; nu met u naar de comedie, dan naar mijn studeerkamer: gij zult mijne doris van den grooten haller, ja gij zult mijne sylvia, en ik uw getrouwe celadon zijn.

Ik zal lagchen als gij het wilt, en treurig zien zo dra gij het begeert, door die fijne overeenstemming der zielen die door de logge dwaasheid bespot maar door de ondervindelijke liefde geloofd wordt: dit is het niet al! bij het waggelend wiegjen zullen de negen Zanggodinnen u verpoozen, engelen zingen, en Apollo de maat slaan: onze zoonen zullen geheel onder mijne bestuuring, onze dochters onder uwe bescherming opwassen.

Denk niet, o sylvia! dat ik uwen rijkdom begeer! een waar Wijsgeer heeft weinige behoeften! maar dewijl ik mij aan het menschdom toewijde, is het billijk dat ik wèl gevoed, gehuisd, gekleed en boven alle aardsche beslommering ben.

 
De dichtkunst eischt een' geest van zorg en kommer vrij.

Een Wijsgeer achter een toonbank! een Dichter op de beurs! - welk eene ijsselijke verplaatzing! welk eene verwarring!

Mijne ouders heb ik over ons huwelijk niets ge-

[p. 201]origineel

zegd, wij verschillen altoos zo veel in gedachten, dat ik dit vooreerst uitstel, en ook ik heb mijn hoofd zo vol, dat ik er den tijd niet toe heb.... mijn dichtluim overvalt mij daar zo geweldig, dat ik u moet verlaaten en een heldendicht ga beginnen, waarvan gij de Mecena zijn zult - vale, vale!

 

cornelis de groot.

terug  begin  verder