terug  begin  verder

Agt- en- zeventigste brief.
De Heer reinier walter, aan Juffrouw anna hofman.

De eerste brief die ik schrijf is aan u, mijn vriendin! alles ontbreekt mij wat daartoe nodig is: ik heb eindelijk in het gehucht alwaar onze paarden rusten, en wij een soberen maaltijd zullen doen, een stuk papier, een oude pen en wat bleeke inkt opgeloopen; maar het geraas is zo groot, en het vertrek zo vol menschen, dat ik naauwlijks een plaatsjen kan vinden om deezen in een' hoek van het venster te schrijven: de regen belet mij in het veld te gaan, en kees doet niets

[p. 350]origineel

dan mij aan 't oor reutelen met zijne observatiën.

Wat zal ik dan kunnen schrijven uwer aandacht waardig? en evenwel ik moet mij dit genoegen geeven: vóór ik vertrok, heb ik met uwe goedkeuring mij aan uwe waarde ouders verklaard; dit scheen hen niet onaangenaam: hoe gelukkig zoude ik zijn, indien gij uwe gedachten liet gaan over mijne voorstelling! had ik maar de minste verzekering dat gij in mijn afwezen mij niet zult vergeeten, noch het oor leenen aan anderen die met mij dezelfde gevoelens omtrent u koesteren! mij dunkt dat ik veel geruster ware, toen ik u dagelijks konde zien; waarom heb ik zo lang gedraald met mij aan u als uwen minnaar te doen kennen? ‘Om dat mijne omstandigheden te onzeker waren, en ik vooreerst nog niet in de gelegenheid dacht te komen, waarin ik mijne eigene zaaken zoude kunnen beginnen:’ zie hier mijn antwoord.

Het laatste gesprek met u gehouden heeft mij meer dan ooit overtuigd, dat gij de vrouw zijt met wie ik, uit alle mijne bekenden, gelukkigst leven zal: o hoe véél wint gij door nader gekend te zijn! ik zie wel, en ik zie het met dankbaarheid dat gij mij voor uwen vriend erkent, het vertrouwen waarmede gij mij vereert, stelt dit buiten twijfel; maar de gevoelens die ik voor u heb, kunnen door vriendschap alleen niet beantwoord worden: de vrolijke luchtigheid van uwen aart vindt weinig smaak in klaagtoonen; ik weet het; doch

[p. 351]origineel

die zullen in zegen veranderen, zodra ik, hoe schemering ook, mij maar durf vleien dat gij mij nog een weinig anders gedenkt als aan een' vriend: gij zult immers niet weigren mij eenige letters te... laaten ter hand komen?

Mijn reisgenoot bevind zig reeds zo veel beter dat hij voor mij een aangenaam medgezel is: er komen van tijd tot tijd wel nevelen die zijn verstand doen dwaalen, en zijn geest geheel in de war brengen; doch afleiding en lichaamsbewegingen, zullen wonderen doen: zeg aan zijne braave ouders, dat wij beiden wèl zijn, en binnen weinige daagen schrijven zullen.

Omhels Juffrouw sadelaar voor mij, en zo er iet van belang in de famille van den Heere wildschut mogt voorvallen, meld het mij: gij weet hoe veel deel ik neem in het lot uwer vrienden: de post vertrekt, ik moet schielijk eindigen: ik heb naauwlijks tijd mij te noemen

 

Geheel de uwe.

 

walter.

terug  begin  verder