terug  begin  verder

Twee- en- twintigste brief.
Mevrouw christina lenting, aan den Heere hendrik van arkel.

Ons oogmerk is bereikt; het mooi mallootjen is geknipt; de onbedachte moeder aan onze zijde; het krakeel blijft geopend; van veen afgezet; allen goeden raad vruchtloos; ik kan des vertrekken, zo dra ik wil, en dit, heintjen, zal wel dra gebeuren - ik kan onmogelijk langer, u ten gevalle, mij zo laaten behandelen; maar ik moest eerst wel zeker zijn, dat ik niet te vergeefsch hier gekomen

[p. 243]origineel

was: nu is het voords uwe zaak: gij ziet zelf wel, dat zij u bemint, immers ter goeder trouw zulks gelooft? en dit komt waarlijk op hetzelfde uit: gij, hiervan houde ik mij verzekerd, bemint haar zo weinig, dat indien gij nu nog eene rijker partij doen kondet, gij al mijne wraak zoudt verijdelen, door den Heer wildschut zijne dochter overtelaaten; doch denk daar niet aan! nooit kan, in eene andere famille, alles zo ten uwen voordeele zamenloopen: wijs mij een vader die de harssens zo verkeerd liggen; toon mij eene moeder die liever verkiest haare eenige dochter uittetrouwen, aan een' man zonder fortuin, en zonder beroep, die zij zo weinig kent, eenig, immers voornaamlijk, om haaren man zijn gezach te betwisten: een meisjen zo beuzelachtig, stijfzinnig, dat zij daarom eenen man verkiest, dien zij gelooft te beminnen, maar voor wien zij onverschillig zijn zoude indien dit domme paar volks niet voor u arbeidde.

Hoe zoude ik, kende ik deeze slechthoofden niet, gebeefd hebben, toen uw partij u, vrij hoorbaar, in den jongen Graaf van Holland bescheidde! maar nu had dit weinig te beduiden: evenwel, gij zult haast moeten maaken; men weet niet welke ontdekkingen men zoude kunnen doen; en Mama mogt als dan omslaan,

Het was hoog noodig, dat ik keetje in eene briefwisseling met u liet, vóór ik vertrok: zie hier dan een' brief voor u; ik zag met vermaak, dat zij mij dien gezegeld overgaf; er stond wel niets in, zo

[p. 244]origineel

gij wilt, of ik mogt het leezen, maar... maar ik had zelve gezegd dat dit niet wel voegde - zij zal mij ook melden wat er gebeurt, als ik weg ben, ik hoop dat gij het onnoodig zult maaken, veel daarover te schrijven.

Ten vervolge.

Ik heb daar mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald was, bekend gemaakt - moeder en dochter beiden zijn ontroostbaar; doch ik ga; maar gaf van ter zijde te kennen, dat, nu ik mij beter bevond, dan voor eenige weeken, ik den Heer wildschut niet langer lastig zijn wilde, en ik hoopte dat Mevrouw mij de onaangenaamheden die zij daar over gehad had, zoude gelieven te vergeeven; zij antwoordde mij: ‘Dat zij het haaren man nooit zou vergeeven, eene zo braave beminnelijke vrouw dus behandeld te hebben; maar,’ voegde zij er bij, ‘het is zijn zusters schuld; mijne lieve Mevrouw! hij is niet wijzer; keetje weet dit ook wel’ - keetje beantwoordde het ten vollen: ik verzocht beiden mij te komen zien, en verzekerde haar, dat de Heer lenting door geene zuster geregeerd wierd: ik zeide ook, dat gij mij brengen zoudt; kort gezegd, ik sprak zo als ik dacht te moeten spreeken, tegen twee zulke wezens - nogmaals heintje, nu is het uwe zaak - maar misschien zijt gij zo benieuwd, om een' brief van dit meisjen te leezen, dat het mij grootlijks ver-

[p. 245]origineel

pligt met deezen te sluiten - ik doe het ook, en ben als vooren,

 

T.T.

 

c. lenting.

terug  begin  verder