Zeg eens, lelijke jonge! lacht gij evenwel niet in uw schelmsche hart? gevoelt gij niet iet van dat vermaak, 't welk geestkundige babbelaars ons verzekeren, dat het lot der verdoemden eenige verligting toebrengt, als gij uw aandacht vest op de verlegenheid en de moeite waarin ik door u gebragt ben, om u, ondankbaar schepzel! te verpligten? ja gij moest dit kwaadaartig vermaak gevoelen!
Ik heb kennis gemaakt, ik heb een vriendschapsverbond opgericht met de twee zotste beuzelaarsters, waarmede onze sexe ooit beladen was, en dat eenig en alleen om u te vergenoegen: ik heb mij getroost daar te logeeren, en dat zonder uitzicht om deel te kunnen neemen in de vermaaken der stad; (want ik was ziek, dat weet gij:) zij hebben
mij verstikt door gunsten, en dol gemaakt door hunne laffe liefkoozingen; maar, en dit hoont mijne eigenliefde gevoelig, deeze twee mallooten hebben hulde gedaan aan mijne meerderheid, waarvan zij het tienduizendste gedeelte niet kunnen gissen; en zij hebben uitgeroepen: ‘Dat haare achting voor mij rustte op die meerderheid die zij in mij erkenden!’ dit is waarlijk ondraagelijk voor een zo trotsch gemoed als het mijne: dit is even als of een schilder van uithangborden, een raphael durfde prijzen, over zijn School van Athenen; of dat een ellendig rijmelaar, een zot vers maakte, waarin hij Mevrouw van winter, eene uitmuntende Dichteres noemde! was het phocion niet, die, als het volk hem toejuichte, wanneer hij in 't openbaar sprak, zig tot éénen zijner vrienden wendde, en vroeg: ‘Heb ik ook eene zotternij gezegd, om dat het Atheensche volk mij zo toejuicht?’
Leeve des de Nabal van dit huis! hij ten minsten gevoelde zijne geringheid te wèl om mij blijken zijner goedkeuring te durven geeven; hij vereerde mij integendeel met zijnen haat: hij heeft mij bekwaam gekeurd, om, in weêrwil der gastvrijheid, zijne dochter te misleiden, en dus een huislijk schelmstukjen te onderneemen.
Hoe! zoude ik, een keetje wildschut, geheel bedorven door de dwaasste opvoeding, geheel zamengesteld uit zotternijen en grilligheden, tot mijne vriendin maaken? (voor mijne kamenier konde ik
haar niet gebruiken:) daar zoudt gij mij ook nooit toe bewogen hebben; een zottin tot schoonzuster te hebben, mits zij zo veele schatten bezit, dat gaat aan, ja kan prettig weezen: het is 't noodlot dat haar in ons geslacht inlijft, maar eene vriendin, die is het werk onzer handen: haar eer is onze roem, haar geluk onze gelukzaligheid, zeggen de Dweepers in de vriendschap, maar ik zou immers met zo een vriendin nooit buiten mijn huis durven komen?
Juffrouw hofman is nog minder tot die eer geschikt: ik had mij verbeeld, (en dat komt door uwe malle wijze van waarneemen,) dat zij te veel poëetisch vernuft, en levendige verbeeldingskracht bezat, om gezond, bedaard oordeel, en een redenmaatigen geest te kunnen hebben; zij is, in spijt van dit alles, zo doordrongen door de volksvooroordeelen, dat zij met mij nooit genoeg kan overeenkomen, om slechts tamelijk gezelschap voor mij te zijn: anders had ik het plan gemaakt om haar tot mijne vriendin - dat is Juffrouw van gezelschap meê te neemen - wees omtrent haar op uw hoede.
Om u een langen neus te geeven zend ik u deezen brief ingesloten: ha, ha! zo zeilen lieden van vernuft ook de moejelijkste hoeken te boven - ik met zulke wezens briefwisseling houden? ik zou wel eens willen zien, wie, of wat mij daartoe dwingen konde! ‘Erkentenis!’ - loop, gij zijt een uil! - ‘belang!’ welk belang? laat ik u toch eens meer
overeenkomstig uwe beginzels zien handelen; indien de oude smous den gouden medaille, niet voor twee duizend jaaren gehaald had, op de prijsvraag, wie is de sterkste - door het antwoord, de vrouwen zijn de sterkste; in mij zou die stelling nieuwe bewijzen erlangen - Erken mij voor uwe meesteres, en vaarwel, wenscht u,
c. lenting.