Zie daar, beuzelaar! uw fraai verdedigingsschrift terug, ik wil het niet langer in huis houden; het hindert mij te veel: alles wat het mij verzekert is dat gij een Jan Trijntjes, een kruimelaar zijt; en naar alle gedachten wel zo blijven zult, tot dat gij of tot stof wederkeert, waaruit gij genomen zijt, of u nog door de eene of andere kwezel zult laaten bekeeren: blondel is de bruigom! o dat was wel te voorzien! de Natuur heeft haare eischen, en die den moed niet heeft om een tuindief te zijn, moet door het hek kruipen om aan den snaai te komen: zijn aanstaande vrouw was nooit van de onzen; en hoe of die blondel zo lang uw vriend bleef, is voor mij een raadzel: of het moest zijn om dat hij altoos een leiband noodig had? - of dat hij een zekerder weg om gelukkig te zijn heeft ingeslagen dan gij? droevige kwast! begrijpt gij dan niet dat ieder zijn eigen soort van geluk heeft, zo wel als zijn eigen smaak van het schoone? dit is zeker, dat hij die geen erasmus worden kan, ten minsten zien moet dat hij Cardinaal wordt - Wat u betreft gij hebt zo
weinig moeds om een blondel, als om een jaques te worden - A propos, gij moet zo een ruwe beer niet in ons quartier brengen, hij zou door onze Dames... maar ik zal u niet alles zeggen; gij zult altijd in den onbeduidenden kring van kruipende ligtmissen blijven: gij hebt geene inwendige kracht: en is het niet eene algemeene bekende waarheid; er zijn wel vermaarde schurken, maar geen vermaarde zwakken: de cromwel's zijn altoos in alle vakken zeer zeldzaam.
Zo waart gij altoos: dat kakelt, dat snoeft, dat blaft tegen de conscientie, en gij hebt het hart niet om haar als een man onder het oog te zien, en de rest te geeven: toen gij een kleinen bengel waart, gedroegt gij u even eens omtrent Vaders grooten brak; gij sardet, gij plaagdet het dier, trokt het bij ooren en staart, ja waart baldaadig; maar als het geweldig dier u eindelijk de tanden deed zien, liept gij als een waare bloodaart, al schreeuwende, ergens in een' hoek, en zoudet wel gewild hebben, dat ik, jonger en wijzer dan gij, u in mijn' zak gestopt hadde: gij vreesdet het dier, en kondet uw rust niet houden: maar men moet den effenen weg der droomige deugd bewandelen, of men moet in de jaarboeken haarer vijandin als een held bekend staan: hoe dikwijls heb ik u dit niet door lessen en voorbeelden getoond! zo wáár is het dat de Natuur ons vrouwen vroeger ontwikkelt, maar ook, dat ieder die ondeugend zijn wil, niet kan.
En wat verwacht gij, vraag ik nogmaals, van deezen zotten slecht geschreven brief?
Men behoeft geene schrandere Juffrouw hofman te zijn, om zo een voddig ding te houden voor het geen het is: hiertoe is uwe domme aanstaande Mama, ja zelfs uw kuikeskopjen wel in staat.
Ik zou wildschut, dunkt mij, noch meer dan u verachten, indien hij zijne mooje dochter, en zijne nog veel moojer geldzakken gaf, aan zo een armhartig ligtmis: door sophistische streeken te bewijzen, dat gij om u in de groote wereld aangenaam te maaken, een speeler zijn moet.... ik heb geen geduld meer!
Nu dunkt mij vraagt gij weêr in doodlijke verlegenheid: ‘Maar zuster, wat moest ik dan tog geschreven hebben?’ - had gij mij dat nu vooraf gevraagd, ik zou u zulks gezegd hebben; doch nu is het te laat; ik wordt belet... er komt gezelschap - ik breng lenting den brief, die ook schrijft: hij heeft den tijd niet om zijn' neus in mijn geschrijf te steeken - hij durft ook niet - kort en goed(*).
c. lenting.