terug  begin  verder
[p. 368]origineel

Agt- en- dertigste brief.
De Heer cornelis de groot, aan Juffrouw anna hofman.

mijne waarde vriendin!

Ik heb u beloofd, vóór ik met onzen vriend, mijn beste walter, op reis ging, dat ik u eenig bericht zoude geeven van het land alwaar ik mij thans bevind - mijn oogmerk om u te schrijven, heeft twee beweegredenen: de ééne bestaat in u te doen zien, dat ik mijn woord houde; en de andere om u te overtuigen, dat ik mijn verstand wedergekregen heb - in zo verre dit bestaanbaar is met eene sterke zucht tot Poëzij, zoude ik zeggen, indien gij, mijne vriendin, niet een weinig met dezelfde euvel behebt waart.

Uit mijn' brief aan mijne Moeder, kunt gij zien, in hoe verre ik mij hersteld vinde; dit zal u dies te aangenaamer zijn, om dat gij weet, aan wien ik alles te danken hebbe; aan onzen dierbaaren, onzen geliefden vriend walter!

[p. 369]origineel
 
Konde ik u de landstreek maalen
 
Die zig aan mijn oog vertoont,
 
'K schetste heuvlen, bergen, dalen
 
Door de vruchtbaarheid bewoond!
 
Overoude duistre bosschen,
 
Aan wier rand, des ochtends vroeg,
 
De akkerman, met trekkende ossen
 
Langzaam gaat naast zijnen ploeg;
 
Daar de looze vogelaaren
 
Loeren op het pluimgediert;
 
En de vlugge jaagers wááren
 
Als de herfst het land ontciert;
 
'T grove wild ter nederleggen,
 
Met het scherp gelaên geweer;
 
En de hond door struik en heggen
 
Giert op 't sein van zijnen Heer;
 
'K hield uwe aandacht opgetogen,
 
Waar die 't oog ook heenen richt';
 
'K schetste voor uw' keurige oogen
 
In een grijs-blaauw vergezicht,
 
De Alpen, als de landman regen
 
Hagel, sneeuw of storm voorziet,
 
En de zon daar lijnrecht tegen
 
Haare westerstraalen schiet;
 
'K maalde koele lustpriëelen
 
Daar men zig des daags onthoudt;
 
Trotsche kerken en kasteelen,
 
Naar der Gotten smaak gebouwd;
 
Muuren tot den grond gespleten;
 
Torens, half omver gehaald;
 
Boogen, over 't veld gesmeten
 
Daar nog Romes pracht doorstaalt;
[p. 370]origineel
 
'K zou u verder doen ontdekken,
 
Hoe de boer zijn laage hut,
 
Om der hitte zig te onttrekken,
 
Tusschen deez' ruïnes stut;
 
Als hij in de zomerdagen
 
Met een onvermoeiden vlijt,
 
Voor den wijnberg zorg blijft draagen,
 
'T graan met kromme sikkels snijdt:
 
Nog wat hooger opgestegen,
 
Zaagt gij bij de morgenzon,
 
Meer zuidoost van ons gelegen,
 
'T volkrijk, prachtig, trotsch Lyon:
 
'K schetste een' waterval, die, bruischend,
 
Op gepunte rotzen stort,
 
En van daar al schuimend ruischend,
 
Tusschen groen dat nooit verdort,
 
Door de liefelijkste streeken,
 
Vloejende onder 't laagst geboomt',
 
Nu ons oog eens is ontweken,
 
Dan weêr door valeiën stroomt;
 
Maar hoe mij Natuur ontroerde,
 
Meermaals als een beeld doet staan,
 
Ja tot weenens toe vervoerde!
 
'K ving voorzeker vruchtloos aan;
 
'K voel het ijdle van dit poogen;
 
'K ondernam gewis te veel;
 
'K zie te klaar het onvermogen
 
Van mijn luchtig dichtpenseel.
[p. 371]origineel

Buiten twijfel is dit de eenige oorzaak; en ik begin te denken, dat ik, zo als boileau zig uitdrukt: ‘Eene sterke drift om te rijmen, heb aangezien voor de dichtkundige genie;’ dit is zeker, dat, indien men niet alleen vatbaar is voor de schoonheden der Natuur, maar ook bestemd om een' Dichter te zijn, dit oord die bestemming allerkrachtigst moet bevorderen; ja ik ben zeer benieuwd, of gij, u hier bevindende, niet zó wel slagen zoudet, dat zelfs onzen walter, hoe jaloers op uwen roem, voldaan zoude zijn.

Zie daar, nog een weinig regelen door mij opgesteld, bij gelegenheid, dat ik de onderdrukking en armoede in de meeste hutten der nijvere landlieden, en in het schoonste gewest 't welk de verbeelding zig schilderen kan, in alle haare ijsselijkheden bespeurde: ik was zo vervuld met het denkbeeld van vrijheid en vaderland, dat ik, de vrijheid in 't oog hebbende, uitriep:

 
Natuur! uw hartvriendin, verscheen nooit in een land,
 
Daar valsche Geestlijkheid, het denkende verstand,
 
Ja zelfs het eeuwig vrij geweten,
 
Geboeid houdt aan den sterksten keten;
 
 
 
Daar zij de onwetendheid zorgvuldig onderhoud,
 
En domheid als de zuil van haaren troon beschouwt,
 
Beducht dat wijsbegeerte en reden,
 
Haar dwingen van dien troon te treeden!
[p. 372]origineel
 
De godsdienst doet bestaan in ijdle plechtigheên,
 
In zinneloos gebaar, in 't preevlen van gebeên,
 
En - kan men wel iet snooder noemen? -
 
In 't ketterhaaten, ja verdoemen.
 
 
 
De vrijheid neemt geen volk, zo afgronds diep verlaagd,
 
In haaren edlen dienst; hoe wel het, onvertzaagd,
 
Zo lang de driften niet bedaaren,
 
Zig bloot durft stellen aan gevaaren.
 
 
 
Gezegend vaderland! beroemd gemeenebest!
 
Op wie 't beschaafd Euroop' haar oogen houdt gevest;
 
Bij u verkoos zij haare vrinden
 
Die zig tot haaren dienst verbinden.
 
 
 
Bij u, die Bato's kroost ten strijd hebt opgevoed;
 
Ja Rome stond verbaasd, door uw gezetten moed,
 
Toen Caesar, met zijn fiere helden,
 
Verscheen in uwe laage velden:
 
 
 
Hij waagde 't niet met u in Mavors veld te gaan;
 
Die listige tiran, bood u zijn vriendschap aan;
 
Voorziende dat het zou mislukken,
 
U dappre volken! te onderdrukken:
 
 
 
Toen 't magtig Oostenrijk u strenge Heeren zond;
 
Met rijkdom, bijgeloof en loosheid zig verbond;
 
En uw verdelging had besloten,
 
Door vrijheid naar het hart te stooten:
[p. 373]origineel
 
Toe toondet gij een' moed, der vrijheids vrienden waard',
 
Die onverschrokkenheid aan 't wikkende oordeel paart;
 
Toen hebt gij uw tirans verdreven;
 
En Vorsten op hunn' troon doen beeven;
 
 
 
Toen braakt gij 't ijzren juk der Spaansche dwinglandij,
 
Toen vocht gij andermaal het erf van Bato vrij;
 
Lang moet de vrijheid u bestuuren
 
Lang waai' haar vlag van uwe muuren(*)!
[p. 374]origineel

Het is dit onwaardeerbaar genot, de vrijheid, 't welk een inboreling van ons Gemeenebest zo ge-

[p. 375]origineel

hecht houdt aan zijn vaderland, dat zelfs al de schoonheden der Natuur hem niet bewegen zouden, in

[p. 376]origineel

dit heerelijk Land zijne dagen te komen slijten; het hart lijdt ook te sterk, op het gerucht van zo

[p. 377]origineel

veele elendigen, die de schoonste tarw inoogsten, en naauwlijks een stuk slecht gerstenbrood bekomen

[p. 378]origineel

kunnen, om hunnen honger te stillen; wat is het voor een menschlijk hart een droevig denkbeeld:

[p. 379]origineel

‘Deeze naarstige, deeze eerlijke lieden, treeden den heerelijksten wijn, die geheel Europa verkwikt

[p. 380]origineel

en vervrolijkt; en drinken niet dan water!’ het is bijna ongelooflijk, dat eene Regeering, hoe slecht

[p. 381]origineel

en onderdrukkend, in staat kan weezen, om een Land, dat alles, wat weelde en overvloed kan

[p. 382]origineel

uitdenken, zo rijkelijk oplevert, dus ongelukkig maaken kan - Meermaals trokken wij door dorpen in de schoonste oorden gelegen, en konden noch zuiver stro voor een bed, noch drinkbaaren wijn, noch zelfs goed brood bekomen; de Adel en de Geestlijken zijn hier alles; de overige inwooners niets.... ik hoor mompelen dat de verdrukking ten hoogsten top gestegen is: de Hemel geeve dat zij, en haare monsters, nog eens van deezen grond verdelgd worden! - Ik heb geen oogenblik tijds meer dan om mij te noemen, uw dienaar en vriend,

 

c. de groot.

(*)Indien de Poëet eenige weinige jaaren laater zijn reisjen gedaan hadde, hij zou misschien zijn dichtluim op eene geheel andere wijze hebben ingevolgd: ik ben in de verzoeking den vaderlandschen lezer, in dezelfde versmaat, de volgende regels overtezenden: als geschreven door eene ooggetuige:
Verwarring vloog vooruit met slecht gewapend volk,
Het oproer ijlde na, met opgeheven dolk;
Wat kon de woede paalen zetten?
Brooddronkenheid alleen gaf wetten.
 
De schrandre Lyoneesch, wiens vindig, naarstigheid,
Wiens kunst, zo treffend blijkt in 't geen zijn hand bereidt;
Wiens zaamgestelde weesgetouwen,
Men met verwondring moet aanschouwen;
 
Het wijnrijk Dauphiné, daar met een ijzren staf,
Verdrukking had geheerscht, de landliên overgaf,
Aan onderschikte dwingelanden,
Ontwrong zig uit die vuige banden.
 
De Norman, die altoos koelbloedig weegt en wikt;
De driftige Breton, ten slaaf zo ongeschikt;
Bourgognes vrolijke ingezeten,
Vertrapten 's Leenrechts zwaaren keten:
 
Verdoolden! die het volk om u geschapen waant,
Die als gij u het pad ter overheersching baant,
Niet schroomt, kan dit uw drift verzaden,
U in het burgerbloed te baaden.
 
Leert, leert tirannen! hoe een volk, te lang gehoond,
Ook vóór het vrijheid kent, uwe euveldaaden loont;
En wreedheên in die oogenblikken
Bedrijft, die 't hardste hart doen schrikken.
 
Nu trad een talloos volk, uit dat gebergt hervoord;
En valt, gelijk een stroom, door dijk noch dam gestoord,
De landstreek in: zijn woeste blikken,
Doen ook den onvertzaagden schrikken.
 
Een knoestige eikelstok - zie daar zijn krijgsgeweer;
Wee nu die weêrstand biedt! straks valt hij dood ter neêr:
Daar 't voordrukt om zijn dwingelanden,
In hun paleizen aanteranden.
 
Nog zie ik hoe dit heir voorbij mijn woning trekt;
Dat bittere gelaat, met stof en bloed bedekt;
'T geschreeuw, ‘Dat wet en vrijheid leeven!
Doet mij nog op 't herdenken beeven!
 
Is 't wonder dat een volk, door blinde wraak bezield,
Met nooit gehoord geweld, verwoest heeft en vernield,
En ongeregeldheden pleegde,
Die 't noch voorzag, noch overweegde?
 
Daar vlood 's nachts, half gekleed, de trotsche Marquisin,
En sloop al smekende, des burgers wooning in,
Die zij nog korts zo diep verachtte,
Geen groet, geen oogwenk waardig achtte.
 
Ginds ging de Geestlijkheid vermomd ten klooster uit,
En wierd zij opgespoord, al wat men vondt, was buit;
De rijkst gestikte choorgewaaden,
Met goud en zilvren kerksieraaden:
 
Een vrekkige Baron, die heel een oord bedorf,
Bij wien noch wees, noch weêuw een stuksken broods verworf;
Daar hij in pracht en wellust leefde,
Ja, op wiens naam de landman beefde;
 
Dat monster, zo gevreesd, verfoeid, gevloekt, gehaat,
Verkocht aan wreed geweld en schandlijke eigenbaat;
Voor wiens baldadigheid, en woeden,
Der weereloozen niets kan hoeden:
 
O wee! nu geldt het hem! te lang heeft zijn geweld
Der menschlijkheid gehoond, haar onder 't juk gekneld:
De razernij zal hem betaalen -
Reeds waart de wraak door alle zaalen.
 
Vergeefsch verbergt hij zig in 't aller akligst hol;
Men scheurt hem daaruit voord: nu speelt de wraak haar rol;
Zij grieft hem met ontelbre steeken,
En - lacht terwijl zijne oogen breeken.
 
Zij rukt, nog niet voldaan, het landpaleis ten grond',
Vertrapt, vergruist, vernield, verbrandt al wat zij vond;
Ja wil dat kinderen en vrouwen
'T verminkte lijk, als zij, aanschouwen.
 
(O God! welk een tooneel! nog deezen ochtendstond,
Zag ik dien man, die daar vertrapt ligt op den grond
Met bloedige afgeknotte leden,
Zo trotsch, voorbij mijn woning treeden!)
 
Zij schreeuwt: ‘Zie uw' tiran! 'k verdelg hem van deeze aard!’
De woestheid staat verzet; deinst achterwaards, bedaard;
Men kan nog in haar ruwe trekken
Een niet onmenschlijk hart ontdekken:
 
Zij ziet hem, zij verbleekt, haar graamschap is voldaan;
Zij ziet d'onthoofden romp; haar oog ontrolt een' traan:
Reeds denkt zij minder aan zijn snoodheid,
Dan wel aan zijn voorleden grootheid.
 
Zijn droeve weeuw, bemind om haare stille deugd,
Om haar menschlievend hart, nog in den bloei der jeugd,
Die zo veel onrecht had geleden,
Door 's wreedaarts onvermurbre zeden;
 
Zij ziet die droeve weêuw, hoort hoe die kermt en schreit,
Begunstigd haare vlugt, brengt haar in veiligheid,
Eer Haat zig met haar bloed bevlekte,
De onnozle hem ten offer strekte.
 
Zij ziet een weerloos kind daar 't in zijn wiegjen ligt,
Zij vliegt den Haat voorbij, gereed het lieve wicht
Den moorddolk ook door 't hart te drukken,
Ja durft het zijnen klaauw ontrukken:
 
‘Houd af,’ dus schreeuwt zij! ‘spaar dit klein, onnozel kind!
Nooit heeft ons dit getergd; wee! zo ge u onderwindt
Het in het allerminst te deeren:’
Dwingt Haat, zig niet zo snood te onteeren.
 
Zo sloeg dit onweêr voord met donderend gerucht,
Verwoestte alom het land; men schreeuwt, men weent, men vlugt,
Daar Roof en Moord aan alle kanten,
De zonderlingste vendels planten.
 
Reeds trok Baldadigheid met haare monsters aan;
Zij hoopt, nog meer dan Haat, waar' 't mooglijk, te onderstaan,
Ja noodde 't schuim van vreemdelingen
Het Rijk nog dieper door te dringen:
 
Dit eereloos gespuis, aan fielterij verkocht,
Vermeert elk oogenblik op zijn gevreesden togt;
Maar wekte ook tevens een afgrijzen,
Die 't hair te bergen op doet rijzen.
 
Daar steekt zij 't voedend graan, nog in den halm, aan brand,
Vertrapt, vertreedt, verwoest de schoone wijngaardplant:
Ja, als een gruwlijk donderweder,
Slaat zij zelfs 't hoogst geboomte neder.
 
Hier barst de felle vlam ter trotsche daken uit;
Ginds sluipt Roofgierigheid ter zijden met haar buit;
Daar houdt, in uitgeroofde zaalen,
Brooddronkenheid haar bachanaalen!
 
Toen zocht men veiligheid voor iedren onverlaat:
En waar, waar vond men haar, dan in den derden staat;
Dan in trevoux en zulke steden,
Daar burgers 's krijgsmans post bekleeden?
 
Dan bij dien derden staat veele eeuwen achter één
Van al haar recht beroofd, versmaad, gesard, vertreên;
Zij neemt, getroffen door erberming,
Ook al wat vlugt in haar bescherming:
 
Nu trekt de burgerij aan alle kanten uit;
Valt op de rovers aan, ontzet hun zeer veel buit;
Boeit die verdelgers, sleept hen mede,
Of straft hen voord ter zelfder stede.
 
Mijn vriend! - hoe sloeg mij 't hart! ja 't heeft mij dit voorspeld,
Wij zien u nimmer weêr; gij vocht gelijk een held:
De roofzucht is terug gedreven
Maar gij, gij liet het jeugdig leven.
 
Gij drongt met leeuwenmoed en bosch en schuilhoek door,
Uw battaillon keert weêr; doch zonder zijn' Majoor:
Maar kan men edler roem verwerven,
Dan dus voor 't vaderland te sterven?
 
Wat zie ik! ach! het lijk omwonden in een vaên!
Men draagt het zwijgend voord; elks oog ontrolt een traan;
Elk blijft van uwen moed gewagen,
Door roof, noch moord niet te verzaagen.
 
De onnutte kloosterling, die ballast in den Staat,
Voor 't uiterlijke ontzien, maar door al 't volk gehaat,
Door 't bijgeloof zo mild beschonken
In weelde en wellust als verdronken;
 
De luie bedelaar, vermomd in 't geestlijk kleed;
Die stout ten allen stonde in 's burgers woning treedt,
En onder 't Capusijnsche teemen,
Het brood der armoê komt ontneemen;
 
De meer beschaafde Abbé, die, in een' rijke Abdij
Trotsch en wellustig leeft; die door zijn kneevlaarij
De braave landliên onderdrukte,
Voor wiens gezach het alles bukte;
 
De onwaardige Curé, die, onder schijn van pligt,
Te waaken voor de kerk, den boer sleept voor 't gericht,
Durft die zijn schraapzucht tegenspreeken,
Daar ze op zijn rechten in wil breeken;
 
De staatige Kanunk die in de chooren zingt,
En door zijn plechtgewaad, het volk tot eerbied dwingt;
Maar nimmer stichting heeft gegeven
Door schandlijk ongeregeld leven;
 
De aanzienlijker Prelaat, die 't amt, door hem bekleed,
Of 't onbeschaamd onteert; of in 't geheel niet weet,
Waartoe zijn stand hem heeft verbonden,
Aan 't volk door hoofsche gunst gezonden;
 
Zij die door kuiperij, geboorte, of door geweld,
Voordeeligst zijn geplaatst, om 't aanbetrouwde geld
Den Koning of den Staat te ontsteelen,
En onder zig dien roof te deelen:
 
Die allen stonden bloot, aan 't woedend ruw gemeen,
Dat niet meer is verbluft, door pracht of plechtigheên,
Of kruisbeeld zingend omgedragen:
Geen bijgeloof kan 't nu vertzagen.
 
Het steeds verdeeld gemeen, heeft nu eens éénen zin;
Wat stuift het onbesuisd 't gewijde klooster in!
Durft tot in 't heiligdom dóórdringen,
Verdooft daar door geschreeuw het zingen;
 
Daar joeg 't een Ommegang al spottend uit elkaêr,
Het sart, en schelt den Paap; verschopt het straataltaar:
Voor zijn mishandling is niets veilig;
Ook niet zijn opgesierde Heilig.
 
Daar steekt het zig met spot, in 's kloosterlings gewaad,
Verschuilt zig in een kap, en danst dus langs de straat:
Loopt met het kruis om hoog geheven,
Ja durft zelfs de absolutie geeven!
 
Geduchte omwenteling! wie heeft u ooit voorspeld?
Heeft ooit geschiednis iet, aan u gelijk, vermeld?
Gij streeft verbeelding ver te boven:
Wij zien 't, maar kunnen 't naauw gelooven.
Er is mogelijk voor een' Dichter, die menschen en historiekennis bezit, die met een wijsgeerig oog de gebeurtenissen weet gadeteslaan, en in haare eerste kiemen optespooren, geen grootscher, rijker, verbaazender, belang inboezemender onderwerp uittedenken, dan zulk eene

REVOLUTIE door een ONDERDRUKT GEMEEN.

Maar, indien hij zelf geen ooggetuige daarvan ware; indien hij het inneemen en verdelgen der Bastille, het verwoesten van ontelbaare paleizen en sterkten, niet met eigen oogen zage; indien hij geen oplettend getuige ware van het sluiten van kerken, kloosters en abdijen; het doen uitgaan der Geestlijken van beide sexen; het opheffen van de, het volk uitmergelende, imposten; het verdrijven veeler onwaardige edelen; het ontslaan der tienden; het om niets arbeiden aan openbaare wegen; en die Negerslaafsche Heerendienst; enz., dan is het te voorzien, dat hij altoos te ver beneden zijn onderwerp blijven zal: om deeze revolutie te schilderen, moet men die hebben zien aanvangen, dagelijks zien voordgaan; haar zien worstelen met duizende in- en buiten-landsche vijanden, verraad, en moejelijkheden, die telkens verdubbelen, en geduurig overwonnen worden: men moet de oude Fransche constitutie en haare alles onderdrukkende wetten kennen; men moet, met het onbevooroordeeld oog van een vrij mensch, de geheele Fransche Natie, zo als zij is, zo als zij weezen kan onder eene goede wetgeving, waarneemen; men moet haare bronnen van welvaart in het land zelf zien, wil men zulk een tafreel maalen, zonder gevaar te loopen, van mogelijk iet aftekeuren, of afkeurend te behandelen, het welk slechts de natuurlijke uitwerkselen zijn van gevoelige harten, nu langen tijd getergd door eene reden- en orde looze overheersching, die de menschheid vernedert.
terug  begin  verder