Indien de Poëet eenige weinige jaaren laater zijn reisjen gedaan hadde, hij zou misschien zijn dichtluim op eene geheel andere wijze hebben ingevolgd: ik ben in de verzoeking den vaderlandschen lezer, in dezelfde versmaat, de volgende regels overtezenden:
Verwarring vloog vooruit met slecht gewapend volk,
Het oproer ijlde na, met opgeheven dolk;
Wat kon de woede paalen zetten?
Brooddronkenheid alleen gaf wetten.
De schrandre Lyoneesch, wiens vindig, naarstigheid,
Wiens kunst, zo treffend blijkt in 't geen zijn hand bereidt;
Wiens zaamgestelde weesgetouwen,
Men met verwondring moet aanschouwen;
Het wijnrijk Dauphiné, daar met een ijzren staf,
Verdrukking had geheerscht, de landliên overgaf,
Aan onderschikte dwingelanden,
Ontwrong zig uit die vuige banden.
De Norman, die altoos koelbloedig weegt en wikt;
De driftige Breton, ten slaaf zo ongeschikt;
Bourgognes vrolijke ingezeten,
Vertrapten 's Leenrechts zwaaren keten:
Verdoolden! die het volk om u geschapen waant,
Die als gij u het pad ter overheersching baant,
Niet schroomt, kan dit uw drift verzaden,
U in het burgerbloed te baaden.
Leert, leert tirannen! hoe een volk, te lang gehoond,
Ook vóór het vrijheid kent, uwe euveldaaden loont;
En wreedheên in die oogenblikken
Bedrijft, die 't hardste hart doen schrikken.
Nu trad een talloos volk, uit dat gebergt hervoord;
En valt, gelijk een stroom, door dijk noch dam gestoord,
De landstreek in: zijn woeste blikken,
Doen ook den onvertzaagden schrikken.
Een knoestige eikelstok - zie daar zijn krijgsgeweer;
Wee nu die weêrstand biedt! straks valt hij dood ter neêr:
Daar 't voordrukt om zijn dwingelanden,
In hun paleizen aanteranden.
Nog zie ik hoe dit heir voorbij mijn woning trekt;
Dat bittere gelaat, met stof en bloed bedekt;
'T geschreeuw, ‘Dat wet en vrijheid leeven!
Doet mij nog op 't herdenken beeven!
Is 't wonder dat een volk, door blinde wraak bezield,
Met nooit gehoord geweld, verwoest heeft en vernield,
En ongeregeldheden pleegde,
Die 't noch voorzag, noch overweegde?
Daar vlood 's nachts, half gekleed, de trotsche Marquisin,
En sloop al smekende, des burgers wooning in,
Die zij nog korts zo diep verachtte,
Geen groet, geen oogwenk waardig achtte.
Ginds ging de Geestlijkheid vermomd ten klooster uit,
En wierd zij opgespoord, al wat men vondt, was buit;
De rijkst gestikte choorgewaaden,
Met goud en zilvren kerksieraaden:
Een vrekkige Baron, die heel een oord bedorf,
Bij wien noch wees, noch weêuw een stuksken broods verworf;
Daar hij in pracht en wellust leefde,
Ja, op wiens naam de landman beefde;
Dat monster, zo gevreesd, verfoeid, gevloekt, gehaat,
Verkocht aan wreed geweld en schandlijke eigenbaat;
Voor wiens baldadigheid, en woeden,
Der weereloozen niets kan hoeden:
O wee! nu geldt het hem! te lang heeft zijn geweld
Der menschlijkheid gehoond, haar onder 't juk gekneld:
De razernij zal hem betaalen -
Reeds waart de wraak door alle zaalen.
Vergeefsch verbergt hij zig in 't aller akligst hol;
Men scheurt hem daaruit voord: nu speelt de wraak haar rol;
Zij grieft hem met ontelbre steeken,
En - lacht terwijl zijne oogen breeken.
Zij rukt, nog niet voldaan, het landpaleis ten grond',
Vertrapt, vergruist, vernield, verbrandt al wat zij vond;
Ja wil dat kinderen en vrouwen
'T verminkte lijk, als zij, aanschouwen.
(O God! welk een tooneel! nog deezen ochtendstond,
Zag ik dien man, die daar vertrapt ligt op den grond
Met bloedige afgeknotte leden,
Zo trotsch, voorbij mijn woning treeden!)
Zij schreeuwt: ‘Zie uw' tiran! 'k verdelg hem van deeze aard!’
De woestheid staat verzet; deinst achterwaards, bedaard;
Men kan nog in haar ruwe trekken
Een niet onmenschlijk hart ontdekken:
Zij ziet hem, zij verbleekt, haar graamschap is voldaan;
Zij ziet d'onthoofden romp; haar oog ontrolt een' traan:
Reeds denkt zij minder aan zijn snoodheid,
Dan wel aan zijn voorleden grootheid.
Zijn droeve weeuw, bemind om haare stille deugd,
Om haar menschlievend hart, nog in den bloei der jeugd,
Die zo veel onrecht had geleden,
Door 's wreedaarts onvermurbre zeden;
Zij ziet die droeve weêuw, hoort hoe die kermt en schreit,
Begunstigd haare vlugt, brengt haar in veiligheid,
Eer Haat zig met haar bloed bevlekte,
De onnozle hem ten offer strekte.
Zij ziet een weerloos kind daar 't in zijn wiegjen ligt,
Zij vliegt den Haat voorbij, gereed het lieve wicht
Den moorddolk ook door 't hart te drukken,
Ja durft het zijnen klaauw ontrukken:
‘Houd af,’ dus schreeuwt zij! ‘spaar dit klein, onnozel kind!
Nooit heeft ons dit getergd; wee! zo ge u onderwindt
Het in het allerminst te deeren:’
Dwingt Haat, zig niet zo snood te onteeren.
Zo sloeg dit onweêr voord met donderend gerucht,
Verwoestte alom het land; men schreeuwt, men weent, men vlugt,
Daar Roof en Moord aan alle kanten,
De zonderlingste vendels planten.
Reeds trok Baldadigheid met haare monsters aan;
Zij hoopt, nog meer dan Haat, waar' 't mooglijk, te onderstaan,
Ja noodde 't schuim van vreemdelingen
Het Rijk nog dieper door te dringen:
Dit eereloos gespuis, aan fielterij verkocht,
Vermeert elk oogenblik op zijn gevreesden togt;
Maar wekte ook tevens een afgrijzen,
Die 't hair te bergen op doet rijzen.
Daar steekt zij 't voedend graan, nog in den halm, aan brand,
Vertrapt, vertreedt, verwoest de schoone wijngaardplant:
Ja, als een gruwlijk donderweder,
Slaat zij zelfs 't hoogst geboomte neder.
Hier barst de felle vlam ter trotsche daken uit;
Ginds sluipt Roofgierigheid ter zijden met haar buit;
Daar houdt, in uitgeroofde zaalen,
Brooddronkenheid haar bachanaalen!
Toen zocht men veiligheid voor iedren onverlaat:
En waar, waar vond men haar, dan in den derden staat;
Dan in trevoux en zulke steden,
Daar burgers 's krijgsmans post bekleeden?
Dan bij dien derden staat veele eeuwen achter één
Van al haar recht beroofd, versmaad, gesard, vertreên;
Zij neemt, getroffen door erberming,
Ook al wat vlugt in haar bescherming:
Nu trekt de burgerij aan alle kanten uit;
Valt op de rovers aan, ontzet hun zeer veel buit;
Boeit die verdelgers, sleept hen mede,
Of straft hen voord ter zelfder stede.
Mijn vriend! - hoe sloeg mij 't hart! ja 't heeft mij dit voorspeld,
Wij zien u nimmer weêr; gij vocht gelijk een held:
De roofzucht is terug gedreven
Maar gij, gij liet het jeugdig leven.
Gij drongt met leeuwenmoed en bosch en schuilhoek door,
Uw battaillon keert weêr; doch zonder zijn' Majoor:
Maar kan men edler roem verwerven,
Dan dus voor 't vaderland te sterven?
Wat zie ik! ach! het lijk omwonden in een vaên!
Men draagt het zwijgend voord; elks oog ontrolt een traan;
Elk blijft van uwen moed gewagen,
Door roof, noch moord niet te verzaagen.
De onnutte kloosterling, die ballast in den Staat,
Voor 't uiterlijke ontzien, maar door al 't volk gehaat,
Door 't bijgeloof zo mild beschonken
In weelde en wellust als verdronken;
De luie bedelaar, vermomd in 't geestlijk kleed;
Die stout ten allen stonde in 's burgers woning treedt,
En onder 't Capusijnsche teemen,
Het brood der armoê komt ontneemen;
De meer beschaafde Abbé, die, in een' rijke Abdij
Trotsch en wellustig leeft; die door zijn kneevlaarij
De braave landliên onderdrukte,
Voor wiens gezach het alles bukte;
De onwaardige Curé, die, onder schijn van pligt,
Te waaken voor de kerk, den boer sleept voor 't gericht,
Durft die zijn schraapzucht tegenspreeken,
Daar ze op zijn rechten in wil breeken;
De staatige Kanunk die in de chooren zingt,
En door zijn plechtgewaad, het volk tot eerbied dwingt;
Maar nimmer stichting heeft gegeven
Door schandlijk ongeregeld leven;
De aanzienlijker Prelaat, die 't amt, door hem bekleed,
Of 't onbeschaamd onteert; of in 't geheel niet weet,
Waartoe zijn stand hem heeft verbonden,
Aan 't volk door hoofsche gunst gezonden;
Zij die door kuiperij, geboorte, of door geweld,
Voordeeligst zijn geplaatst, om 't aanbetrouwde geld
Den Koning of den Staat te ontsteelen,
En onder zig dien roof te deelen:
Die allen stonden bloot, aan 't woedend ruw gemeen,
Dat niet meer is verbluft, door pracht of plechtigheên,
Of kruisbeeld zingend omgedragen:
Geen bijgeloof kan 't nu vertzagen.
Het steeds verdeeld gemeen, heeft nu eens éénen zin;
Wat stuift het onbesuisd 't gewijde klooster in!
Durft tot in 't heiligdom dóórdringen,
Verdooft daar door geschreeuw het zingen;
Daar joeg 't een Ommegang al spottend uit elkaêr,
Het sart, en schelt den Paap; verschopt het straataltaar:
Voor zijn mishandling is niets veilig;
Ook niet zijn opgesierde Heilig.
Daar steekt het zig met spot, in 's kloosterlings gewaad,
Verschuilt zig in een kap, en danst dus langs de straat:
Loopt met het kruis om hoog geheven,
Ja durft zelfs de absolutie geeven!
Geduchte omwenteling! wie heeft u ooit voorspeld?
Heeft ooit geschiednis iet, aan u gelijk, vermeld?
Gij streeft verbeelding ver te boven:
Wij zien 't, maar kunnen 't naauw gelooven.
Er is mogelijk voor een' Dichter, die menschen en historiekennis bezit, die met een wijsgeerig oog de gebeurtenissen weet gadeteslaan, en in haare eerste kiemen optespooren, geen grootscher, rijker, verbaazender, belang inboezemender onderwerp uittedenken, dan zulk eene
ONDERDRUKT GEMEEN.
Maar, indien hij zelf geen ooggetuige daarvan ware; indien hij het inneemen en verdelgen der
, het verwoesten van ontelbaare paleizen en sterkten, niet met eigen oogen zage; indien hij geen oplettend getuige ware van het sluiten van kerken, kloosters en abdijen; het doen uitgaan der Geestlijken van beide sexen; het opheffen van de, het volk uitmergelende, imposten; het verdrijven veeler onwaardige edelen; het ontslaan der tienden; het om niets arbeiden aan openbaare wegen; en die Negerslaafsche Heerendienst; enz., dan is het te voorzien, dat hij altoos te ver beneden zijn onderwerp blijven zal: om deeze
te schilderen, moet men die hebben zien aanvangen, dagelijks zien voordgaan; haar zien worstelen met duizende in- en buiten-landsche vijanden, verraad, en moejelijkheden, die telkens verdubbelen, en geduurig overwonnen worden: men moet de oude
constitutie en haare alles onderdrukkende wetten kennen; men moet, met het onbevooroordeeld oog van een vrij mensch, de geheele
Natie, zo als zij is, zo als zij weezen kan onder eene goede wetgeving, waarneemen; men moet haare bronnen van welvaart in het land zelf zien, wil men zulk een tafreel maalen, zonder gevaar te loopen, van mogelijk iet aftekeuren, of afkeurend te behandelen, het welk slechts de natuurlijke uitwerkselen zijn van gevoelige harten, nu langen tijd getergd door eene
overheersching, die de menschheid vernedert.