terug  begin  verder
[p. 23]origineel

Drie- en- veertigste brief.
antwoord op den voorgaanden.

Indien uwe raazende koorts is afgelopen, lees dan het antwoord op eenen brief, die geen antwoord van mij verdient, doch die ik, uit zusterlijke genegenheid, en ten bewijze van mijne goede opvoeding, zal beantwoorden.

Voor de eerste maal heb ik met den Burgemeester gekeven, dat het daverde; en, zo als dat natuurlijk zijn moest, het veld behouden: ‘Zie mij,’ zeide ik, hem bij den langen mageren schraalen arm houdende, ‘zulk eene ezelachtige domheid eens aan! zulk een druiloorende verstrooidheid van gedachte, die men naauwlijks aan een groot Philosoof zoude vergeven! en is dit de man van staat? is dit de voedsterheer der kerk?’ - hij keek zo benaauwd, en was zo schroomvallig nieuwsgierig, om toch de oorzaak, die hij niet rechtuit vraagen durfde, te weeten, dat ik mij bijna van lagchen niet konde onthouden, zo een zamenstel van staatkunde, bemoeizucht en vrees, was 'er nog nooit verschenen: ik dreigde van hem te scheiden! - veel erger, hem van 't kussen te doen jaagen, vermids zo een armhartig hoofd de belangens onzer stad niet waren toetebetrouwen; doch wij hebben vreden gemaakt, op deeze voor-

[p. 24]origineel

waarde: hij moet u, in plaats van een amt, een vast verblijf in het Delfsche of Beverwijksche gekkenhuis bezorgen: zie daar, nu hebt gij u niet meer voor huisvesting te bekommeren, en ik zal u alle maanden, uit mijn eigen beurs, drie mooje stuivers zenden, om uw kunst als valschen speelder te blijven oefenen - gekken waren altoos uwe dupes, zo dat, de partij blijft voor u omtrent de zelfde: dat heet ik eerst kwaad met goed te vergelden, en dat wel zonder dat ik op de minste belooning hoop - hoe weinig vroome menschen brengen het zover! - hein! gij zijt immers, hoe ook uw krank hoofd van zijn stel zij, niet vergeten, dat 'er voor mij niets onverschilliger is dan hoe gij over mij denkt? maar met dit alles is het waar, dat ik uw dierbaar kwakzalvers geheim niet verraden heb; ook niet om mij eens ten uwen koste te diverteeren, en wildschut een trek te speelen: ik zag daar voor mij niets prettigs in, ook geen het minste voordeel: het is alles te wijten aan mijn ernstigen huilebalkenden domoor - gelooft gij dit niet? geduld! ik weet dat het geloof eene gaaf is, en dat gij even weinig als ik op deeze gaaf te roemen hebt.

Ik ontken geenzins, dat, nu het geval zo is, ik mij recht geamuseerd heb met uwe dollemans stuipen - nu voorzie ik nog dat gij van een spotter en lichtmis, een fijnen broeder zult worden: dit is meermaals het lot geweest van zulke dubbende schobbejakken, die eeuwig en altoos stompvoeten

[p. 25]origineel

op twee gedachten: tegen gij dit masqueraden pakje noodig hebt, zal ik u een vol stelletjen bezorgen - slapperloot hein! dan zult gij wel andere conqueten maken, dan nu, en schepzelen schepzelen schreeuwen, dat u hooren en zien vergaat: zo doende kunt gij ook, om niet te ver uit uw kring te raaken, nog een geestlijke valsche speeler worden.

Ik heb geen de minste nieuwsgierigheid naar uw nieuw ontwerp om de Schoone te krijgen; kunt gij het echter zonder mij niet redderen? uit medelijden, en ‘om Mevrouw stamhorst haare kleinachting te betaalen,’ zal ik het zo loflijk begonnen werk onder mij niet laaten liggen - gij zijt wel een arme kwant, maar in onze beste wereld moeten 'er zulke broddelaars ook al zijn - in dat geval kunt gij u vervoegen bij uwe

 

Leermeesteresse en Zuster,

 

c. lenting, Geboren

 

van arkel.

terug  begin  verder