N.B. De Heer wildschut begint zijnen brief met het voorgevallene tusschen hem, den Heer de groot en van arkel; meldt het gesprek kort te vooren gehouden, dat den lezer vinden kan in den laatsten brief van Juffrouw hofman aan haare vriendin sadelaar: hij voegt 'er bij, dat keetje hem op eene zeer onwaardige wijs geantwoord had: kortom, hij doet van alles verslag wat 'er sedert zijn laatsten brief is voorgevallen, en ook reeds uit den brief van van arkel bekend is - daarna geeft hij kennis van het verkeerd adresseeren der twee brieven, trekt den voornaamsten inhoud uit van arkel's brief aan zijne zuster, die de bijlage was van den brief hem door den Heer lenting gezonden; het bezoek van den Heer van arkel enz. - doch om alle noodelooze herhaalen te mijden, neemen wij alleen dit gedeelte deezes briefs over, behelzende het gesprek van den Heere wildschut, met zijne vrouw en dochter, over den verkeerd geadresseerden brief:]
Dien geheelen dag was ik volstrekt tot alles even onbekwaam: des avonds aan het dissert, verhaal-
de ik beiden wat mij ontmoet was; als ook dat de Heer de groot, na den brief van van arkel aan zijne zuster gelezen te hebben, bekende, dat hij voortaan zig niet ten zijnen voordeele zoude kunnen of mogen verklaaren; ja dat het hem leed deed mij dus verre overreed te hebben om zo een slecht mensch te begunstigen. keetje gaf te kennen, dat zij 'er aan twijfelde: mijne vrouw was redelijker; zij brak mijn verhaal geduurig af, door uitroepingen; nu was 't eens: ‘Wel hemelsche tijd! kan iemand evenwel zo valsch zijn! neen, dat had ik nooit van zo een vriendlijken jongen gedacht, en van zo eene verstandige Mevrouw!’ dan weêr - ‘Is dit nu al mijn dank die ik heb? ik heb mij wèl uitgesloofd, en heb ik haar daarom zo wèl ontvangen, en alle gerak en gemak gegeven? nu, ik dank God dat ik zo veel verstand niet heb; zijn wij dan, zo als van arkel schrijft, twee zottinnen, en is mijn keetje een bedorven kind, wij zijn ten minsten niet valsch: zie, wildschut! ik zou haar een' moord betrouwd hebben, enz.’
Alle deeze uitroepingen zouden mij veel meer verveeld hebben, indien ik daaruit niet bespeurd hadde, dat deeze laage verraderij indrukken op haar maakte: keetje, zeide ik, ik denk dat ik u thans niet meer behoef te verbieden geen den minsten ommegang met zulk een slechten jongen te houden; uw eigen verstand zal u, hoop ik, dien dienst doen: zij toonde mij duidelijk, dat zij even blind
of liever even halstarrig was als voormaals: ik beken dat ik toen al mijn geduld verloor, en haar alleen dit nog zeide: indien gij volstrekt uw' zin wilt doen, zullen de gevolgen voor u zeer droevig zijn - Zie daar nu, wat zal ik aanvangen? raad mij, want ik ben raadeloos.
Ik had mijne vrouw van ter zijde gezegd, dat mijne zaaken niet in orde waren; maar nu heb ik des anderen daags dit in keetjes bijzijn herhaald: wat of dit uit zal werken weet ik niet; de laatste slag, mij uit Hamburg toegebragt, heeft mij in de grootste moejelijkheid gestort; en mijn Boekhouder is zo onhandelbaar dat ik niet weet of ik hem behoor te houden - antwoord mij zo spoedig als mogelijk is, en geloof dat ik met de hoogste achting ben:
waarde broêr en zuster!
Uw Dienaar en Broeder,
p. wildschut.