terug  begin  verder

Agt- en- veertigste brief.
Mevrouw christina lenting, aan den Heere hendrik van arkel.

Wel mijn olijke vindingrijke jonge! dacht gij waarlijk dat de harsens uwer zuster in haaren staat van twijfeling, zo al niet gedesideerd gezegenden staat, zo verward en verkeerd lagen, dat die zig zouden verbeeld hebben, dat uw geheele brief ter

[p. 69]origineel

goeder trouw geschreven ware? zo gij mij een trek speelen wilt, moet gij het wat fijner aanleggen - Hoe kon ik een oogenblik geloof slaan, aan het geen gij schrijft over keetje, die gij bemint als uw eigen leven, of over haare moeder die gij als een zuster lief hebt, en eerbiedigt; ook vóór ik, het blad omslaande, las, dat alle die beschuldigingen, en alle zotternijen die gij beiden toeschreeft, u ter ooren gekomen waren; en dat gij mij die overbriefdet, om mij te doen zien, hoe weinig de wereld uw juweel kent, en hoe de saletvriendinnen van Mevrouw wildschut bestaan: ik raade u, hein! meld toch aan deeze braave lieden geene deezer babbelaarijen: ik houde 'er niet van, dat men zijne vriendschap toont door ons overtebrengen, wat anderen ten onzen nadeele zeggen; dat niet weet dat niet deert - gaarne schreef ik nog langer, doch ik krijg belet, en mijn man zal de goedheid hebben van op deezen aan u het opschrift te schrijven: ik heb geen' tijd om een brief toetelakken, alles breng ik hem maar zo toegevouwen - omhels mijn lieve aanstaande zuster met beide uwe armen; zo ook haare waardige Moeder voor uwe zuster,

 

c. lenting(*).

(*)Deeze brief had de verwachte uitwerking, bij een meisjen wier onbedachtheid groot, wier verstand ongeoefend, en wier ervarenheid niet het minste te beduiden had.
terug  begin  verder