terug  begin  verder
[p. 121]origineel

Zeven- en- vijftigste brief.
antwoord op den voorgaanden.

Wees vrolijk, mijn allerliefste betje! de vreugd is het deel der jeugd en der onschuld! Waarom zoudt gij niet blijde zijn, gij die alle uwe kinderpligten zo getrouw waarneemt; gij die uwe Ouders bemint, eerbiedigt en des beloont, voor alles wat zij omtrent u deeden, en dagelijks voor u doen? Hemel! welk een contrast! - maar zal ik vreugd oogsten, ik die den zaaitijd liet voorbij gaan? - ongelukkig vader! smoor uwe droefheid in uw eigen benaauwd hart, en plaats niet één droevig denkbeeld voor het blijmoedig ziels oog eener bevallige deugdzaame jonge Juffrouw, die u nu nog weder de grootste proeven geeft van haar vriendlijk hart en liefde te uwaards! - gij hebt dan, lief meisjen! geweend, met uw geheele hart geweend over mij! - uwe traanen zouden een balsem voor mij zijn, ware de wonde van mijn hart niet ongenezelijk! uw Tante heeft geschreid over uw' brief - keetje heeft geen gevoel dan van het vermaak dat 'er ligt in haaren vader te tergen: zij schreit niet meer! - ik ben niet verstoord, mijn lieve betje, op uw Nicht, om dat zij van veen niet kan beminnen, maar

[p. 122]origineel

ik ben weinig minder dan woedend, over haare behandeling omtrent hem, en te meer om dat zij hem aldus behandelt, in spijt van haaren altoos alte toegeevelijken vader.

En zo eene dochter als gij zijt had ik ook kunnen hebben! - mijne aandoeningen overmeesteren mij te zeer; ik kan niet voordschrijven - keetje wildschut is verloren, voor zig zelve, voor haaren vader - en zij was zulk een engelachtig kind, aleer - aleer zij bedorven wierd - ik moet schielijk afbreeken; alleen; keetje wil niet naar Buiten; ook niet met haare moeder, en om die te verpligten - Duizend groeten aan allen, ik blijf:

 

Uw doodlijk bedroefde, doch hartlijk lifhebbende Oom

 

wildschut.

terug  begin  verder