terug  begin  verder

Drie- en- zeventigste brief.
Mevrouwelizabeth stamhorst, aan Mejuffrouwmaria de groot.

Welk een treurig bericht geeft gij ons, mijne waarde vriendin! en welk een zinnelooze brief is die mijns Broeders! door beiden ben ik zo zeer getroffen dat mijne gezondheid, die sedert eenige weeken niet zeer gevestigd was, daar door een grooten schok gekregen heeft; dit is de eenige reden dat ik nog niet ben overgekomen: evenwel ik maak mij gereed tot de reis, zodra ik zonder onvoorzichtig mij te waagen, komen kan: Mijnheer stamhorst heeft eene zeer verdrietige zaak onderhanden, als voogt van minderjaarige kinderen, wier wettig goed men gedeeltelijk geroofd en gedeeltelijk verdonkerd heeft, doch hij zal mij, hoop ik althans, verzellen: gij kent mij te wèl

[p. 240]origineel

om te geloven dat mijne mening zijn zoude, dat een deugdzaam, jong, onnozel meisjen, door eenen deugeniet ten val gebragt, onherstelbaar verloren zijn zoude. Ik beween keetje van gantscher harte, zo doet ook mijne betje: had liefde, of dat geene 't welk onervaaren jonge lieden daar voor, ter goeder trouw, aanzien, haar dwaazen stap veroorzaakt; had keetje uit dit beginzel zig geworpen in de magt van een niets minder dan onberispelijk jongeling, zij zou wel mijn medelijden, maar geenzins mijne verachting opgewekt hebben: nu zie ik de bron in onvergeevelijke halstarrigheid, en in de zucht om haaren Vader te kwellen - evenwel, mijne vriendin! waaruit is die bron voordgevloeid? vraag het haaren bedroefden Vader zelven: zijn eigen geweten zal u die aanwijzen - laaten wij toch niets onbeproefd laaten om haar wedertekrijgen; hoe zij dan ook gesteld zijn moge - ik, ik haare liefhebbende Tante, zal haar, met opene armen ontvangen: ik laak ten allersterksten haaren misslag, doch zij moet daarom niet verworpen worden - Mevrouw lenting is een monster in mijne oogen: keetje moest in zulke handen vallende, en zo voorbereid door haare opvoeding, het slagtoffer worden: ik houde mij verzekerd dat zij alles bestuurd heeft, zij werkt uit wraak, en haar bij-oogmerk is slechts haare Broeder eene rijke vrouw te bezorgen. De brief van wildschut is een triumph te meerder voor haar - het spijt mij dat dien brief is afgezonden;

[p. 241]origineel

wacht geen bericht uit Engeland, vooral niet van haaren Oom de Kwaker - De toestand van mijnen Broeder moet ijsselijk zijn! ik kan 'er mij niet bij bepaalen! hoe veele droevige gevolgen kan een enkele daad voordbrengen! - nu hij zijne verkeerdheid levendig doorziet, heeft hij maar te veel reden om zig zelven te beschuldigen; doch dáárdoor is keetje niet gelukkiger.

Hoe zou wildschut in 't hoofd krijgen om bij Mevrouw lenting informatie te zoeken? geloofde hij dan dat zijne dochter dáár zijn zoude? alles is met de grootste verwarring aangelegd, en het verstand mijns Broeders moet toen reeds een deuk gehad hebben: ik bedank u dat gij u zo edelaartig omtrent het geheele huisgezin gedraagt: verlaat mijn armen wildschut niet! hij is des te ongelukkiger naar maate hij zig zelven te beschuldigen heeft - Mijn zoon, die weet dat ik deezen schrijf, zegt mij daar, dat hij Mevrouw lenting op eenen avond, (kort vóór Keetje's vlugt,) alleen en verkleed heeft ontmoet; zij was onkenbaar, doch hij merkte aan haare stem dat zij het was: zij was te paard en betaalde aan een tolhek passagegeld; zij heeft hem, denkt hij, niet opgemerkt, en hij, gewoon aan die masquerades sloeg 'er geen acht op, dan nu, nu wij hooren dat zij ‘ettelijke dagen ziek was en haar kamer heeft gehouden’ - Groet den bedroefden Vader en de, (wat woord zal ik anders gebruiken?) zorgelooze Moeder, voor ons en

[p. 242]origineel

verblijd beiden met onze aanstaande overkomst: ik kan Wildschut's brief thans niet beantwoorden: hij moet rust hebben: troosten kan ik hem niet, en bedroeven ware nu wreedheid - Ik ben:

 

Uwe hoogstachtende vriendin,

 

e. stamhorst, geborenwildschut.

terug  begin  verder