terug  begin  verder
[p. 355]origineel

Drie- en- tagtigste brief.
Mevrouwchristina lenting, aan den Heerehendrik van arkel.

Ik heb naauwlijks geduld om aan zo een dubber te schrijven - hoor alleen dit, als gij eens weder een gewetensstuip op het lijf krijgt, en u des ver van u zelven moet verwijderen, schrijf mij dan eens eenige vellen vol over de stem der Natuur, de zedelijke gewaarwording, het zesde zintuig; over liefde, over zusterlijke en broederlijke liefde, en dergelijke wisjewasjens, die al zo gewigtig zijn als het Systema van invallen, en de Republicq der vliegen - tot iet deegs zijt gij toch onbekwaam: en zo een Sir uilskuiken wil ook nog de Philosoof uithangen! arme hein! ik wil u echter schrijven, om u dol te maaken - gij hebt te Parijs veel te veel vermaak, om dat zo geheel zuiver en ongestoord door de eene of andere lastige overdenking, of woedende drift te genieten - gij wilt dan nog niet bekennen dat gij aan mij uwe goede dagen te danken hebt? 't is wèl, ik zal u dan ten minsten toonen dat ik al dat vermaak kan vergiftigen: ik ben, de Duivel haal, heel wèl! gij zult eindelijk erkennen dat ik uwe meerdere ben - dat ik u in mijne magt heb: scheld zo veel op mij als gij wilt, om u zelven zo veel valschen troost te gee-

[p. 356]origineel

ven als gij behoeft; want gij zijt een lafaart, die tog altoos dien toevlugt behoeft: nog meer, ik verhef u tot mijn' lofredenaar; gij zelf, als gij mij denkt te hoonen, verheft mij; want ik beleef mijn systema met glans: hoe zijt gij dan gefopt als gij u inbeeldt dat het haatelijk schilderij, 't welk gij van mij gaaft, mij vernedert! indien gij, als klopstok, de bekwaamheid haddet om gevallene Engelen te schilderen, gij zoudt mij meerder recht gedaan hebben: maar ik ken uw onvermogen.

Vooronderstel eens dat alles wat de Philosophen meenen bewezen te hebben, en de Christenen waanen te gelooven, waarheid is; wat maakt dit u een hair beter? is het niet geheel buiten u? gij noemt een meisjen dat u beminde, te bederven, een ondeugd; ik noem het een grapjen, dat alle dag voorvalt, en waardoor gij bij mij geen oog vol lofs behaald hebt.

Het is voor hen die in den schoot van deugdzaame familiën leeven, of die niet gevat zijn op het bestudeeren van menschlijke charakters, onbegrijpelijk, dat zij zo menigmaal, niet slechts door zotten en loskoppen, maar ook door hen, die zig met duivels geweld Philosophen willen noemen, deeze woorden van jezus hooren misbruiken: ‘Zalig zijn de armen van geeste,’ en dat dit ééne der meest geliefde, aartigste gezegden der beau monde uitmaakt: hoe dikwijls hoort men daar, als 'er van een slechthoofd gesproken wordt, zeggen: ‘Zalig

[p. 357]origineel

zijn de armen van geeste;’ terwijl dit een algemeen gelach en toejuiching veroorzaakt: men wil niet zien, dat de Leeraar, daar ter plaatse, van nederigheid en leerzaamheid spreekt, maar dat zie ik wel dóór: wat begrip hunne ligtzinnigheid en hoogmoed toch vormen van deeze twee, hen geheel en al noodzaakelijk vreemde gemoedsneigingen? Dikwijls, verontwaardigd door hunne zotheid, heb ik hun dit ook poogen te beduiden; dan dat was onmogelijk, zij behoorden tot die armen van geeste, diens het Koningrijk der Hemelen zij, naar hunne gekke uitlegging; zo dat, maat! de overdenking, ‘Ik ben tog nog zo snood niet als mijne zuster, ik heb daar zelf geen denkbeeld van,’ is niets dan een phariseeuws compliment, waardoor gij geen oog vol rechtvaardiger naar uw eigen huis gaan zult; doch daar dit u nog zo wat troost gaf, moet ik, volgends mijn charakter, u zulks óók ontneemen - buiten dit is het mij volmaakt onverschillig waarmede gij uw krank hoofd in een ledig uur bezig houdt.

Wat snapt gij ook over mijne kortstondige wraak? maar altoos steekt gij uw' neus in dingen daar gij niet doorziet! gelooft gij dan, dat ik zot genoeg ben om mij wijs te maaken, dat wildschut niet weldra weeten zal hoe ik alles gelogen heb? dat was mijn oogmerk; hoe verachtelijker hij mij dan zal afbeelden, hoe grooter zijn laag kruipen voor mij, hem bedroeven zal! moet hij, denkt gij, niet raazend worden, als hij overweegt: ‘Ik heb zulk

[p. 358]origineel

een nederigen brief geschreven aan de verleidster mijner dochter! ik heb haar om vergeving verzocht, om haare vriendschap gebeden, ja de mijne aangeboden!’... maar gij zijt niet in staat om te begrijpen, dat alleen uwe zuster zig op deeze wijs wreeken kan!

Al uw gekakel over mij, en mijn lot, reken ik zo veel als het waardig is - als niets: denk ik dan dat ik den ouderdom van methusalem zal bereiken? strekken mijne wenschen zig daar wel ooit naar uit? sterven dan, zo dra 'er niets meer voor mij te genieten is; dan keer ik, zo als salomon zegt, ‘weder tot het stof waaruit ik genomen ben,’ en dewijl niet aanwezig zijn alle smart te leur stelt, en ik in het aanwezig zijn zonder genot, meer last dan vermaak moet vinden, is dat zeer wèl naar mijn' zin.

lenting is voor 't eerst van zijn leven in geen goeden luim: geld noodig hebbende, heb ik hem voor eenige duizend guldens obligatiën ontkaapt, en ten mijnen profijte, (dat was billijk,) verkocht: dit heeft hem in de noodzaakelijkheid gebragt van zig te ontdoen, van één zijner beste Landerijen, vermits 'er geen geld bij kas, en veel noodig is: ô die bui zal wel bedaaren! ik zal hem deezen avond eens al de Couranten, bestaande uit voor u oud nieuws, met een paar posten, voorleezen; en dan zou 'er de drommel meê speelen, indien ik niet weêr de vrouw van zijn hart wierd! - Nog wat - Waar of het mooi malootjen toch zwerft;

[p. 359]origineel

en wat of zij doet? - nu dat is haar zaak. Ik blijf,

 

Uwe genegene Zuster,

 

c. lenting.

terug  begin  verder